Geheimnisvolle schepping

Over de symboliek van het water

Water, dat voorbij mij vaart, en
lonkt en lacht en groet mij,
staat een wijle stil, en
laat u ook van mij gegroet zijn.
Guido Gezelle

Jubilate 19, 2 (mei 1986)

Fr. Nico Wesselingh O.S.B

In het vorig nummner van Jubilate schreef Gerard Broekhuijsen een interessant artikel als inleiding op de betekenis van symbolen. Als logisch vervolg daarop deze overpeinzing, die zijn verhaal concreet maakt, of probeert te maken.

Water is vol geheimen. Het heeft de eigenschap zich aan te passen aan de vorm van de omgeving. Water vormt een geheel in een kopje, maar ook in de grote zee. Het kan beroerd worden door een storm en ook volkomen stil staan in een waterplas. Water heeft geen pretenties, het heeft geen eigen vorm zoals een boom of een huis. Het is er gelijkelijk voor alles en iedereen. Het vormt het bestanddeel voor een stromende rivier, altijd door, maar het laat zich ook gewoon wegwerpen op een straat. Als diende het nergens toe. Water heeft iets geheimzinnigs. Als je ergens in een bos een waterplas vindt, is toch altijd weer de vraag: hoe diep is het hier? Je kijkt op het oppervlak, maar kunt de diepte niet waarnemen. Het geeft zijn geheim ook niet prijs als je erom vraagt. Water is neutraal. Het is zichzelf, zonder zich op te dringen. Het is beschikbaar, zowel om de grond voor verdrogen te behoeden als om te drinken. Als het waar is dat een mens voor 96% uit water bestaat, dan zijn wij eigenlijk water. Water is in de oude opvatting bron van het leven op aarde. Niet alleen omdat zonder water geen plant of dier kan bestaan, maar ook omdat de ouden dachten dat vanuit het leven in de zee het leven op aarde is ontstaan. Dat kun je je letterlijk voorstellen: de zeegedrochten kropen aan land, leefden een tijd lang als amphibie in beiden (denk aan de kikkers) om uiteindelijk tot landdieren te worden. De moderne wetenschap geeft de oude denkers voor een groot deel gelijk. De ouden wisten dat het water vol leven is, ook al hadden ze geen microscopen om het leven-in-het-klein waar te nemen. Wie kans ziet om een druppel regenwater, b.v. uit een ton, onder een microscoop te leggen, krijgt een heel aparte wereld te zien vol van beweging en onbekende vormen.

Tweezijdig

Water is heel lief. Als het stilstaat en helder is, weerspiegelt het getrouw je gezicht als je er in kijkt. En als je het drinken wil, zal het zich niet verzetten. Maar water kan ook kwaadaardig worden. Je kunt erin verdrinken. De ouderen herinneren zich nog wel de Februariramp van 1953. Of de grote overstromingen in India en Mexico van het laatste jaar. Een kind, dat na enkele dagen vast te hebben gezeten in het water uiteindelijk toch door het water omkomt. Water kan redden; water kan vernietigen. Dat thema is al heel oud. De Zondvloed spreekt er al van: sommigen worden op het water ge red, in de Ark, anderen komen in het water om. Water heeft alles te maken met leven en dood. Het water ingaan, zoals het ongeboren kind verblijft in de moederschoot, en er uit gered worden, dat is de doop.

Vandaar dat dopen vanouds dan ook onderdompelen in water betekende. Helemaal eronder. Er werden drie vragen gesteld: Gelooft gij in God de Vader? Was het antwoord: Ja, ik geloof; dan vond de eerste onderdompeling plaats. Als ook de vraag naar het Geloot in de Zoon positief beantwoord werd, kwam de tweede onderdompeling, en na de belijdenis van de Geest de derde. Zo ging dat in het bad der wedergeboorte oudtijds.

Wij nebben dat wel heel erg teruggebracht, met die paar druppels water over het hoofd. Vandaar dat velen nog wel de symboliek van de afwassing bij de doop herkennen, maar de thematiek van de wedergeboorte is gewoon uit het gezichtsveld verdwenen.

Mens en water

Ook net leven van de mens heeft alles met water te maken. De negen maanden vóór de geboorte zijn een permanent bestaan van de vrucht in het water. Elke beweging wordt gedragen en geremd door net vruchtwater. En maandenlang houd de ongeboren vrucht mond en neus hermetisch gesloten, want het water mag niet ingeslikt worden. En wie het vruchtwater op zijn samenstelling gaat onderzoeken, zal ontdekken dat het het meeste lijkt op… zeewater. Toch een aanduiding in de richting van zeer primitief bestaan? En de evolutieleer komt niet verder dan de apen!

En als dan die vrucht ontworsteld is aan de moederschoot, is het eerste waarmee de nieuwe mens te maken krijgt het water, om te worden schoongewassen.

Wedergeboorte

Is het wonder dat de kerk voor de doop water gebruikt? Ja, de doop heeft iets te maken met schoonwassen. Maar de symboliek gaat dieper: het is een wedergeboorte, een uit het geestelijk vruchtwater omhoog komen om een nieuw leven te beginnen als christen.

Nieuwe ritus

Toen na het Tweede Vaticaans Concilie de Ritus van de toediening van de sacramenten werd herzien, heeft men de symboliek van het water weer duidelijk willen laten spreken. In de doopritus van de Oosterse Kerken is dat trouwens nooit weggeweest. Daar doopt men nog steeds op de oude manier: in het water.

In de vernieuwde ritus van de doop (Nationale Raad voor Liturgie, 1976) staat over het water (op blz. 19, no. 18–22):

  • “Het doopwater moet gewoon water zijn en schoon, dit vanwege de tekenwaarde (symboolwaarde) en de hygiëne.”
  • “In bepaalde streken zijn soms voorzieningen nodig om het doopwater te verwarmen.”
  • “Heeft men de beschikking over stromend water in de doopkapel, dan wordt hierover de zegening uitgesproken.”
  • “Men kan dopen door onderdompeling of door begieting; de eerste manier van dopen is meer geschikt om de deelname aan Christus’ dood en verrijzenis aan te duiden.”

Veel bedienaren van het doopsel hebben kennelijk over deze teksten heen gelezen. Waar wordt gedoopt in een behoorlijk bassin, waarbij net kind in verwarmd water wordt geplaatst, na van zijn gewone kleertjes te zijn ontdaan, om dan na het doopsel en na de zalving in zijn doopkleertjes te worden gestoken? Ik ken maar 3 van die plaatsen in Nederland. Waarschijnlijk denken velen, dat zoiets eigenlijk om allerlei theoretische en praktische redenen niet kan. Aangezien ondergetekende misschien wel vijftig doopsels op deze wijze heeft toegediend, kan hij dat gemakkelijk weerspreken. Maar dat valt buiten het bestek van dit artikel. Wie van de doop niet een routinezaak wil maken, maar meer een happening, vooral als er veel kinderen bij zijn, moet nog maar eens goed erover nadenken en misschien eens een proef nemen.

Water, voor sommigen is het de vloeistof die door ondergrondse leidingen op druk naar de woonhuizen wordt gevoerd: als je de kraan opendraait komt het er uit. Maar water is zo ontzaglijk veel meer. Water is onontbeerlijk. Zonder water geen leven, voor net lichaam niet, en ook niet voor de geest.

