‘Gedenken wij dankbaar’. Over het eucharistisch gebed

Dankzij de liturgische vernieuwing van het Tweede Vaticaans Concilie is het eucharistisch gebed in onze kerken weer tot klinken gebracht. Niet mondjesmaat, maar voluit, van het begin tot het einde. Vanaf de openingsdialoog tot en met de afsluitende doxologie: “Door Hem en met Hem en in Hem zal uw Naam geprezen zijn…”

Jubilate 19, 3 (september 1986)

Cees Janssens

Niet alle veranderingen zijn verbeteringen, zegt de volksmond. In dit geval gaat het duidelijk om een verandering die wel een verbetering is. Niemand verlangt terug naar de in stilte gebeden canon. Dat betekent niet dat de huidige praktijk altijd en overal ideaal is. Kerkgangers weten wel beter. Het heeft er soms alle schijn van dat de liturgievernieuwing de problemen rond het eucharistisch gebed eerder heeft vergroot dan verkleind.

Het hek van de dam?

In de vroegere praktijk was de canon een onaantastbaar gegeven; een soort Heilige der Heiligen, dat slechts met gedempte stem en als het ware op kousevoeten werd betreden. In de nu gangbaar geworden praktijk is er van deze schroom weinig overgebleven. Jan en alleman is zich met het eucharistisch gebed gaan bemoeien. De meest vreemde creaties zagen het daglicht, de meest wonderlijke gedachten werden er in uitgedrukt. Liturgische doe-het-zelvers leken soms een kruising tussen een maximum aan goede wil en een minimum aan kennis van zaken. Het zal niemand verbazen dat het eucharistisch gebed er niet altijd zonder kleerscheuren is afgekomen.

Het abc van de liturgie

Enige kennis van hol liturgische abc is in onze dagen onontbeerlijk. Aan het eucharistisch gebed vanlt deze stelling uitstekend te illustreren. In de tijd dat de liturgie maar één canon kendo, waren er geen problemen. Geen mens maakte zich druk over de eisen waaraan dit gebed moest voldoen. De tekst was voorgegeven en daarmee was de liturgische kous af. Nu het aantal liturgische gebeden aanzienlijk is uitgebreid, is de kwestie van de normen, waaraan een tekst moet voldoen, plotseling aktueel geworden. We hebben het dan nog alleen maar over de tekst. Goede liturgie vraagt echter om meer dan woorden alleen. Wat is bijvoorbeeld de taak van de priester bij dit alles en wat de rol van de gemeenschap? Hoe zit het met de rite: en de gebaren bij het eucharistische gebed? Hoe komt er zoiets als een goede muzikale vormgeving tot stand?

Goed of niet goed?

in een vorige bijdrge – zie Jubilate van september 1985 – hebben we een poging gedaan het eucharistische gebed, en daarmee de eucharistie zelf, kort te typeren. Wij kwamen toen uit bij deze “Het gaat om de lofprijzing van de Vader, de gedachtenis van de Zoon en de bede om de Heilige Geest”. Wanneer wij eucharistie vieren, dan zijn dit de bouwstenen voor het eucharistisch gebed. Altijd. Overal. Op deze regel bestaan geen uitzonderingen. Wie wat anders wil, moet zijn toevlucht nemen tot een anderssoortige viering. Maar wie eucharistie wil vieren kan aan deze uitgangspunten niet voorbij.

Geen eucharistie zonder relatie tot Vader, Zoon en Geest. Geen eucharistie zonder lofprijzing, gedachtenisviering en smeekbede. Een eucharistisch gebed waarin deze elementen niet zijn aan te wijzen, is zeker geen goed eucharistisch gebed. Zo simpel ligt dat. Alle hout is geen timmerhout. We hebben hier te maken met een minimumeis, een soort onderste grens. Wat daaronder blijft is brandhout. Naar boven daarentegen zijn er geen grenzen. Het kan immers altijd nog beter.

Bidden naar joods model

De christelijke liturgie heeft haar wortels in de joodse wereld. Ons eucharistisch gebed draagt daarvan de sporen. We moeten heel zuinig zijn op dit erfgoed, het vertegenwoordigt klasse. De drieslag lofprijzing, gedachtenis en smeekbede getuigt daarvan.

