De geloofsbelijdenis: vreemd element of zinvol onderdeel?

Móet dat nou, na de preek zo’n loodzware tekst zeggen of zingen? Deze verzuchting zal ongetwijfeld regelmatig worden geslaakt door menig liturgist en kerkmusicus, verantwoordelijk voor de voorbereiding van een zinvolle en inspirerende zondagsviering.

Deze twijfel aan de zin van een officiële geloofsbelijdenis in de zondagse eucharistieviering leidt in verscheidene parochiekerken tot het eenvoudig weglaten ervan, de vervanging door een al dan niet strofisch ‘evangelielied’ of door een zelfgemaakte ‘geloofsverklaring’.

Alle reden om eens na te denken over functie en vormgeving van de geloofsbelijdenis in onze vieringen.

Adriaan van Roode

Oorspronkelijk verschenen in Jubilate september 2008

Betekenis en functie

Zoals gezegd, is niet iedereen overtuigd van de zin van het symbolum (geloofsbelijdenis) in een eucharistieviering. Zo schrijft de ook bij ons zeer bekende kerkmusicus Joseph Gelineau in zijn boek ‘Les chants de la Messe dans leur enracinement rituel’ (Parijs, 2001): “Na het horen van het Woord verwacht men in de voorbede de gebeden die eruit voortvloeien. Het opzeggen van de geloofsbelijdenis lijkt deze dynamiek vaak te doorbreken”. Hij raadt daarom ook aan het zeggen of zingen van het symbolum te bewaren voor die speciale vieringen waarbij het beter tot zijn recht komt.

Het ‘Algemeen Statuut van het Romeins Missaal’ zegt over de geloofsbelijdenis: “Het symbolum of de geloofsbelijdenis heeft tot doel dat geheel het samengekomen volk antwoordt op het woord van God, dat in de Schriftlezingen is verkondigd en in de homilie is uitgelegd, en dat het zich door het uitspreken van de regel van het geloof in de voor liturgisch gebruik goedgekeurde formule de grote mysteries van het geloof in herinnering brengt en deze belijdt, voordat met de viering ervan in de eucharistie wordt begonnen.” (67)

De woorden ‘regel van het geloof’ vragen om een toelichting. In de oorspronkelijke Latijnse tekst staat daar: ‘regulam fidei’. Het woord ‘regula’ betekent naast ‘liniaal’ ook ‘maatstaf’, ‘richtsnoer’, ‘voorschrift’. Het gaat dus om het uitspreken van vaststaande formuleringen die voor ons kunnen dienen als richtsnoer in ons leven. Zo wordt deze passage wat helderder en wint veel aan betekenis.

Ook op andere plaatsen zegt het Statuut iets over de zin van de geloofsbelijdenis, bijvoorbeeld in [36]: “Andere delen (naast de acclamaties en de antwoorden van het volk AvR) die zeer nuttig zijn om de actieve deelname van de gelovigen tot uitdrukking te brengen en te bevorderen, zijn vooral de boete-akt, de geloofsbelijdenis, het universele gebed (de voorbede) en het gebed des Heren.”

Een eucharistieviering is mede een dialoog tussen God en zijn volk. In de dienst van het Woord spreekt God tot ons door de Schrift; wij antwoorden actief door middel van de antwoordpsalm, acclamaties en het uitzingen of -spreken van de geloofsbelijdenis als blijk van instemming.

Ook om andere redenen kan de gezamenlijk gezongen of uitgesproken geloofsbelijdenis een diepere betekenis hebben. Doordat de gelovigen de oude, eerbiedwaardige formuleringen uit de vroege tijden van het christendom gebruiken in hun vieringen, weten zij zich verbonden met alle christenen die door de eeuwen heen met dezelfde woorden hun geloof beleden hebben. Die verbondenheid bestaat dan ook met de christenen over de hele wereld in onze tijd. Op deze wijze breidt het godsvolk in een bepaald kerkgebouw zijn dimensies uit in tijd en ruimte tot heel de Kerk van Christus.

De eerste christelijke geloofsbelijdenis werd uitgesproken door de blind-geborene in Joh. 9,35-38. Zij was het antwoord op de vraag van Jezus na zijn genezing: “Gelooft u in de Mensenzoon?” Toen Jezus hem gezegd had dat Hij zelf de Mensenzoon was, zei de man: “Ik geloof, Heer”.