Water, dat van God gemaakt zijt,
op den eersten van de dagen;
water, dat van God gedeeld waart
op den dag van land en wateren;
machtig element der wateren,
hulpe en troost van al dat mensch is,
g’hebt het land gevoed, gij laaft het
zoo de moeder met heur kind doet;
g’hebt den vissche in u geborgen,
g’hebt de zwane op u gedragen,
’t glanzend vaartuig, de edele zwane,
zwemmend koningin der wateren;
g’hebt gevloeid uit priesterhanden,
op het voorhoofd van de volkeren,
krachtig element des doopsels;
g’hebt getinkeld in de schale,
’t gouden drinkvat der mysteriën…

Guido Gezelle

Gedachten rond Zingt voor de Heer een nieuw gezang

In Jubilate hopen wij voortaan ook uw aandacht te kunnen winnen voor ’n tekst en ’n melodie uit Gezangen voor Liturgie. Een nieuwe rubriek dus en waarom dan niet begonnen met ‘een nieuw gezang’ van de onvergetelijke cantor Frits Mehrtens op tekst van Ds. Willem Barnard, alias Guillaume v.d. Graft.

Jubilate 19, 2 (mei 1986)

Theo Klaus

Een ‘nieuw gezang’, maar dan niet in de betekenis van pas gemaakt, pas verschenen en weer spoedig versleten. Niet in de betekenis van zeer vluchtig, van korte duur, van het nieuw(tje) is er zo weer af, maar… in de betekenis van het gans andere, het duurzame, het wondervolle, steeds weer opnieuw verrassend. Of om met de tekst van het lied te spreken: ‘Hij gunt ons rust noch duur’. ‘Hij geeft ons leven zin en samenhang’. ‘Het is vol wonderen om ons heen’. Een lied van de nieuwe aarde. Een lied van de nieuwe mens, de mens-op-weg en God in ons midden.

Een lied met zoveel zijstraten, dat er steeds weer iets nieuws te ontdekken valt. Een lied voor een homilie. Een lied om samen te zingen.

Wanneer kunnen we dit lied gebruiken? Zowel in jaar A als in jaar B en C is het speciaal op z’n plaats op de vijfde zondag van Pasen. Bovendien als besluit van de Paaswake.

Maar openingszang en slotzang hangen niet noodzakelijk samen met het hoofdthema van de woorddienst. In de regel zijn ze van algemene aard en hebben betrekking op het liturgisch moment van de dienst, op het Verlossingsmysterie in het algemeen of op het Paasmysterie in het bijzonder.

Vandaar dat dit lied zich goed leent als afsluiting van een viering in de Veertigdagentijd en bij de zondagen door het jaar. Kortom een lied met veel gebruiksmogelijkheden.

Het ritme van deze melodie is verrassend. Terwijl de tweede en de vierde regel ritmisch gelijk zijn, hebben regel een en drie een heel eigen karakter. Laat iedere zin rustig doorstromen met de boog van de melodie als leiddraad. Laat de tekst bepalend zijn voor een matig, niet slepend tempo, zodat de inhoud van de tekst tot zijn recht kan komen. In de derde regel de eerste vijf noten (in tegenstelling tot regel een) laten doorlopen zonder een gejaagde indruk te maken. En zorg er voor dat op het eind van iedere regel geen grote gaten vallen. Als de dirigent of de cantor zich de melodie volkomen eigen hebben gemaakt, als het koor de melodie vanaf de eerste kennismaking goed heeft aangeleerd, dus zonder ritmische vergissingen, als de organist een verantwoorde begeleiding gebruikt, hoeven we niets meer te vrezen. Dan kan deze melodie met zijn rijke tekst ook uitstekend door de gehele gemeenschap worden gezongen. Een goed lied is een lied voor iedereen. Tot besluit Frits Mehrtens zelf over zijn lied.

“Wanneer is een lied moeilijk? Ik leerde de kinderen eens dit lied. Precies na een jaar vroeg ik hen: kennen jullie dit liedje nog en neuriede een regel voor. Heftig ja-geknik en daar kwamen alle vijf coupletten uit het hoofd.”

zingt_voor_de_heer

Geef ons vandaag een teken van liefde

Verschenen in Jubilate 19, 1 (januari 1986)

Gerard Broekhuijsen

Met de woorden van psalm 103 zingen wij vaak ons verlangen uit om een teken van God te mogen ontvangen: “Hoe is uw naam, waar zijt
Gij te vinden, eeuwige God, wij willen U zien".

Wij vragen om symbolen van zijn aanwezigheid, om dingen die ons laten ervaren dat Hij er is. Het kunnen ook handelingen zijn, waarin iets van Gods liefde tot ons komt. Dan spreken we van ‘riten’. Over deze twee woorden, symbolen en riten, gaat dit artikeltje.

Symbool

Er is een verhaal van een man in het oude Griekenland, die de gewoonte had om na een maaltijd een schotel door midden te breken. Dat deed hij als hij met iemand heel plezierig getafeld had. Bij het afscheid gaf hij de helft van de schotel mee aan zijn gast. Als deze jaren later terug kwam, kon hij laten zien dat de breuklijn van zijn scherf aansloot bij die van zijn gastheer. Dan zou hij opnieuw welkom zijn.

Die scherf is een symbool in letterlijke zin. Hij kan aaneengevoegd worden met de andere helft. Meestal gebruiken we het woord minder letterlijk en dan wordt er een ding mee bedoeld, dat een onzichtbare werkelijkheid toch tastbaar maakt.

De voorbeelden liggen voor het oprapen. Liefde tussen mensen is een onzichtbare werkelijkheid. Ook al zie je dat een man bloemen meebrengt voor zijn vrouw. Dat mensen heel verllefd naar elkaar zitten kijken. Dat een jongen en een meisje elkaar kussen. Het zijn allemaal tekenen van liefde, maar het is niet de liefde zelf die je ziet. De zichtbare dingen helpen ons om ons bewust te blijven van de werkelijkheid, waarnaar het symbool verwijst.

Zijn wij symboolarm?

Men zegt dat de mensen van vandaag niet meer gevoelig zijn voor symbolen. We zouden geen oog meer hebben voor de tekenwaarde van de dingen. Vooral de nuttigheid en de bruikbaarheid van de dingen interesseert ons.

Het ligt er maar aan waar je hart vol van is. Wanneer je bijvoorbeeld alles afmeet aan het geld dat ervoor betaald moet worden, dan groeit dat uit tot een symbool. Dan maak je geen mooie of interessante reis, maar een dure reis. Dan had je geen avontuurlijke en geïmproviseerde vakantie, maar je was lekker goedkoop uit. Zelfs bij een schilderij wordt niet meer op de artistieke waarde gelet maar op de veilingprijs en beleggingswaarde.

Anderen zien kans om vrijwei alles in verband te brengen met sexualiteit. Machine-onderdelen krijgen dubbelzinnige namen. Bij de scheepvaart is het al heel oud. Een palletje van een sluiting heet een ‘mannetje’ en ‘patertje‘ en ‘nonnetje’ zijn onderdelen van een antiek log.