Wanneer de vrome israeliet zich tot zijn God wendt, dan is het eerste waarvan hij blijk geeft: God is God. Dat besef wordt uitgedrukt in de lofprijzing: “Gezegend is onze God, groot is Hij en zeer te prijzen…” De christelijke kerk heeft deze goede gewoonte overgenomen, in het eucharistisch gebed valt dat ook heel duidelijk te zien. Het element lofprijzing krijgt daarin altijd het eerste woord. Dat gebeurt op steeds wisselende en toch altijd weer dezelfde manier in de prefatie en het daarbij aansluitende ‘Heilig, Heilig, Heilig’. Wie meent dat het hierbij gaat om elementen die niet meer van deze tijd zijn, heeft van waarachtige liturgie kennelijk nog niets begrepen. In de joodse vroomheid wordt de lofprijzing gevolgd door de gedachtenis. Gedenken, dat is een grondwoord in de bijbelse wereld. Het is het present stellen van Gods weldaden door ze een voor een op te roepen. Het is de levende traditie, het besef te staan in één grote werkelijkheid, samen met hen die ons voorgingen en – hopelijk – met hen die na ons zullen komen. Bij de viering van de eucharistie speelt dit ‘gedenken’ een uiterst belangrijke rol. Deze gedachtenis kan op velerlei wijze worden ingevuld, maar centraal staat altijd de gedachtenis van Hem, die als Messias ons door God is gegeven: Jesus, de Christus. “Gedenken wij dankbaar de daden des Heren, zijn leven, zijn dood en verrijzenis…” Géén eucharistie zonder dit ‘gedenken’ in opdracht van de Heer zelf: “B|ijft dit doen om Mij te gedenken”.

De smeekbede, ons ‘bidden’ in de zin van ‘vragen’, komt pas daarna. Een fatsoenlijk gelovige begint niet met vragen, hij begint met loven en prijzen, vervolgens gedenkt hij, en tenslotte mag hij ook vragen. Vragen dat alles waarvan het gedenken spreekt, hier en nu, vandaag en morgen, ook voor ons zal mogen gelden. Vragen dat het ook voor ons en voor onze kinderen zo mag zijn dat Jesus onze Messias is en zijn Vader ook onze Vader.

Het loven wordt vooral met de Vader in verband gebracht, het gedenken geldt allereerst de Zoon, het smeken is vooral een smeken om de Geest, kort begrip van alles wat God ons geven wil.

Waar blijven de consecratiewoorden?

Er zijn mensen die denken dat een eucharistisch gebed altijd goed is, wanneer de consecratiewoorden er maar in voorkomen. Deze mening delen wij niet. De consecratiewoorden, ook wel instellingswoorden genoemd, vormen ongetwijfeld een belangrijk element binnen het geheel, maar zijn toch niet meer dan een onderdeel. Zij roepen de werkelijkheid op van ’s Heren dood en verrijzenis. Daarmee behoren zij tot het hart van de viering. Maar ook het hart heeft zijn plaats in een groter geheel. Als element van de gedachtenis van Jesus kunnen de consecratiewoorden alleen goed funktioneren in samenhang met de lofprijzing van de Vader en de bede om de Geest. Wie de consecratiewoorden isoleert van de rest van de gedachtenis, en wie vervolgens deze gedachtenis weer losmaakt uit het grotere verband van de lofprijzing en de bede om de Geest, die veroorzaakt een soort liturgische kortsluiting. Wie het eucharistisch gebed versmalt tot alleen de consecratiewoorden, die heeft misschien van veel dingen verstand, maar zeker niet van liturgie.

Roepen om de Geest

Het merkwaardige verschijnsel doet zich voor dat de consecratiewoorden vaak overbelicht worden en dat de bede om de Geest vaak onderbelicht blijft. Toch gaat het ook bij het derde element van de genoemde trits om een belangrijk gegeven. De roep-om-de-Geest, de zogenaamde epiclese, heeft betrekking op de gaven van brood en wijn maar evenzeer op de gelovigen die zich rond het altaar hebben verzameld. De Geest wordt geroepen om zowel het brood en de wijn als deze gelovigen om te vormen en te maken tot ‘Lichaam van Christus’. Een eucharistisch gebed waarin een dergelijke epiclese ontbreekt kan de toets der kritiek niet doorstaan. Ieder weldenkend christen beseft dit ook wel enigszins; zonder de Geest zijn wij als kerk nergens.

Meer dan woorden alleen

De liturgie kan met woorden alleen niet volstaan. Het eucharistisch gebed vormt geen uitzondering op deze regel. Alle zintuigen zijn geroepen mee te doen, wanneer net er om gaat het geloof te vieren. Ieder van de aanwezigen is geroepen deelnemer te zijn, met hoofd en hart, met handen en voeten. Ieder vervult de hem of haar toekomende rol. Niets meer, maar ook niets minder. De rol van de gemeenschap is een andere dan die van de priester die voorgaat. De rol van de cantor of het koor is weer een andere. Hier zijn spelregels in Het geding, gedragsregels of hoe men ze noemen wil. Men doet er goed aan deze regels serieus te nemen. De kwaliteit van de viering is er mee gemoeid. En altijd is er de ‘verhoogde toon’ van zang en muziek.‘Altijd’ klinkt het wat voorbarig, maar wat niet is kan komen. De vernieuwing van de liturgie staat nog in de kinderschoenen. Eens zal toch net besef moeten doorbreken dat het eenvoudig niet gaat zonder die verhoogde toon. Wanneer wij door schade en schande wijs moeten worden, dan kunnen wij nog wel eens héél wijs worden.

Reageren is niet mogelijk