Credo in unum Deum

Verschenen in Jubilate 18,1 (januari 1985)

Cees Janssens

De geloofsbelijdenis in de zondagse viering

De aanwezigheid van een aparte geloofsbelijdenis in de eucharistische samenkomst op zondag is allerminst vanzelfsprekend. Liturgisten wijzen er op dat het Eucharistisch Gebed eigenlijk deze functie vervult. Belijdenis van ons gemeenschappelijk geloof in God als Vader, Zoon en Heilige Geest.

Ja, die liturgisten. Ik denk dat ze wel gelijk hebben. Maar ook een klein beetje ongelijk. Ik wil best aannemen dat het Credo een plaats heeft gekregen in de misliturgie, toen het Eucharistisch Gebed zijn rol niet goed meer vervulde. Wanneer ik wat om mij heen kijk – en luister… – krijg ik niet de indruk dat het Eucharistisch Gebed in onze kerken zijn rol zo verschrikkelijk goed vervult. Reden genoeg om het Credo niet al te snel negatief te benaderen.

Verschillende vormen

We komen net Credo in onze liturgie in drie verschillende vormen tegen. Eerst en vooral in de vorm van een dialoog, in de Paaswake bijvoorbeeld. Verder in de korte, maar katechetisch georiënteerde vorm van de ‘Geloofsbelijdenis van de Apostelen’, ook bekend als ‘De Twaalf Artikelen’. Tenslotte in een meer theologische gedaante als ‘conciliaire geloofsbelijdenis’. Het Credo zodat we dat doorgaans zingen. Deze tekst – de langste van de drie – draagt de bijna niet uit te spreken benaming ‘Symbolum Nicaenum-Constantinopolitanum’. Zelfs een niet geoefend oor kan hier de plaatsnamen Nicea en Constantinopel in horen, plaatsen waar concilies zich met deze tekst hebben bezig gehouden.

Deze lange tekst is mij het liefst, al vele jaren. Voor ik me ooit aan één bladzijde theologie had gewaagd, werd ik geboeid door dat vreemde ‘God uit God, licht uit licht, ware God uit de ware God, geboren niet geschapen’. Als kind lag dat voor mij op een lijn met enkele verzen uit psalm 114(113): ‘Wat is net toch zee, dat u vluchten doet? Jordaan, waarom wijkt ge terug? Gij bergen, wat springt ge als rammen op, gij heuvels als lammeren?‘ Deze onbegrepen maar o zo boeiende woorden wist ik steeds weer te vinden in het allereerste kerkboek dat ik het mijne mocht noemen. Pedagogisch zal dit kerkboek geen hoge ogen nebben gegooid – wat moet een kind met de psalmen van de zondagsvespers? – maar voor mij heeft het de deur geopend naar een wereld die mij tot op vandaag in zijn ban houdt.

Verschillende mogelijkheden

De bezwaren die worden ingebracht tegen de geloofsbelijdenis zelf en tegen de plaats ervan in de liturgie zijn mij bekend. Ik acht ze grotendeels ook steekhoudend. Wie de woorddienst en de algemene voorbede het volle pond probeert te geven, voelt zich door deze lange, zware tekst eerder gehinderd dan geholpen.

Het gaat toch om het geloof? Het geloofsantwoord dat in ons wordt gewekt door de verkondiging’? Dat hoeft toch niet vast te zitten aan zo’n moeilijke en moeizame belijdenis? Zij die dit zeggen hebben het gelijk aan hun zijde. De algemene inleiding op het Missaal valt hen bij inzoverre ook daar de belijdenis wordt gezien als middel tot een doel, dat niet met dit middel samenvalt. Pas wanneer we deze tekst helemaal horen komt er toch nog iets anders aan de orde. ‘Het symbolum of de geloofsbelijdenis in de eucharistie heeft ten doel het volk met het woord van God, waarnaar het in de lezingen en de homilie geluisterd heeft, te laten instemmen, het te beamen en de “regula fidei” in herinnering te brengen voordat het de eucharistie gaat vieren’ (nr. 43). Met excuses voor dat onvertaald gelaten ‘regula fidei’. De goede verstaander hoort wel dat hier iets anders in het geding is, dan ’de geloofswaarheden’ waarvan de officiële Nederlandse vertaling spreekt.

Af en toe kan ook een andere tekst op een heel zinnige manier de functie van ‘geloofsbelijdenis’ vervullen. Een goed evangelielied b.v. Maar dan wel: een goéd evangelielied. En uiteraard zingen we zo’n lied dan ook staande. Er zijn minstens drie redenen die ons op dit moment het zitten verbieden: het evangelie waarop wij antwoord geven, de belijdenis van ons geloof die wij er in tot uitdrukking brengen en het opstandingskarakter van de zondagsviering als zodanig.

Een goed woordje voor de geloofsbelijdenis

Slechts wie niet beseft wat er op het spel staat, kan min of meer gedachteloos de geloofsbelijdenis opzij schuiven. Eigenlijk kan het dus niet. Houdt deze stellingname een ‘eten van twee walletjes’ in’? Wie mij hiervan wenst te betichten, hij ga zijn gang. Maar net leven en ook de liturgie staan het ons nu eenmaal niet toe alle voorkomende problemen af te doen met een simpel ja of nee. Een goed woordje voor de geloofsbelijdenis kan geen kwaad. Dat goede woordje wil ik best inbrengen, en ik wil er nog bij zeggen waarom. Het is vanwege die reeds genoemde ‘regu|a fidei’. De onvergetelijke Han Fortmann heeft ooit gezegd: ‘Bij sommige experimenten zou men inderdaad wel van Judea naar de bergen willen vluchten’. Voor niet zo bijbelvaste lezers: zie Mt. 24,26. De situatie die Fortmann op het oog heeft zouden we moeten voorkomen. Vandaar die regula fidei. Met het kompas in de hand wordt de kans op verdwalen niet uitgesloten maar wel minder groot.

Het credo zingen?

Menigeen acht de tekst van de geloofsbelijdenis te prozaïsch om te worden gezongen. Vandaar dat men pleit voor reciteren, een zondagse naam voor ‘opzeggen’. Ik ben het daar niet helemaal mee eens. Het Credo is allesbehalve prozaïsch. De belijdenis van het geloof is ook een hymnisch gebeuren. Ieder die ooit aan de Confessiones, de Belijdenissen van Augustinus heeft geroken, zal dit beamen. Ook het Credo verdient het te worden gezongen. Willem Barnard zegt: ‘Het is ongelofelijk, dat wij geloven. En daarom zingen wij’. Daarom zingen wij: psalmen, hymnen en liederen. En als net even kan oók onze geloofsbelijdenis.

Reageren is niet mogelijk