Symbolen in de liturgie

Een aantal symbolen ervaren wij nu als typisch voor de eredienst. Maar ze gaan allemaal terug op het gewone, dagelijkse leven. Het waterbad van het doopsel en de zalving die erop volgt hebben hun wortels in de badcultuur. De olijfolie was bekend om zijn genezende kracht, zowel bij inwendig als bij uitwendig gebruik. Er waren zoveel toepassingen dat je van wonderolie kunt spreken. Geen wonder dat deze olie het symbool werd van de ziekenzalving. Brood en wijn, als de gewone middelen van bestaan, waren voor de joden geen profane zaken. Men was zich bij elke maaltijd bewust van het Godsgeschenk van leven, land en gezondheid. Daarom nam de huisvader brood en wijn in zijn handen en dankte God. Dit gegeven heeft Jezus aangegrepen om symbool te zijn van zijn overgave aan de Vader. In deze tekenen is Hij blijvend onder ons aanwezig. Wie zegt dat dit máár een symbool is met een ondertoon van ‘niet echt’ heeft te weinig door wat de geweldige betekenis van symbolen is.

Samen over de drempel

Kleine kinderen worden met een ritueel naar bed gebracht. De handelingen volgen elkaar op in een vast patroon. Het nuchtere wassen en tandenpoetsen verloopt volgens ongeschreven regels. Napraten over de dag, voorlezen, onderstoppen en en kruisje op het voorhoofd. Alle handelingen gebeuren met een zekere rust. Ze hebben de uitstraling van: je hoeft niet bang te zijn voor de nacht, wij zijn bij je en we houden van je. Het ritueel brengt dat woordeloos over.

Er is iemand gestorven. Je krijgt er bericht van en je weet dat dit niet zomaar een mededeling is. Er worden tekenen van meeleven verwacht. Je hoort er te zijn, bij de avondwake op de vooravond van de uitvaart, bij de begrafenis of crematie. De handdruk bij het condoleren is anders dan bij een begroeting. Het dragen van de dode is niet zomaar een vorm van verplaatsen. Het is een teken van respekt. Mensen staan elkaar bij op deze moeilijke momenten.

Er zijn nog meer van die drempels die je niet op je eentje neemt: volwassen worden, trouwen, het krijgen van je eerste kind, het betrekken van een nieuw huis, een nieuwe baan.

Een zakenman kwam uit een vergadering en zei: “Het was een rituele dans”. Hij bedoelde dat de vergadering alleen maar voor de vorm was en geen vruchten heeft afgeworpen. Rituelen lijken ondoelmatig, maar ze zijn dat niet. Het welzijn van mensen en van de samenleving kan er van afhangen. Zeker het welzijn van de geloofsgemeenschap, die onnoembare dingen wil beleven in riten en symbolen.

Nogmaals: de Prefatie ‘Verheft uw hart’

Verschenen in Jubilate 19, 1 (januari 1986)

Fr. N. Wesselingh O.S.B.

Vorige keer hebben we aangetoond, dat de Prefatie en het Heilig eigenlijk altijd gezongen moeten worden. Nu gaan we bezien, welke problemen we daarbij tegenkomen en hoe we die bevredigend kunnen op|ossen.

Latijn of Nederlands?

Een vraag die zich als eerste aandient is: moet de Prefatie in het Latijn of in het Nederlands gezongen worden? Er zijn priesters die voor altijd en voor alle omstandigheden eenmaal een keuze hebben gemaakt: De Prefatie wordt bij een plechtige viering altijd in het Latijn gezongen of altijd in het Nederlands. Als argumentering hoor je dan meestal redeneringen als: In het Nederlands bestaat geen goede melodie voor de Prefaties, dus zing ik ze in het Latijn. Een ander zegt: In een viering die voor het grootste deel in de landstaal geschiedt, past geen Latijnse Prefatie. Weer een ander draait het gewoon om en zegt: In een viering die voor een groot deel in het Latijn geschiedt, past geen Nederlandse Prefatie. Er zijn er ook (en vermoedelijk vrij veel) die de weg van de minste weerstand nemen, en eenvoudig nooit meer een Prefatie zingen. Dat daarmee de uitnodiging: ‘met alle engelen en heiligen loven en aanbidden wij U en zingen U toe vol vreugde’ toch wel wat prozaïsch in de lucht komt te hangen, deert hen blijkbaar niet of dringt niet tot hen door.

Niet principieel

Moet de vraag omtrent Latijnse of Nederlandse Prefatie ’n principieel antwoord krijgen? Volgens mij niet. Het gebruik van Latijn of landstaal is sinds Vaticanum II geen principiële zaak meer. Beide kunnen en mogen worden gebruikt. Behalve in verband met een aantal eenvoudige gezangen, waarvan het Concilie vraagt dat het volk ze niet zal verleren, wordt nergens van voorkeur gesproken. Zeker niet voor wat de Prefaties betreft. Daarom: Het maakt niet uit In welke in welke taal Prefatie en Heilig worden gezongen, want de koren van engelen zingen samen met de heiligen in een bonte schakering van alle talen. En elke taal is goed genoeg om God te prijzen.

Bis

Misschien is er één reden te noemen, waarom de Latijnse Prefatie de voorkeur verdient. En dat betreft de schoonheid en de zeggingskracht van de traditionele melodie. Deze melodie is misschien wat versleten geraakt door het veelvuldig gebruik van vroeger. En dat is dan jammer, want ze verdient beter.

Hoe prachtig die melodie is, wordt duidelijk uit het volgende verhaal. Mozart heeft niet zo erg veel affiniteit gehad met liturgie. Natuurlijk wist hij ais bijzonder begaafd componist hoe je voor de Iiturgie moet schrijven. Zijn veie Missen (opdrachten!) getuigen daarvan. Toen hij eens bij de ‘première’ van zo’n Mis het orgel bespeelde, raakte hij geboeid door het horen zingen van de Prefatie. Toen de dienstdoende priester het ‘…sine fine dicentes’ had gezongen, vergat hij niet alleen het Sanctus in te zetten, maar begon enthousiast te applaudiseren en te roepen: Bis, bis, bis! Het is me niet bekend of die priester toen de Prefatie opnieuw gezongen heeft, maar het lijkt me onwaarschijnlijk!

Waar vind ik ze?

Voor wat de Latijnse Prefaties betreft, zal de een of ander nog wel eens teruggrijpen naar een Altaarmissaal van vóór Vaticanum II. Daarin vindt men alle toenmalige Prefaties getoonzet. inderdaad: toenmalig. Want het totaal aantal Prefaties in het Missaal van na Vaticanum II is ongeveer vier maal zo groot ais voordien. Staan al die nieuwe Prefaties in het huidige Altaarmissaal? Jazeker, maar niet getoonzet. Eén staat er met noten (zie voorbeeld) en daarboven staat een z.g. rubriek, die vermeldt, dat de priester de andere Prefaties op dezelfde wijze zelf kan zingen vanaf de ‘droge’ tekst. Dat klinkt natuurlijk heel aardig, maar de meeste priesters hebben al moeite genoeg om de gedrukte noten te zingen, laat staan dat ze a l’improviste een Prefatie gaaf kunnen zingen, de kortere en langere zinnen juist gedoseerd en gelardeerd met de gebruikelijke flexen, medianten en cadensen.

