De halleluia-acclamatie

Bij veel vieringen in onze kerken is deze acclamatie vóór het evangelie nog minder dan een ondergeschoven kind: zij wordt vaak gewoon weggelaten! Dat is toch wel heel jammer, want men laat dan de gelegenheid voor een waardevol liturgisch moment aan zich voorbijgaan, een moment waarop voor de deelnemers aan de viering zowel iets te zien, te horen, te ruiken als te doen valt. Zo’n uitgelezen kans voor een echt actieve deelname aan een viering zou je toch altijd moeten benutten.

Adriaan van Roode

Oorspronkelijk gepubliceerd in Jubilate september 2005

Er is hier geen sprake van nieuwlichterij: de acclamatie ‘halleluja’ werd al in de joodse liturgie gebruikt. De roep betekent: ‘looft God’. De laatste lettergreep van ‘hallelu-jah’ is een afkorting van ‘Jahwe’. In het Oude Testament vinden we de acclamatie vóór en na diverse psalmen vanaf psalm 105; in het Nieuwe Testament komt de uitroep (onvertaald!) enkele malen voor in Openbaring 19,1-6.

Geschiedenis

De joodse liturgie kende, zoals gezegd, de acclamatie halleluja! o.a. vóór en na bepaalde psalmen. Voortbouwend op deze traditie werd in de vroeg-christelijke eredienst deze acclamatie toegevoegd aan het refrein van de antwoordpsalm na de eerste schriftlezing. Omdat de Romeinen moeite hadden met de uitspraak van de ‘h’, vinden we de acclamatie in de Latijnse liturgie terug als ‘alleluia’. Dit hoeft voor ons geen reden te zijn dit Romeinse spraakgebrek over te nemen. In de loop van de tijd gingen de (beroeps-)zangers dit alleluia steeds uitbundiger versieren. Zo ontstond de iubilus, een rijk geornamenteerde -a aan het eind van de acclamatie, zoals we die nu nog kennen in de gregoriaanse zang vóór het evangelie. Voor het gelovige volk, dat aanvankelijk tijdens de viering én onder de preek(!) herhaaldelijk zijn instemming placht te betuigen door luide acclamaties, was vrijwel geen rol meer weggelegd. Na het Tweede Vaticaans Concilie is de halleluja-acclamatie teruggegeven aan het volk. In het Algemeen Statuut van het Romeins Missaal staat hierover: “Na de lezing die onmiddellijk voorafgaat aan het evangelie, wordt het alleluia […] gezongen. […]Het wordt door allen staande gezongen onder leiding van koor of cantor, en het wordt eventueel herhaald; het vers wordt echter door het koor of de cantor gezongen.” (nr. 62)

Zelfstandige ritus

De halleluja-acclamatie en het vers vormen een op zichzelf staande ritus vóór de evangelielezing. Deze ritus dient om de gelovigen de gelegenheid te geven de Heer te begroeten die tot hen zal spreken in de lezing van de Blijde Boodschap. Allen gaan dan ook staan, zingen de voorgezongen acclamatie: halleluja! na, luisteren naar het vers dat door het koor of de cantor wordt gezongen en herhalen tenslotte weer de acclamatie.

Maar al te vaak zien we gelovigen, voorganger en assistenten zittend het einde van het vers en de acclamatie afwachten. Acclamatie en vers zijn echter een processiezang: tijdens het zingen ervan draagt de voorganger of de diaken het evangelieboek naar de lezenaar, voorafgegaan door de wieroker en kaarsendragers.

Biedt het liturgisch centrum te weinig ruimte om een echte processie te formeren, dan kan die ruimte gecreëerd worden door de processie voor het liturgisch centrum langs te laten trekken. Als de processie langer duurt dan de halleluja-acclamatie met vers, kunnen vers en acclamatie gewoon herhaald worden. Zo valt er vóór de belangrijke lezing uit het evangelie inderdaad voor iedereen wat te doen, te zien, te horen en te ruiken. Liturgie in optima forma dus.

Welk halleluja?

Het lectionarium geeft voor iedere dag bij de halleluja-acclamatie een apart vers, dat vaak betrekking heeft op de evangelielezing van die dag. In de bundel ‘Gezangen voorLiturgie’ (GvL) staan twintig halleluja-acclamaties met vers. De verzen zijn zodanig gekozen dat zij algemeen gebruikt kunnen worden of juist geschikt zijn om een bepaalde periode in het kerkelijk jaar kleur te geven. De meeste halleluja-acclamaties zullen zonder veel moeite door allen herhaald kunnen worden, zeker als zij vaak genoeg worden gezongen; bij andere (bv. nrs. 243, 252, 255) zal dat wat moeilijker gaan.

In de veertigdagentijd mag de acclamatie halleluja niet gezongen worden, omdat deze uitroep bij ons christenen sterk verbonden is met het paasfeest. In plaats daarvan zingen we ‘Looft de Heer, alle gij volken’. In de laatste druk van GvL vinden we bij een aantal acclamaties beide teksten aangegeven.

Een halleluja-acclamatie hoort wél in de uitvaartliturgie. Sommigen kijken daar misschien wat vreemd tegenaan, maar bij een uitvaartdienst is een getuigenis van ons verrijzenisgeloof zeker op zijn plaats. Zo heeft men in de nieuwe Latijnse uitvaartliturgie de keuze uit vier alleluia’s. Als de halleluja-acclamatie onmiddellijk na de antwoordpsalm wordt gezongen – wat het geval is bij twee lezingen – dient men bij de keuze van de acclamatie rekening te houden met de toonaard. Muzikaal gezien zou dan het beste voor een acclamatie gekozen kunnen worden die in dezelfde toonaard staat als de antwoordpsalm. Als dat niet mogelijk is, kies dan in ieder geval voor een acclamatie in een verwante toonaard.

Andere verzen gebruiken

Een tekst die vaak voorkomt in de liturgie, verliest op den duur aan zeggingskracht. In de vorige aflevering van Jubilate heb ik gezegd dat met een beetje creativiteit vrijwel alle teksten van de verzen ingepast kunnen worden in bestaande muzikale patronen. Een nieuwe tekst spitst de aandacht, terwijl die tekst bovendien specifiek betrekking heeft op de komende evangelielezing. De acclamatie kan gewoon door iedereen worden meegezongen. Liturgisch dus in meerdere opzichten een verrijking.

Een andere tekst plaatsen onder een melodie met een strikt metrische structuur is vaak moeilijk: de tekst ‘past’ niet precies, de woordaccenten komen verkeerd te liggen, kortom, het gezongen vers maakt veelal een gewrongen indruk. In een enkel geval kan met kleine tekstaanpassingen toch een bevredigend resultaat worden bereikt.

Gemakkelijker gaat het met melodieën in een vrij ritme, bijvoorbeeld GvL 241 en 249. Men dient dan wel de reciteerformule (intonatie – reciteertoon – cadens) zo veel mogelijk intact te laten. Voor langere verzen kan gekozen worden voor een eenvoudige psalmodie.

 

Reageren is niet mogelijk