Notities over de algemene voorbede

‘Wij bidden U verhoor ons’

door Cees Janssens

Een smeekgebed

Bij de voorbede – de naam zegt het al – hebben we met gebed van doen. Deze vaststelling lijkt op het intrappen van een open deur, maar is het toch niet. Bidden is een kunst, bidden moet worden geleerd. En – de eerlijkheid gebiedt het te zeggen – niet iedereen beheerst deze kunst.

Voorbede is een heel bepaalde vorm van gebed. Voorbede hoort thuis in de hoek van wat wij smeekgebed noemen. Dat betekent dat voorbede alles te maken heeft met vragen. Voorbede is een manier van bidden waarbij wij ons als gelovigen vragend en smekend tot God richten. Een dankgebed beschouwen wij daarom niet als voorbede. Een gebed waarin God lof wordt gebracht ‘U, God, loven wij; U, Heer, prijzen wij’ al evenmin. Voorbede is altijd sméékgebed. Bij uitvaarten en jubilea willen allerlei liturgische doe-het-zelvers deze wijsheid nog wel eens uit het oog verliezen. Dan wordt men als kerkganger bijvoorbeeld vergast op zoiets als een levensloop van de betrokkene(n). Enfin, U begrijpt het al, dat is dan geen voorbede, hoe goed ook bedoeld.

Voor ànderen

Er is nog meer. Het woord smeekgebed alléén zegt te weinig, wanneer het over voorbede gaat. Daar moet nog iets bij. Onze bede wordt pas echt tot vóórbede wanneer wij bidden voor ànderen. Het nederlandse woord voorbede is een beetje familie van al die uitdrukkingen die wij gebruiken wanneer wij voor een ander willen opkomen: voor iemand een goed woordje doen, voor iemand ten beste spreken. Zoiets doen wij ook in onze voorbede. Wij willen de belangen van anderen bij God behartigen.

In geloof en goed vertrouwen dat God met onze wereld begaan is, dat het wel en wee van de mens Hem niet onverschillig laten, betrekken wij Hem in onze eigen zorg voor wereld en samenleving. Voorbede is de liturgische naam voor wat we in ander verband solidariteit noemen: staande voor God komen wij op voor de belangen van anderen en van elkaar.

Voorbede is daarom een bij uitstek christelijke manier van bidden. We stellen niet onszelf voorop, en het eigen belang, maar we geven voorrang aan de naaste. Voorbede is een toepassing op het terrein van het gebed van onze opdracht de naaste lief te hebben en elkanders lasten te dragen.

Onze voorbede is bedoeld als het gebed vàn allen vóór allen. Dat betekent nogal wat. Gemakkelijk blijven we onder de maat van wat met voorbede eigenlijk is bedoeld. Er wordt wel ooit gezegd dat wij bij de voorbede iets zichtbaar maken van het gemeenschappelijk priesterschap van alle gelovigen.

Daarmee bedoelt men dan te zeggen: hier wordt duidelijk dat wij ten bate van anderen voor God treden. Priester is men immers nooit voor zichzelf, ten eigen bate, maar altijd ten dienste van anderen.

De inleiding op het missaal zegt heet heel correct: ‘|n de voorbede of het gebed van de gelovigen oefent het volk zijn priesterlijk ambt uit en bidt het voor alle mensen’ (nr. 45). De gemeenschap van gelovigen is niet alleen met zichzelf bezig als het goed is. Onze opdracht is het de anderen, alle anderen, in Gods ontferming aan te bevelen.

En toen was er de praktijk…

In de praktijk is het verre van eenvoudig de voorbede goed te laten functioneren. Er komt dan ook nogal wat bij kijken.

De gebedsintenties vragen de nodige zorg, zowel wat de inhoud betreft als wat de formulering aangaat. Voorbede kant en klaar uit een boekje kan eigenlijk niet goed. Dan wordt gemakkelijk tekort gedaan aan wat hier en nu onze aandacht vraagt. Nergens in de liturgie is er zóveel ruimte voor eigen inbreng als hier. Waarom daar geen goed gebruik van gemaakt?

De voorbede vraagt ook om een rolverdeling. De voorganger blijft ook bij de voorbede in functie. Dat betekent: hij nodigt uit om te gaan bidden en hij sluit het geheel af met een samenvattende oratie. Het voordragen van de intenties behoort echter niet tot zijn competentie. Dat zal in onze situatie meestal aan een lector worden toevertrouwd. Maar de belangrijkste rol wordt door het volk vervuld, het gaat immers om het gebed van de gelóvigen. Gebedsrefreinen bieden hier een uitstekende mogelijkheid. Het ‘Heer, onze God, wij bidden U verhoor ons’ vormt bij dit alles het eigenlijk gezegde gebed. Dat komt aan het volk toe. En dan als het even kan natuurlijk niet zomaar gezegd, gesproken, maar gezòngen, van binnenuit, als een waarachtige roep om ontferming en verhoring. Het bijna onderaardse gemompel dat men in sommige kerken op dit moment weet te produceren is vanzelfsprekend uit den boze. Ik kan me niet voorstellen dat God bereid is daaraan gehoor te schenken. Als ik God was zou ik het wel weten.

En waarom moet het bij de voorbede eeuwig en altijd hetzelfde liedje zijn? Er zijn vele, goede teksten van bruikbare refreinen voorhanden inmiddels. Ook de voorbede is erbij gebaat wanneer zij met de liturgische seizoenen van kleur mag wisselen.

Gaven en gebeden

Veel moet hier onbesproken blijven. Maar een ding moet ons toch nog van het hart: de voorbede en de daarbij aansluitende collecte zijn twee vormen van één en dezelfde solidariteit. ‘Hostias et preces Tibi offerimus’ zingt het offertorium van de Requiemmis.

‘Heer, aanvaard onze gaven en verhoor ons gebed’ zegt een van de daarop aansluitende gebeden. Pas wanneer én de voorbede én de collecte de aandacht hebben gekregen die zij verdienen, mogen wij overgaan tot de viering van de Eucharistie. Wie niet begrijpt waarom het hier gaat, doet er goed aan in zijn bijbel Mt. 5,23–24 nog maar eens op te slaan.

Reageren is niet mogelijk