Wie toch alle Prefaties in het Latijn wil kunnen zingen, kan een apart boek kopen, waar alle 80 Prefaties in staan, in de Tonus simplex en in de Tonus solemnis. In dat boek staan trouwens alle melodieën, die bij een Latijnse viering door de priester kunnen worden gezongen, van kruisteken tot wegzending toe. De titel is: Ordo Cantus Missae. De prijs is jarenlang vrij bescheiden geweest. Er is nu een nieuwe, herziene druk uit. Weliswaar mooier dan de oude. Maar de prijs is ernaar: ƒ 88,-. Het is verkrijgbaar bij de Benedictijnen van Vaals (Abdij Benedictusberg, Mamelis 39, 6295 NA Lemiers).

Sinds het verschijnen van dit artikel is er een nieuwe uitgave beschikbaar gekomen: Ordo Missae in Cantu, onder meer verkrijgbaar bij Berne Media

Omdat ik denk dat velen er niet zoveel duitjes voor over zullen hebben, blijft de mogelijkheid van het oude Latijnse Missaal reëel. Wel jammer voor die veie Prefaties die dan nooit aan bod zullen komen.

En de Nederlandse?

Eigenlijk is het met de Nederlandse Prefaties op muziek niet zo bijzonder gesteld. Kort na het invoeren van de Landstaal verschenen er toonzettingen van de Prefaties in het Nederlands. Er was er een, die een omwerking was van de Latijnse Prefatie-melodie. Nu is die melodie daarvoor helaas niet geschikt, en bovendien is het in die uitgave ook niet goed toegepast. A. Kurris heeft daarover ooit in het Gregoriusbiad een artikel geschreven. Ons aller bekende Flor van der Putt heeft een eigen Prefatietoon gemaakt en daarop wat Prefaties getoonzet. De toon is een zeer bruikbare en de toepassing is goed. Maar… dat alles dateert van de tijd van vóór het nieuwe Missaal. Dus ook hier vallen de nieuwe Prefaties weg. Bovendien zijn ze naar ik meen al vele jaren niet meer verkrijgbaar. Wie ze niet heeft kan er niet meer aankomen. Toen in 1978 het nieuwe Altaarmissaal verscheen, heeft de redactie gekozen voor de toonzetting van Fl. v.d. Putt. En terecht. Maar van de 80 Prefaties zijn er ook in dat Missaal maar een tiental opgenomen met melodie. Wel begrijpelijk: het boek is eigenlijk toch al te dik, en met al die toonzettingen zou het nog een stuk dikker zijn geworden. Ze staan bovendien nogal ruim in hun jas op de pagina (zie voorbeeld).

In de kast.

Je zou je kunnen afvragen, of die andere prefaties dan niet getoonzet zijn door diezelfde componist? Het antwoord moet luiden: Ja, die zijn allemaal door v.d. Putt getoonzet. Maar ze liggen op het secretariaat van de Nationale Raad voor Liturgie in de kast. Of in een la, maar dat maakt geen verschil. Waarom wordt daar niets mee gedaan? Dat is gemakkelijk uit te leggen. De N.R.L. zou ze graag uitgeven; vindt ook dat dat zou moeten gebeuren, want de priesters moeten ze op z’n minst kunnen gaan zingen. Maar wie op de hoogte is van druktechnieken weet, dat muziekdruk een erg dure druk is. En als dat boek met die Prefaties dan zo’n honderd gulden moet gaan kosten, dan raak je het niet kwijt. Dat zou een grote financiële strop worden voor de N.R.L. En daarom beginnen ze er niet aan. En daarom modderen we maar 20 wat verder met onze Nederlandse Prefaties. Misschien dat er nog wel ooit een oplossing voor dit probleem komt. Het is te hopen, want de huidige situatie is bepaald zeer onbevredigend. Pleiten voor het zingen van de Prefatie in de landstaal als die eigenlijk maar voor een achtste deei verkrijgbaar is, is goed beschouwd van de gekke.

Twee melodieën.

Er zijn in Gods Kerk altijd uitslovers geweest. Tussen het uitkomen van het nieuwe Latijnse en het nieuwe Nederlandse Missaal zijn zeven jaren verlopen. in die tijd hebben sommigen een Nederlandse vertaling van die Prefaties gemaakt, en ondergetekende heeft ze getoonzet. Op een eigen toon. Toen de officiële vertaling verscheen, zijn we opnieuw begonnen, want je gaat niet als plaatselijke kerk je eigen vertaling aanhouden. Toen hebben we ook op de toon van v.d. Putt de resterende Prefaties getoonzet, niet wetende dat hij dat zelf al had gedaan. Zodoende heb ik wel een tweehonderd Prefaties getoonzet, en ik dank God nog dagelijks, dat ik er geen Prefatiecomplex van heb overgehouden! Zelf reserveren wij de toonzetting van v.d. Putt voor de zon- en feestdagen, en de eigen toon voor de weekdagen. Dat functioneert goed, maar je moet er niet aan denken om beide tonen te gaan uitgeven. Het boek waarin dat zou komen zou zeker honderd gulden gaan kosten. De eigen toon wat minder professioneel (losbladig systeem?) uitgeven zou natuurlijk kunnen, maar je kunt toch moeilijk het beleid van de N.R.L. doorkruisen. Wie een goede oplossing weet, late het horen. Misschien dat er wel een prijs wordt uitgeloot voor een goede suggestie!

Hele weg.

Van het vroegere ‘moeten’ zingen van de Prefatie zijn we al een heel eind weg. Sommigen zullen het p|eiten-voor-de-gezongen-Prefatie als een terugkeer naar het oude interpreteren. Dat is echter niet mijn bedoeling. In het bovenstaande en ook in de vorige aflevering heb ik geprobeerd aan te tonen, dat een niet gezongen Prefatie een onding is en waarom. Dat zijn allemaal objectieve zaken. Het zal wel lang duren voor we weer een gezonde traditie in dezen hebben. Daaraan moet wat worden gewerkt, zowel op landelijk als op lokaal vlak. Want ‘schrijven over’ haait niets uit als men in de praktijk niets verandert. Al was het maar, dat op hoogtijdagen (straks is het weer Pasen) de verkondigende waarde van deze teksten een onderstreping zouden krijgen door een goede melodie, die ook nog goed gezongen wordt. Met een beetje goede wil is daarin toch wel iets te bereiken?

Nogmaals_prefatie_ 2

Nogmaals_prefatie_1

Omdat het aantal Prefaties sterk vermeerderd is, wordt het moeilijk om voor elk apart tekst en melodie te geven. Daarom wordt hier als voorbeeld slechts één Prefatie afgedrukt, in de eenvoudige en in de plechtige toon. Op dezelfde wijze kan men de melodieén voor de andere samenstellen.

Alle antwoordpsalmen voor zon- en feestdagen

antwoordpsalm bullens

De uitgave Antwoordpsalmen voor de zondagsliturgie is compleet. Componist Frans Bullens zette aanvankelijk 64 antwoordpsalmen op muziek en vulde deze aan met drie supplementen, die nu samen het tweede deel van de complete uitgave vormen.

Samen bevatten de twee delen alle antwoordpsalmen voor de liturgie op zon- en feestdagen. Dat wil zeggen: alle psalmen en kantieken uit het lectionarium zijn er in partituur met orgelbegeleiding in opgenomen. Zo is dus voor elke zon- en feestdag een gezongen antwoordpsalm beschikbaar.