In de vroegste christentijd werden de catechumenen gedoopt door een drievoudige onderdompeling. Bij de eerste onderdompeling kreeg de dopeling de vraag: “Geloof je in God, de almachtige Vader?”, bij de tweede: “Geloof je in Jezus Christus?”, en bij de derde: “Geloof je in de heilige Geest?”. Telkens antwoordde de dopeling: “Ik geloof”. Dezelfde vragen worden in wezen nog steeds gesteld bij een doopviering en bij de hernieuwing van de doopbeloften tijdens de paaswake.

De geloofsbelijdenis is oorspronkelijk dus afkomstig uit de doopliturgie. Van daaruit heeft zij zich ontwikkeld tot een gestructureerd geheel van geloofswaarheden, een soort condensaat van het christelijk geloof. Voor allen die gedoopt zijn is zij een teken van herkenning geworden en een uitdrukking van de gemeenschap in hetzelfde geloof. Het gezamenlijk uitspreken ervan in de zondagse eucharistieviering betekent voor de deelnemende gelovigen tevens een uitspreken van het geloof van ons doopsel.

Welke geloofsbelijdenis?

In onze zondagvieringen wordt de Apostolische Geloofsbelijdenis (de twaalf artikelen van het geloof) het meest gebruikt. In haar vroegste vorm stamt deze uit het begin van de derde eeuw. De huidige formulering is in het midden van de vijfde eeuw tot stand gekomen. Deze geloofsbelijdenis kent een duidelijke indeling in drieën, waarbij achtereenvolgens het geloof in de Vader, de Zoon en de heilige Geest wordt uitgesproken. Hierin herkennen we duidelijk dezelfde structuur als bij de oorspronkelijke geloofsverklaring bij het doopsel.

Het Romeins Missaal geeft voor zondagen en grote feesten als symbolum daarentegen de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel, tot stand gekomen bij de concilies van Nicea (325) en Constantinopel (381), bekend als het Credo uit het Kyriale. De Nederlandse vertaling hiervan wordt wel de ‘lange’ geloofsbelijdenis (Ik geloof in één God…) genoemd. Tussen de zesde en elfde eeuw is deze in het Westen opgenomen in de liturgie; in de Oosterse Kerk al in de vijfde eeuw. Waarschijnlijk door de invloed van Griekse gemeenschappen in Zuid-Italië werd dit symbolum daarna in toenemende mate ook in het Westen gezongen. In de elfde eeuw werden de gregoriaanse Credo’s I en II uit het huidige Kyriale in Rome gezongen. Het samen zingen van een gregoriaans Credo kan, zeker in een internationaal gezelschap, duidelijk hoorbaar uiting geven aan sterke gevoelens van onderlinge verbondenheid.

Overigens is het ook mogelijk om toch de Apostolische Geloofsbelijdenis te gebruiken. De Congregatie van de Eredienst heeft namelijk de keuze voor één van de beide geloofsbelijdenissen toegestaan, telkens als een bisschoppenconferentie hierom vroeg. Dit is gebeurd door de Nederlandse Bisschoppenconferentie (zie Altaarmissaal, p. 617 en 618) en daarom zijn in Nederland zowel de Apostolische Geloofsbelijdenis als de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel gangbaar.

In de twee meest gebruikte bundels, de ‘Randstadbundel’ (RB) en ‘Gezangen voor Liturgie’ (GvL) staan beide Nederlandse teksten direct achter elkaar, de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel zelfs voorop.

Andere formuleringen, meer eigentijds of maatschappelijk betrokken bedoeld, zijn naar mijn mening niet aan te raden. Het belangrijke effect van verbondenheid met alle christenen van nu en vroeger gaat dan geheel verloren. Bovendien zal dan veelal nauwelijks sprake zijn van een ‘regula fidei’, zodat ook dit aspect verloren gaat. Tenslotte is daar nog het feit dat de bestaande formuleringen pas na lange en intensieve beraadslagingen op belangrijke concilies tot stand gekomen zijn en vervolgens gedurende een periode van meer dan anderhalf millennium van generatie op generatie aan ons zijn overgeleverd. Alleszins reden, zo lijkt mij, om daar niet lichtvaardig van af te stappen.

Een gezongen geloofsbelijdenis die afwijkt van de overgeleverde tekst, zoals het ‘Halewijncredo’ (GvL 470, RB 63), kan in bepaalde vieringen zeer zinvol ingepast worden, maar hoort om bovengenoemde redenen mijns inziens niet thuis op de plaats van de geloofsbelijdenis in een zondagse eucharistieviering.

