Een goed begin… De openingsritus van de zondagse eucharistie

Sinds de liturgische vernieuwingen van het Tweede Vaticaans Concilie zijn wij er mee vertrouwd geraakt in de misviering twee grote delen te onderscheiden: de dienst van het woord en de dienst van de eucharistie. Dit tweeledige geheel wordt omgeven door enkele riten die het begin en het einde van de dienst markeren: de openingsritus en de slotritus. Over deze openingsritus hier een enkel woord.

Cees Janssens

Verschenen in Jubilate 16, 2 (april 1983)

Het is beslist geen toeval dat het openingsritueel groter van omvang is en er ingewikkelder uitziet dan de slotritus. Er dient dan ook nogal wat te gebeuren bij het begin van een dienst. De samenkomst moet op gang worden gebracht, en dat is geen sinecure. Het is zoiets als het starten van een auto met een koude motor. Dat vereist kennis van zaken, soms ook enig geduld en altijd de nodige zorgvuldigheid.

De Algemene Inleiding van het Missaal geeft in een enkele zin uitstekend de betekenis van de openingsriten aan. We lezen daar: ‘Het doel van deze riten is dat de gelovigen die bijeenkomen, een gemeenschap gaan vormen en tot de juiste gesteldheid komen om naar het woord van God te luisteren en waardig de eucharistie te vieren’ (nr. 24). Er kan pas van een goed openingsritueel worden gesproken wanneer deze drie elementen de aandacht krijgen die zij nodig hebben: de gemeenschap, het woord en het sacrament. Direct of indirect spelen deze elementen een rol in de verschillende onderdelen van de openingsritus.

In de gewone zondagsviering komen we doorgaans niet al deze elementen tegelijk tegen. In de Advent en in de Veertigdagentijd b.v. blijft de lofzang Eer aan God achterwege. Wierook en wijwater worden lang niet altijd of overal gebruikt. Vieringen waarin niet wordt gezongen kennen uiteraard geen intredezang of openingslied.

De liturgische praktijk Iaat zien dat de opening van de dienst op vele manieren een goede vormgeving kan krijgen. De praktijk laat eveneens zien dat het op vele manieren fout kan gaan. Wie oog heeft voor de aangegeven blikrichting (gemeenschap, woord, sacrament) zal zonder al te veel moeite een goede vormgeving weten te vinden. In dat perspectief krijgt het samen zingen en bidden een eigen zeggingskracht, evenals het meedragen van het lectionarium of het evangelieboek, en de begroeting van het altaar. Goede liturgie geeft ons op velerlei wijze te verstaan waarom het in de viering is begonnen. Goede liturgie weet dat wij het woord niet kunnen missen, maar zij weet ook dat er nog op tal van andere manieren kan worden gesproken. In taal en teken komt ons heil ter sprake.

Een scala van mogelijkheden

In zijn meest uitgebreide en plechtige vorm bestaat het openingsritueel van de zondagse eucharistieviering uit de volgende onderdelen:

  1. lntrede en intredezang.
  2. Begroeting en bewieroking van het altaar.
  3. Begroeting van het volk en openingswoord.
  4. Schuldbelijdenis, soms in combinatie met het
  5. Kyrie, dat op zijn beurt weer gecombineerd kan worden met de
  6. Besprenkeling met wijwater.
  7. Lofzang Eer aan God.
  8. Gebedsstilte, gevolgd door een
  9. Samenvattend gebed door de priester die in de dienst voorgaat.

Begin als beginsel

Een goed openingsritueel is van groot belang voor het verdere ver-loop van de dienst. Een valse start kan veel bederven. Het begin van de dienst Iaat in beginsel de héle dienst al duidelijk worden, in zoverre het gaat om een goede rolverdeling, om zingen en spelen, om spreken en zwijgen, om riten en gebaren, om het omgaan met ruimte en tijd.

Een goed begin is in de liturgie nog wei niet het halve werk, maar een goed begin is in elk geval geen half werk.

Reageren is niet mogelijk