Daarnaast bevat de uitgave een handleiding voor het gebruik van de psalm in de zondagsdienst en een overzicht van alle zon- en feestdagen met de bijbehorende psalm.

De psalmen zijn voor eenstemmig koor met orgel en samenzang, maar kunnen ook vierstemmig en in een aantal gevallen ook driestemmig gezongen worden.

Van ditzelfde werk is er ook een koor/cantoruitgave verschenen met alleen de koorzettingen en de zang voor de cantor (of koor). Van deze koor/cantoruitgave mogen ook kopieën voor eigen gebruik gemaakt worden voor het koor.

Zowel de partituur als de koor/cantoruitgave zijn losbladig met 23-ringsperforatie. De complete uitgave past in twee ringbanden (worden niet meegeleverd).

De prijs per deel is € 26,-, de kooruitgave kost € 17,50 per deel. De prijzen kunnen enigszins variëren omdat de uitgave in een zeer kleine oplage wordt gedrukt en prijs afhankelijk is van papier dat voorhanden is.

De Antwoordpsalmen voor de zondagsliturgie zijn te bestellen via f.bullens@hetnet.nl. Bij levering is de rekening bijgesloten.

Donek

Donek staat voor Documentatie Nederlands- en Latijnstalige Kerkmuziek en is ontwikkeld door de NSGV. Het is een programma op internet waarmee alle Nederlandstalige eenstemmige en meerstemmige liturgische muziek kan worden opgezocht. Vanaf 2016 kan er naast Latijn ook anderstalige muziek worden opgezocht met een link om deze meteen gratis te downloaden!

In Donek vind je alle gezangen voor elk type liturgieviering op zon- en feestdagen; weekdagen; aansluitend bij leesroosters, Bijbelteksten of diverse thema’s. Ook is er alle denkbare informatie te vinden over ruim 25.000 titels, waaronder uitgevers, begeleidingen, meerstemmige bewerkingen, componisten enz. geschikt voor elk type koor en iedere denkbare bezetting. In Donek vind je bij veel titels ook het geluidsvoorbeeld.

Donek is bedoeld voor zowel de rooms-katholieke als de protestantse liturgie.

Donek kost € 25,00 per jaar

Een abonnement afsluiten kan individueel maar ook per parochie of gemeente. Stuur een bericht naar ondersteuning@donek.nl onder vermelding van naam en adresgegevens en de mededeling: ‘abonnement Donek’.
Eerst Donek gratis proberen?
Stuur een bericht naar ondersteuning@donek.nl onder vermelding van naam en adresgegevens en de mededeling: “drie maanden gratis Donek”. Je ontvangt een toegangscode die drie maanden functioneert.
Meer info op www.donek.nl of www.nsgv.nl

Het nieuwe Liedboek, een schat aan gezangen

Adriaan van Roode

In mei 2013 verscheen het ‘Liedboek’ als opvolger van het ‘Liedboek voor de kerken’ uit 1973. De eerste druk van deze uitgave van de Interkerkelijke Stichting voor het Kerklied – in toch een forse oplage – was binnen korte tijd uitverkocht, wat getuigt van de grote behoefte binnen de reformatorische kerken aan deze nieuwe bundel.

In 2007 gaven de vier kerkgenootschappen die toen participeerden in de Interkerkelijke Stichting voor het Kerklied opdracht tot het samenstellen van deze nieuwe liedbundel. Later hebben zich nog vier kerkgenootschappen hierbij aangesloten, waaronder twee uit België, zodat je kunt spreken van een breed draagvlak voor dit nieuwe Liedboek.

Veranderingen

Zodra een liederenbundel is uitgegeven, raakt deze al snel verouderd, want er blijven liederen verschijnen die op een nieuwe wijze oude waarden verwoorden en verklanken, en liederen die aansluiten bij nieuwe stromingen in kerk en maatschappij.

Ontwikkelingen in onze samenleving leiden tot veranderingen, die doorklinken in de kerkgenootschappen, wat tot toenemende diversiteit voert. Dat uit zich weer speciale vieringen voor verschillende doelgroepen als kinderen, jongeren, ouderen en mensen met een voorkeur voor een bepaalde liturgische ambiance. Dit alles vraagt om een grotere variatie van liederen en teksten.

Liederen en teksten

Het nieuwe Liedboek komt hieraan tegemoet door naast de in reformatorische kringen vertrouwde berijmde psalmen en strofische liederen vele nieuwe liederen en liedvormen op te nemen:

  • andere psalmvormen, ook onberijmde;
  • nieuwe Nederlandse liederen;
  • nieuwe buitenlandse liederen, waaronder uit Taizé;
  • kinder-, jeugd- en tienerliederen;
  • liederen bij de verschillende delen van de (protestantse) orde van dienst;
  • andere zangvormen als canons en refreinen;
  • gebeden en meditatieve teksten.

De nieuwe liederen laten een grote diversiteit in herkomst zien: uit bundels van verschillende componisten en tekstdichters en uit verscheidene landen en vele kerkgenootschappen, waaronder de Oud-Katholieke en de Rooms-Katholieke Kerk.

De laatste zin in het ‘Compendium van achtergrondinformatie bij de 491 Gezangen uit het Liedboek voor de Kerken’ (1978) van A.G. Soeting van zijn overzicht van de geschiedenis van de kerkzang in de Lage Landen blijkt welhaast profetisch te zijn: “Laten de kerken van de Reformatie echter ook beseffen, dat er naast de strofische liederen plaats kan zijn voor de niet-strofische zang: de psalmodie en de muziek van het ordinarium!”

De liederen uit deze omvangrijke maar goed hanteerbare bundel zijn zeer toegankelijk. Dat komt allereerst door een overzichtelijke ordening. Achtereenvolgens vinden we Psalmen – Cantica – Getijden van de dag (morgen, middag maaltijd, avond) – De eerste dag (liederen voor de dienst op zondag) – Getijden van het jaar (het kerkelijk jaar, de jaargetijden, bijzondere feesten) – Leven – Samen leven (Kerk, Schepping, Gerechtigheid, Vrede). Deze verdeling mét onderverdeling komt als voetregel terug op iedere pagina. Voorts staan achterin het Liedboek een register op beginregels en titels, een register op bijbelplaatsen en een register op liturgisch gebruik. Een musicologisch register ontbreekt.

Vanzelfsprekend is het nodige commentaar gekomen op de uiteindelijke keuzen die de redactie van het Liedboek maakte uit de voorstellen die de verschillende werkgroepen hadden gedaan op grond van vooraf afgesproken criteria. Sommigen vinden de gemaakte keuzen te progressief, anderen echter weer te behoudend…

Persoonlijk hecht ik grote waarde aan het gemeenschappelijk kerkmuzikaal erfgoed van alle christelijke kerken. Daarom viel het mij op dat ik van dertien oud-christelijke hymnen uit het ‘Liedboek voor de Kerken’ er slechts vier terugvond in het Liedboek. Zelfs de drie Ambrosiaanse hymnen uit het ‘Liedboek voor de Kerken’ komen niet meer voor in het Liedboek. Hymnen spelen toch een belangrijke rol bij het gezamenlijk zingen van de vespers, die vanwege hun sterk bijbelse grondslag bij uitstek geschikt zijn voor oecumenische vieringen.