Zeggen of zingen?

Als je van een afstand de gelovigen in een kerk de geloofsbelijdenis hoort zeggen, maakt dat bepaald geen vreugdevolle indruk, terwijl je van de tekst bovendien weinig of niets verstaat. Daarom was het op mijn vroegere kostschool de gewoonte om alle gebeden op één toon (fis) te reciteren. Dat klonk al veel frisser dan het ‘gewone’ toonloze gemompel. Alleen al om deze reden verdient het verre de voorkeur de geloofsbelijdenis te zingen. Doordat het hier gaat om overwegend of zelfs geheel syllabische gezangen, duurt het zingen van een geloofsbelijdenis nauwelijks langer dan het zeggen ervan.

In hun boekje over de zondagse eucharistieviering ‘Tot glorie van uw naam’ citeren Cees Janssens en Nico Wesselingh de woorden van Willem Barnard: “Het is ongelofelijk, dat wij geloven. En daarom zingen wij”.

De ervaring leert dat een gregoriaans Credo over het algemeen goed wordt meegezongen. Ook in een verder Nederlandstalige viering kan een Credo zeer goed worden gezongen, evenals het Paternoster. Op deze manier leren ook jongere kerkgangers langzamerhand deze Latijnse gezangen zingen, die nog altijd wereldwijd bekend zijn bij zeer veel katholieken. Het Algemeen Statuut zegt hierover: “Omdat heden ten dage steeds vaker de gelovigen van verschillende naties bijeenkomen, is het wenselijk dat de gelovigen althans enkele gedeelten van het gewone van de mis, maar vooral het symbolum van het gelood en het gebed des Heren, gezamenlijk op een vrij gemakkelijke melodie in het Latijn kunnen zingen.” (41) In de Randstadbundel staat de tekst van de Latijnse vaste gezangen afgedrukt (RB 3 t/m 8); ‘Gezangen voor Liturgie’ heeft achterin een ruim aantal gregoriaanse gezangen met muzieknotatie.

Wat de Nederlandse teksten betreft: voor de Apostolische Geloofsbelijdenis staan in ‘Gezangen voor Liturgie’ drie melodieën (GvL 271 t/m 273); in de Randstadbundel slechts één (RB 24).

Meer moeite kost het om toonzettingen te vinden voor de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel. Wellicht is het ook daarom dat deze geloofsbelijdenis niet of nauwelijks gebruikt wordt.

Van beide genoemde Nederlandse bundels geeft alleen de Randstadbundel een te zingen versie van deze geloofsbelijdenis in de mis ‘Christus het eeuwige woord’ van Jan Vermulst. Een toch wat magere oogst, temeer daar hierbij slechts één reciteerformule wordt gebruikt, terwijl lange stukken tekst op dezelfde reciteertoon gezongen moeten worden.

In ‘Zingt Jubilate’, een recente uitgave van de Belgische Interdiocesane Commissie voor Liturgische Zielzorg staan twee toonzettingen van het symbolum van Nicea-Constantinopel. De eerste is van de hand van Guido Philippeth. Hij gebruikt twee reciteerformules, die weergegeven worden in muziekvoorbeeld 1.

Geloofsbelijdenis1

Muziekvoorbeeld 1

Muziekvoorbeeld 2 geeft het begin van de melodie gecomponeerd door Jan Schrooten

Muziekvoorbeeld 2

Muziekvoorbeeld 2

Door het gebruik van meerdere reciteerformules ontstaat een levendig gezang met telkens een melodische afwisseling tussen voorzang en volkszang.

In de jaren zestig van de vorige eeuw verscheen bij Hofman in Alkmaar de nu vrijwel vergeten Don Bosco-mis van Kees Bornewasser. De geloofsbelijdenis hiervan is eenvoudig, gemakkelijk aan te leren en prettig om te zingen. In deze geloofsbelijdenis worden twee reciteerformules gebruikt. Beide komen voor in muziekvoorbeeld 3.

Geloofsbelijdenis3

Muziekvoorbeeld 3

Het zingen van de geloofsbelijdenis betekent liturgisch en muzikaal een verrijking van de zondagse eucharistieviering. Ik hoop tevens aangetoond te hebben dat wij hierbij niet gebonden hoeven te zijn aan een beperkt aantal melodieën. Voor wie zoekt, is veel te vinden.

 

Reageren is niet mogelijk