In ecclesiis benedicite Deo: het graduale

Antwoord van de gemeenschap op de eerste lezing

Het lijkt zonneklaar: voor iedere zon- of feestdag staat in het Graduale Romanum of in het Gregoriaans Missaal een antwoordgezang aangegeven: het Graduale. Dit gezang kan men inderdaad gebruiken. Deze Graduales behoren tot de mooiste Gregoriaanse composities die we kennen. En wie ze aankan, hij ga zijn gang. Een goed gezongen Graduale kan de kerkgangers aanzetten tot meditatief bezig zijn met dat wat in de lezing zojuist gehoord is. Antwoord geven op iets kan ook zonder woorden te spreken. Door n.l. in de geest (of: Geest) te beamen wat zojuist is voorgelezen.

Fr. Nico Wesselingh o.s.b.

Jubilate 30, 1 (januari 1997)

Maar er zijn enkele zaken die het uitsluitend gebruiken van het Graduale, zoals in de Gregoriaanse zangboeken aangegeven, niet helemaal vanzelfsprekend maken.

Wat is een Graduale?

Het Graduale is een Responsorie, een woord dat terecht is vertaald met Beurtzang. Het is een gezang waarin een keervers of refrein wordt voorgezongen, wordt herhaald door allen, wordt gevolgd door een vers, waarna het refrein herhaald wordt, en eventueel nog een vers met refrein wordt gezongen. Van die vorm, in onze taal vooral Antwoordpsalm genoemd, is in ons Graduale niet veel meer te merken.

De rol van het volk is tot nihil terug gebracht. Het refrein (ook wel ‘corpus’ genoemd) is van een zodanige omvang en rijkheid aan melodie, dat het karakter van een terugkerend vers geheel is verdwenen. De versierde melodie heeft van het acclamatorisch karakter van de tekst niet veel meer overgelaten. Daar komt nog bij, dat een refrein pas goed gaat functioneren, als het een aantal malen wordt herhaald. Aangezien dat nooit meer gebeurt, wordt het Graduale vaak ervaren als één groot geheel zonder differentiatie. En dat is jammer.

Hoe kan men dit voorkomen? Enkele aanwijzingen kunnen daarbij dienst bewijzen.

Hoe te praktiseren?