Zo zal iedereen op grond van zijn of haar voorkeuren wel iets aan te merken hebben op het Liedboek. Dat neemt niet weg dat de redactie van het Liedboek erin geslaagd is een bundel samen te stellen die zeer goed hanteerbaar is en uitstekend bruikbaar in deze tijd, die vanwege de grote diversiteit binnen maatschappij en geloofsgemeenschappen vraagt om verscheidenheid van wegen om het Woord van God te verkondigen en te bezingen.

Gebruik van het Liedboek in rooms-katholieke vieringen

Met dit Liedboek krijgen mensen die rooms-katholieke vieringen voorbereiden een schat van meer dan duizend liederen, kantieken, psalmen, refreinen en canons in de schoot geworpen waarvan men dankbaar gebruik zou kunnen maken. Maar kan dat wel, een protestantse bundel gebruiken voor rooms-katholieke vieringen? Zeker, en wel om verschillende redenen:

Katholieke dichters en componisten hebben van harte meegewerkt aan dit Liedboek; dat was trouwens ook al het geval bij zijn voorganger uit 1973. In bundels als ‘Gezangen voor Liturgie’ staan ook psalmen en gezangen, afkomstig uit het ‘Liedboek voor de Kerken’. Het repertoire aan gemeenschappelijk liederen is gelukkig groeiende. Het nieuwe Liedboek kan deze ontwikkeling in positieve zin beïnvloeden.

Reformatorische kerken en de Katholieke Kerk hebben op het gebied van het kerklied veel gemeen: de psalmen, de kantieken, hymnen en in het algemeen de bijbelse oriëntatie van het kerklied. Hierbij dient opgemerkt te worden dat de bijbelse gerichtheid van het kerklied in reformatorische kringen veel sterker was dan in katholieke, waar vooral vroeger het devotielied een belangrijke rol speelde.

Een gemeenschappelijk repertoire bevordert de oecumene. Men komt gemakkelijker tot elkaar door het gemeenschappelijke lied dan langs de weg van leerstellige discussies. Dr. Willem Mudde schreef in eerdergenoemd Compendium al: “Wat de ‘leer’ verdeeld heeft gehouden, is in het lied al samengebracht.” Klaas Holwerda, secretaris van de Interkerkelijke Stichting voor het Kerklied, schrijft in zijn ‘Ten geleide’ bij het Liedboek: “Het [Liedboek] overstijgt in zijn verscheidenheid tegenstellingen tussen uiteenlopende kerkliedculturen en bergt een onuitputtelijke bron van gebruiksmogelijkheden in zich.”

Gebruiksmogelijkheden

De bundel ‘Gezangen voor Liturgie’ betekende bij zijn introductie van de eerste druk in 1984 een fundamentele vernieuwing op het gebied van het Nederlandstalig kerklied in de katholieke eredienst: veel antwoordpsalmen, liturgische en bijbelse liederen, die de kwaliteit van eucharistievieringen verhoogden. Voor deze bundel geldt echter hetzelfde als voor het ‘Liedboek voor de Kerken’ uit 1973. Allerlei vernieuwingen in Kerk en maatschappij vragen om uitbreiding en vernieuwing van het repertoire.

Juist vanwege het grote aantal bijbelgerichte liederen biedt het Liedboek mogelijkheden om voor eucharistievieringen liederen te vinden die passen bij de lezingen van de dag. Buiten eucharistievieringen vinden in toenemende mate vieringen plaats die gericht zijn op specifieke groepen: kinderen, tieners, jong-volwassenen, ouderen of vieringen met een speciale vorm: Taizé-vieringen, jazzvieringen. Ook voor deze vieringen biedt het Liedboek een schat aan materiaal.

De uitstekende toegankelijkheid en het brede scala aan goede liederen en teksten voor verschillende groepen, op verschillende momenten van de dag en in verschillende periodes van het kerkelijk jaar maken deze bundel tot een aanwinst voor ieder die betrokken is bij de voorbereiding van vieringen van welke aard dan ook.

Als voorbeeld het eerste couplet van een lied voor een jongerenviering: ‘Stil is de straat’. De tekst is van Jan Jetse Bol; de melodie van Jan Raas.Stil is de straat1

”Verheft uw hart”

Verschenen in Jubilate 18,3 (september 1985)

Fr. Nico Wesselingh o.s.b.

We zijn zover. Het eucharistisch gebed kan beginnen. De offergaven zijn op het altaar geplaatst. Het koor zong het offertorium of de organist heeft een goedklinkend stuk gespeeld. Er is misschien wel wierook gebruikt, om aan te duiden dat wij ons gebed graag tot voor de troon van God zagen opstijgen: Laat mijn bidden tot U opstijgen als wierook (Psalm 141,2). Nu komt dan de kern van de viering: het Hooggebed. De priester staat aan het altaar en roept de gelovigen op tot lofzang en gebed. Zo’n oproep vraagt iets. Luister maar eens naar de oproep die klinkt vanaf de minaret van een moskee, wanneer het uur van gebed is aangebroken. Een indringend zingende stem, (eventueel versterkt door een aantal luidsprekers, want het klinkt in de open lucht), laat weten dat nu het grote moment is aangebroken.

Maar in onze liturgie, vaak ook in een plechtige viering, vervalt de priester op dat moment tot een meer of minder verstaanbaar gesproken: Verheft uw hart. Drie woorden, in één seconde gezegd. Het antwoord is er dan ook naar: acht eenlettergrepige woorden: Wij zijn met ons hart bij de Heer. Maak daar maar eens iets van. Tenzij: je zingt het. En dan kan het boeiend worden.

Misschien begrijpt u nu, vooral ook na de bijdrage van Cees Janssens te hebben gelezen, dat voortaan op zon- en feestdagen de prefatie moet worden gezongen. Als het bij u in de kerk geen gebruik is, mag u er best eens met hen die het aangaat bespreken (pastoor, dirigent). Ook pastores zijn niet altijd op de hoogte van alle van alle liturgische regels. En soms wachten zij wel eens op een signaal vanuit de gemeenschap.

Problemen

Laten we aannemen dat uw pastoor bereid is om daaraan gehoor te geven, eventueel dankzij uw invloed. Dan komen de problemen pas. Deze problemen zijn gewoonlijk terug te brengen tot de volgende zaken:

  1. De pastoor kan niet (goed) zingen. Het moet gezegd: de zelfkennis van pastores wat betreft hun vocale kwaliteiten is vaak groot. Velen weten dat ze hierin geen ster zijn en het nooit zullen worden. We moeten het zingen van een prefatie niet onderschatten. Zelfs veel leden van een zangkoor zullen zich niet capabel weten om een prefatie solistisch te zingen. Maar wat een pastoor niet kan, omdat hij er nooit (goed) les in heeft gehad, dat kon hij mogelijk nog leren. Ligt het niet op de weg van een dirigent, dat hij wat aan stemvorming doet bij zijn eigen koorleden en ook bij de pastoor? En als hij dat zelf niet kan (zangpedagogie is een vak!), zou hij dan niet een deskundige moeten vragen dat te doen? Of ligt net op de weg van de bisdommelijke Gregoriusvereniging om hierin het voortouw te nemen? Misschien op de jaarlijkse (7) studiedag voor pastores, samen met de Kommissie voor Liturgie? Deze zaak zou eens moeten worden aangepakt. Liefst door de pastores zelf. Het idee niet (goed) te kunnen zingen kan een telkens terugkerende kwelling zijn. En soms is het maar een idee, voortkomend uit onkunde en onzekerheid. Is die vroeger elke zondag terugkerende kwelling misschien de reden, dat vele pastores in geen jaren meer een prefatie hebben gezongen? Nu het niet meer hoeft… denken zij misschien. Maar dat is een vergissing. Want het hoeft eigenlijk wel. Sommigen durven een prefatie in de landstaal niet aan, want die melodie is anders, en dat krijgen ze zo maar niet ingestudeerd. Dirigenten, hier ligt uw taak!
  2. Waar haal je de melodieën van de prefaties vandaan? Inderdaad, dat is een probleem. Vroeger waren er een twintigtal, in het oude Missaal. In het vernieuwde Missaal zijn er zo’n tachtig. In het Nederlandse Altaarmissaal staan er daarvan slechts een tiental getoonzet. Wat moet je dan als voorganger? Je kunt ze toch niet zomaar improviseren? Het Latijnse Altaarmissaal geef slechts één prefatie in de eenvoudige toon en één in de plechtige toon, en zegt daarbij laconiek dat je de anderen op dezelfde manier kunt zingen. Heel de practische aanpak van het prefatie-zingen is voorzien van zoveel vragen, dat ik meen, dat niet voldoende in dit artikel te kunnen bespreken. Het zou gewoon veel te lang worden. Mijn bedoeling is dit in een volgend artikel te doen, met een aantal notenvoorbeelden en suggesties erbij. Nog even geduld dus.
  3. Hoofdprobleem blijft, denk ik, dat wij niet meer aanvoelen dat met prefatie en het verdere Hooggebed het hoogtepunt van de viering is aangebroken. Als we geen kans zien om dit hele onderdeel een lift-up te geven in onze waardering en in onze manier van uitvoeren, zal na de offerande onze viering in elkaar zakken. Dan halen we niet meer de hoogte die het heeft of kan hebben bij Intrede, Gloria, Lezingen met Tussenzangen enz. We komen er nog op terug.

Het Heilig

En dan het Sanctus of Heilig. In elk geval zingen. Ook als de pastoor de prefatie niet heeft gezongen of kunnen zingen. Het Heilig vráágt daarom. De deelnemenden aan de viering ook, hoop ik. Gelukkig gebeurt dat ook in veel kerken. Het valt me wel eens op, dat maar weinig verschillende melodieën worden gebruikt. En er zijn er zoveel! Je kunt er zo een vijftiental bij elkaar zetten. Bijna allemaal munten ze uit door wat wel genoemd wordt het acclamatorisch karakter. Ze roepen met een passende melodie naar elkaar en naar boven, naar de engelen en heiligen die ook meedoen. Gelukkig hebben onze componisten van na de vernieuwingen in de liturgie goed begrepen waar het om gaat bij dit gezang: kort en krachtig. in dit opzicht moeten we als koorzangers eerlijk toegeven dat het oude Sanctus van de meeste meerstemmige Missen eigenlijk niet met de tekst overeenstemt. Het is een uitgebreid muziekstuk geworden, met het Benedictus vaak als solostuk. Niet zo onbegrijpelijk, want Sanctus en Benedictus waren bestemd om de ruimte te vullen tussen prefatie en Pater noster. Het Sanctus voor de Conseoratie en het Benedictus erna. De priester bad in stilte de Canon in die tussentijd. Het koor moet zich wel realiseren wat er met het Sanctus aan de hand is, en gerust, ook in een plechtige viering, de ruimte laten aan het met de gelovigen samen zingen van dit hoogtepunt in de viering.

“En zingen U toe vol vreugde”

Verschenen in Jubilate 18,3 (september 1985)

Cees Janssens

Het eucharistisch gebed begint met de prefatie en de daarop aansluitende acclamatie: Heilig, heilig, heilig. Een uitspraak als deze klinkt uiterst vanzelfsprekend. Toch kun je steeds weer constateren dat het in de praktijk van de liturgie niet zo vanzelfsprekend is. Onwillekeurig doet men soms alsof het eucharistisch gebed pas begint ná het ‘Sanctus’. Sommigen menen heel zeker te weten dat het zo is. Een misvatting. Daarom herhalen we onze uitspraak: het eucharistisch gebed begint met de prefatie.

Dat betekent dat de prefatie een onderdeel is van een groter geheel. Een onderdeel met een heel eigen karakter – we komen daarvoor nog te spreken – maar niettemin een onderdeel. Dat houdt ook in dat we niet zinnig over dit onderdeel kunnen spreken, wanneer we niet allereerst aandacht schenken aan het eucharistisch gebed als geheel.

Het geheel en de delen

De Inleiding op het Missaal staat in nr. 55 uitvoerig stil bij de opbouw van het eucharistisch gebed. Kennelijk gaat het om een niet onbelangrijk gegeven. Enig inzicht in deze materie behoort tot de basisuitrusting van ieder die actief is op het gebied van de liturgie.

De tekst wijst niet minder dan acht elementen aan, die samen het ene eucharistische gebed vormen. Achtereenvolgens gaat het om (1) de dankzegging, die vooral in de prefatie tot uitdrukking komt; (2) de acclamatie ‘Heilig, heilig, heilig’; (3) de epiclese oftewel de aanroeping van de kracht Gods over de gaven; (4) het instellingsverhaal en de consecratie; (5) de anamnese oftewel de gedachtenis des Heren; (6) de aanbieding van de offergave; (7) opnieuw een epiclese, maar nu als een aanroeping van de Geest over de gehele kerk; en (8) de slotdoxologie: “Door Hem en met Hem en in Hem zal uw naam geprezen zijn…”.

Op het eerste gezicht een nogal gecompliceerd geheel. In feite valt dat mee, wanneer we proberen de grote lijn in het oog te krijgen. Daartoe doen we er goed aan te letten op de figuur van respectievelijk God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Op welke wijze zijn zij in dit gebed aanwezig? De Vader wordt geloofd en geprezen omwille van zijn zoon Jezus Christus, wiens gedachtenis wij vieren. Vervolgens wordt de Vader gevraagd ons zijn geest te zenden, omwille van deze zelfde Jezus Christus.

Nog beknopter uitgedrukt, niet in een chemische maar in een liturgische formule: het gaat om de lofprijzing van de Vader, de gedachtenis van de Zoon en de bede om de Heilige Geest.