  1. Zing het corpus (dus tot aan het vers) met heel het koor of de schola. Het vers is dan voor enkele zangers. Dat is niet tot meerdere eer van die enkele ‘uitverkorenen’, maar om de structuur van het gezang duidelijk te maken. Sommige koren willen altijd alles samen zingen, maar daarmee wordt het Graduale één groot brok klank. Dat werkt versluierend.
  2. Zing het Graduale licht. Vooral het vers. We weten inmiddels uit studies, dat het vers solistenwerk was. Het werd gewoonlijk te moeilijk gevonden voor een groep. Eén zanger alleen kan meer vrijheid in de expressie leggen en het tempo beter volhouden. Wat de zangers van vroeger, die hierin bijzonder geschoold waren, te moeilijk vonden voor een groep, moeten we nu niet log gaan maken omdat iedere zanger zo graag zichzelf hoort. En als er in een koor of schola veel zangers zijn die goede stem- en zangkwaliteiten bezitten, dan zou men telkens wisselende zangers voor de verzen kunnen nemen. Zo wordt ijdelheid en jaloezie vermeden.
  3. Het ‘licht zingen’ van een Graduale wordt geholpen door naar de hoogste noten toe te zingen, zonder een echt rubato te maken. Bi] zingen van Gregoriaans ben je altijd op weg ergens naar toe. Daarom moet je altijd ver vooruit kijken: hoe loopt de melodie, waar liggen de hoogtepunten. Altijd in de uitvoering de gang van de melodie volgen. Vooral niet alle noten en alle lettergrepen even zwaar maken. Soms hebben woorden een bijzondere schildering door de wijze van toonzetten. Daar niet overheen lopen.
  4. Om van de ‘vorm’ van het Responsorie toch nog iets over te houden, zou na het vers het refrein moeten worden herhaald. Soms is het verrassend hoe het begin van het Graduale aansluit bij, of een tegenstelling heeft tot, de herhaling van het Graduale. Maar doe dat nooit als het koor het gezang niet goed kent. Dan wordt het negatieve effect nog erger! Je zou een Graduale eigenlijk nooit moeten zingen, als het niet op z’n minst één keer op de (laatste) repetitie is doorgenomen.
  5. Wie het voorwoord op het Graduale Romanum leest, merkt dat er een voorkeur is om het Graduale niet te laten aanheffen door zangers tot aan het sterretje, maar dat heel de schola of het koor het aanhef.
  6. Daartegenover staat, dat de voorzangers het Gradualevers helemaal afzingen tot aan het einde. Het sterretje dat vroeger voor een van de laatste woorden stond, is in de nieuwe boeken weggelaten. Het hele vers is voor de voorzang. Als daarna het corpus opnieuw wordt gezongen, wordt het aangeheven door heel de groep. Zo komt de rolverdeling beter tot zijn recht.
  7. Ook het gebruik dat vroeger wel gepraktiseerd werd: om het vers dan maar te reciteren (op één toon zingen) moet worden afgeraden. Het is een te grote inbreuk op de compositie. Beter is het, als het vers niet ‘haalbaar’ is, om alleen het corpus te zingen, dus tot aan het vers, en dan te stoppen. Maar ook dat is natuurlijk een ingreep waar men vraagtekens bi] kan plaatsen. Men beperkt het zingen van een refreinlied toch ook niet tot het één keer zingen van het refrein, zonder strofen?
  8. Het is goed erop te wijzen, dat, wanneer op een zon- of feestdag voor het Evangelie één lezing wordt gepraktiseerd, men vaak met het Alleluia beter uit de voeten kan. Daarmee wordt dan ook de voorbereiding op het Evangelie meer kansen gegeven. In elk geval niet meer zoals vroeger na de eerste lezing zowel het Graduale als het Alleluia achter elkaar zingen. De regels wijzen dat af.
  9. Soms is het Graduale uitzonderlijk lang. Er is, zie Inleiding op het Graduale Romanum, dan altijd de mogelijkheid een ander Graduale te zingen, wat korter is en goed gekend door het koor. De Inleiding op het Graduale Romanum geeft aan, dat er dan een Graduale bij voorkeur uit dezelfde liturgische tijd kan worden genomen. Niets staat in de weg om in b.v. de tijd door het jaar, enkele Graduales te hernemen op zondagen dat er een moeilijk Graduale staat aangegeven. Wel is het zaak om in zo’n geval even te kijken naar de tekst van de eerste Lezing en die te vergelijken met de tekst van de eventueel te kiezen Graduales. Soms heeft zo’n tekst geen of nauwelijks verband met de voorafgaande lezing, soms past hij er precies bij. Wie geen Latijn verstaat, kan zich laten helpen door de vertalingen die in het Gregoriaans Missaal staan afgedrukt. Een tekst die b.v. de lof Gods verkondigt kan altijd worden gebruikt. Wie enkele voorbeelden wil van korte, goed bruikbare Graduales:\ Convertere p. 295,
    Custodi me p. 304,
    Domine, Dominus noster p. 308,\ Dirigatur p. 340.

Tenslotte is er nog een inconvenient verbonden aan het Gregoriaanse Graduale: Wie in het Lectionarium de Antwoordpsalm van een zon- of feestdag bekijkt, en het Graduale ernaast legt, zal vaak bemerken dat de tekst niet of slechts ten dele overeenkomt met de tekst die in het Lectionarium staat. We zingen op veel zondagen van A, B en C- jaar hetzelfde Graduale, waar in het Lectionarium drie verschillende Psalmteksten staan. Dat is geen slordigheid. De vernieuwde liturgie telt ongeveer tienmaal zoveel lezingen als het oude Missaal. Daar heeft men prachtige, goed op de lezing aansluitende, psalmteksten voor gevonden. In de landstaal gaat men dan gewoon die nieuwe teksten componeren. Met het Graduale Romanum of het Gregoriaans Missaal word: het dan behelpen, want het oude Gregoriaans heeft veel van die teksten nooit getoonzet gekend. En nieuwe maken doen we niet meer. Dat kunnen we eigenlijk niet meer. Dan overgaan naar de landstaal en het Graduale links laten liggen? Dat kan, maar hoeft niet. In de volgende aflevering gaan we met u bezien wat een alternatief kan zijn.

Reageren is niet mogelijk