Sacrificium laudis – een offer van lof

De wortels van net eucharistische gebed reiken tot diep in het Oude Testament. Eucharistie is dan ook de Nieuw Testamentische gestalte van wat in het Oude Testament ‘zèbah tôdá’ heette, ‘sacrificium laudis’ in het latijn, een ‘offer van lof’. De bijbelse vroomheid heeft altijd een bijzondere plaats ingeruimd voor wat genoemd wordt: de zegening van de Naam van God, de lofprijzing van de Eeuwige. Het is de houding van de gelovige mens die God Gód weet en dit besef in woorden tot uitdrukking brengt. Zoals wij dat heel goed kunnen beluisteren in het ‘Gloria’: “Wij loven U, wij prijzen en aanbidden U, wij verheerlijken U en zeggen U dank voor uw grote heerlijkheid”. Wat wij kennen als prefatie en ‘Sanctus’ heeft daar alles mee te maken. Wanneer wij – in het voetspoor van Israël – voor Gods aanschijn treden, dan is het eerste dat wij te doen hebben: God de eer geven die Hem toekomt. Met andere woorden: Hem loven en prijzen, Hem zegenen en bezingen, Hem danken en verheerlijken. Deze zelfde grondtoon valt te beluisteren in de toelichting welke de inleiding op het Missaal geeft bij de prefatie en het ‘Hei|ig’, de twee eerste elementen van het eucharistisch gebed.

Allereerst is er ‘de dankzegging’ (die vooral in de prefatie tot uitdrukking komt), waarin de priester, uit naam van heel het heilig volk, God de Vader verheerlijkt en Hem dank brengt voor het gehele heilswerk of voor een bepaald aspect hiervan, naargelang van de dag, het feest of de tijd” (nr. 55, a).

Vervolgens gaat het over “de acclamatie: heel de gemeenschap, in vereniging met de hemelse machten, zingt of zegt het ‘Heilig, heilig, heilig’. Deze acclamatie die deel uitmaakt van het eucharistisch gebed zelf, geschiedt door heel de gemeenschap samen met de priester” (nr. 55, b).

Je moet wel stokdoof en stekeblind tegelijk zijn om niet in de gaten te hebben dat dit onderdeel van het eucharistisch gebed als geen ander vraagt om een spreken-op-verhoogde-toon, vraagt om zang en muziek, om instemming van allen.

“De lofprijzing Gods: onze eerste roeping” zegt ds. Willem Barnard. Loven en geloven zijn niet slechts taalkundig aan elkaar verwant: het een kan niet zonder het ander. Liturgie – en dus ook de eucharistie – is bij wezen lofprijzing Gods.

Voor een zingende kerk

In de kerken van het Oosten kent men geen ‘stille missen’. Bij elke eucharistie – ‘de Heilige Liturgie’ genoemd – gaat het om een gezongen viering. Hoe bescheiden de mogelijkheden ook zijn, er wordt gezòngen. Het gaat immers om het allereerste wat de kerk te doen heeft: God loven.

Onze westerse – en met name Nederlandse – praktijken steken hier vaak povertjes bij af. Wie komt ze niet tegen: priesters die niet meer weten wat zingen is? Of die zich niet de moeite getroosten een prefatietoon aan te leren?

Wie kent ze niet: kerkgangers die gedoemd zijn te zwijgen, omdat het koor zonodig moet? Of die eenvoudig de kans niet krijgen omdat hun pastor de lofprijzing niet meer van deze tijd acht? Alsof er in de door velen zo vermaledijde liturgische boeken niet terecht van het ‘Heilig’ wordt gezegd: “Deze acclamatie die deel uitmaakt van het eucharistisch gebed zelf, geschiedt door heel de gemeenschap samen met de priester”.

Er is nog meer. Her en der blijft de goegemeente uitgebreid op haar achterste zitten tijdens de prefatie en het ‘Heilig’ (om van het resterende gedeelte van het eucharistisch gebed nog maar te zwijgen). “Daarom, met alle engelen, machten en krachten, met allen die staan voor uw troon, loven en aanbidden wij U en zingen U toe vol vreugde: Heilig, heilig, heilig…” Zolang wij uitgerekend op dit moment het staan en het zingen aan anderen overlaten, is levende liturgie een illusie.

‘Heillg, heillg, heilig…’

Wie weten wil, waar het bij dit alles om gaat, leze Jesaja 6,1 en volgende. “In het sterfjaar van koning Uzzia zag ik de Heer, gezeten op een hoge en verheven troon. De sleep van zijn mantel vulde heel de tempel. Serafs stonden boven Hem opgesteld, elk met zes vleugels (…). Zij riepen elkaar toe: ‘Heilig, heilig, heilig is Jahwe van de legerscharen; al wat de aarde vult is zijn heerlijkheld’. De deurpinnen in de dorpels schudden van het luid geroep…”. Over een acclamatie gesproken!

Iedere keer dat wij samenkomen voor de viering van de eucharistie begint het eucharistisch gebed in deze toonsoort. “Verheft uw hart”, “Brengen wij dank aan de Heer onze God”. Willem Barnard heeft overschot van gelijk, de lofprijzing Gods is onze eerste roeping.

Orgelmuziek als intermezzo in de liturgie

Verschenen in Jubilate 18,3 (mei 1985)

Flip Veldmans

Van oudsher is bij de overgang van woorddienst naar eucharistisch gebed orgelspel op zijn plaats, getuige het groot aantal stukken welke hiervoor speciaal gecomponeerd zijn. In de vernieuwde liturgie wordt eveneens als mogelijkheid orgelspel aangegeven naast de offerandezang.

In het lezenswaardige boekje ‘Liturgie vieren op zondag’ staat zelfs dat orgelspel hier veel beter op zijn plaats is dan de offerandezang, wanneer niet een echte processie gehouden wordt met de gaven. Maar hier wordt gesproken over ‘Wat zacht orgelspel’. Deze omschrijving doet niet voldoende recht aan de sfeer en het karakter hetwelk vanuit het orgel tot klinken gebracht kan worden; immers zacht orgelspel kan de suggestie wekken van enige onbestendige en onduidelijke geluiden uit de verte en doen mij teveel denken aan de tijd dat liturgie een gebeuren op zichzelf was waarbij de priester ‘de mis deed’ en de muziek voor ‘opluistering’ zorgde. Die tijd ligt gelukkig achter ons, de liturgische functies zijn niet meer ondergeschikt aan het liturgisch gebeuren, maar maken daadwerkelijk deel uit van die liturgie. Dat geldt niet in de laatste plaats voor het orgelspel.

Het is daarom van het grootste belang kennis te nemen van de orgelliteratuur en met zorg orgelstukken uit te kiezen. In dit verband zou je de vraag kunnen stellen of de organist voldoende moeite doet nieuwe én geschikte orgelmuziek aan te schaffen en te leren spelen. Maakt hij zich er soms niet te gemakkelijk af door ‘maar wat te improviseren’ zonder over echt improvisatorisch talent te beschikken?

Thans volgen een aantal niet te moeilijke orgelstukken uit verschillende stijlperiodes welke een indruk kunnen geven van wat er tijdens de bereiding van de gaven gespeeld zou kunnen worden.

Scan-141229-0001

Scan-141229-0002

Scan-141229-0003

Naast het spelen uit de orgelliteratuur kan instrumentale muziek bijv. een solistisch instrument zoals een blokfluit, dwarsfluit, hobo, viool, trompet, etc. met orgelcontinuo ook voor passende opluistering zorgen. Zorg voor een goede afstemming met het orgel. Om verloop in de stemming te voorkomen moet het solo-instrument bij het afstemmen goed op temperatuur zijn. Zorg eveneens voor een goede klankverhouding tussen het orgel en het solo-instrument. Voor langzame delen uit bijv. een sonate is orgelbegeleiding van een fluit 8’ voldoende, in snelle delen kan eventueel een fluit 4’ bijgetrokken worden.