Liturgische verkenningen: het vieren van de vespers

Bij de viering van een vesperdienst zijn de licht- en wierookritus, de psalmodie en de voorbede van oudsher de dragende elementen. Men zou er ook vandaag de dag mee kunnen volstaan. Muzikaal zijn er dan volop mogelijkheden er een dienst van te maken die klinkt als een klok. In de loop van de tijden zien wij echter dat men aan deze basisgegevens nieuwe elementen toevoegt. Elementen die mede het gezicht van de vesper zijn gaan bepalen. Daarbij gaat het – afgezien van de lezing uit de Schrift, dat is een hoofdstuk apart – met name om de lofzang van Maria, het Magnificat, en om het gebed des Heren, het Onze Vader.

Jubilate 24, 1 (januari 1991)

Cees Janssens

Lezing van de Schrift

Naast het zingen uit de Schrift door middel van de psalmodie, heeft ook het lezen uit de Schrift een vaste plaats in de avonddienst zoals die vanouds werd gevierd. In de ene kerk deed men het zus, in de andere zo, maar altijd vanuit de overtuiging dat de Schrift ook in een gebedsdienst niet mocht ontbreken. Opvallend daarbij is dat de Schriftlezing als regel een tamelijk bescheiden plaats inneemt, uitzonderingen daargelaten. Het accent ligt in de gebedsdienst die de vesperviering is, nu eenmaal anders. Voor de praktijk betekent dit dat men met één enkele, doorgaans vrij korte lezing zal volstaan. Daarna volgt een moment van stille overweging of een antwoordgezang. Of allebei. Iemand kan ook een korte overweging uitspreken in aansluiting bij de Schrifttekst die werd gelezen. Ook hier houde men maat. Het mag geen preekdienst worden. De vespers moeten hun karakter van de gebedsdienst bewaren. Het woord functioneert er primair in de gestalte van het ant-woord. De psalmist gaat ons daarin voor, wanneer hij belijdt: ‘Uw woord is een lamp voor mijn voeten, het is een licht op mijn pad’ (ps. 119 (118), 105).

De lofzang van Maria

“Het is een goede gewoonte om iedere dag in de vespers samen de lofzang van Maria te zingen”. Deze woorden zouden in onze dagen gesproken kunnen zijn. Bijvoorbeeld door een Benedictijn van Oosterhout of een Trappist van Zundert. In hun abdijen wordt tot op de dag van vandaag het magnificat dagelijks aangeheven in de avonddienst. De uitspraak stamt echter al uit het begin van de achtste eeuw. Zij is te vinden in een van de preken van Beda, bijgenaamd de Eerbiedwaardige. Een tijdgenoot en een medebroeder van Sint Willibrord. We komen zijn woorden ieder jaar tegen in de getijden van het feest van Maria Visitatie, het feest van het bezoek van Maria aan haar nicht Elisabeth.

Beda spreekt van ‘een gewoonte’. Dat klopt, Zeker wanneer we bedenken dat Benedictus, de vader van het monnikendom in het Westen, er al over spreekt in zijn beroemde regel. Dat wil zeggen in de eerste helft van de zesde eeuw. Ook bij hem heeft deze lofzang zijn vaste plaats in de avonddienst. Op grond van allerlei historische gegevens mogen wij er vanuit gaan dat Benedictus hiermee niets nieuws invoerde. Ook bij hem gaat het al om ‘een gewoonte’. Een goede gewoonte. Het Magnificat is zoiets als een verdwaalde psalm. In zo’n geval spreken we van een cantium, een kantiek, een lofzang. De tekst van deze lofzang is afkomstig uit het Nieuwe Testament, en wel uit het evangelie: Lk.I, 46–55. Dat verklaart waarom deze lofzang staande wordt gezongen, zoals wij ook de evangelielezing in de eucharistieviering staande beluisteren. Over een goede gewoonte gesproken! Deze zelfde herkomst maakt ook duidelijk waarom tijdens de zang van het Magnificat wierook wordt gebrand. Het is bij het evangelie in een plechtige eucharistie niet anders. Allemaal goede en zinvolle gewoonten waarvoor wij ons ook in de twintigste eeuw niet behoeven te schamen.

Wie op zoek is naar een organische plaats voor de viering van de Moeder Gods in de liturgie moet toch eens heel goed naar het Magnificat kijken. De lof van God zingen met de woorden die Maria in de mond worden gelegd, is een vorm van heiligenverering, waarop mogelijke critiek geen vat heeft. We moesten het maar doen, met een dankbaar hart, elke dag opnieuw, wanneer de avond valt. “…omdat aan mij zijn wonderwerken deed Die machtig is, en heilig is zijn Naam” (Lk.I, 49).

Het Gebed des Heren

Aan het slot van de vespers neemt het Onze Vader een geheel eigen plaats in. Een ereplaats. Geen wonder, het is het gebed dat Jesus zelf ons heeft geleerd (vgl. Mt 6, 9–13; Lk.II, 2–4). Toch hebben wij hier met een nog nieuw gebruik van doen in de romeinse liturgie. Een nieuw gebruik dat teruggrijpt op een oude traditie. Pas sinds het Tweede Vaticaans Concilie sluiten wij de Vespers af met het gezamenlijk zingen van het Onze Vader. Maar al in 517 spreekt de synode van Gerona over het Onze Vader als afsluiting van de morgen- en avonddienst.

Er bestaat een oude traditie die wil dat de christen drie maal per dag het Onze Vader bidt. Daaraan ligt de joodse gewoonte ten grondslag om even zo vele keren het ‘Sjema Israel’ te reciteren: ‘Hoor, Israel, de Eeuwige is onze God, de Eeuwige is Een’ (Deut. 6, 5). De christelijke kerk heeft deze gewoonte in gewijzigde vorm overgenomen. Al in het begin van de tweede eeuw worden de christenen er door de zogenaamde Didachè, het Onderwijs van de Twaalf Apostelen, op gewezen dat zij niet moeten bidden als de schijnheiligen, maar zoals de Heer het heeft bevolen zijn evangelie. Dan volgt de tekst van het Onze Vader, waarna we horen: ‘Driemaal per dag moet gij zo bidden’.

De jongste liturgische vernieuwing heeft deze aanwijzing ter harte genomen. Het gevolg daarvan is dat wij nu ook in de liturgie het Onze Vader drie keer per dag tegenkomen: in de eucharistie als voorbereiding op de communie en aan het slot van de morgen- en de avonddienst. Het oudchristelijk gebruik om dit gebed driemaal per dag te verrichten herleeft aldus in onze tijd.

‘Leer ons bidden’

Vespers vieren is een vorm van samen bidden. Bidden is een kunst. Zoals elke kunst moet deze kunst Worden geleerd. ‘Heer, leer ons bidden’ (Lk.II, 1). Wij leren deze kunst niet alleen in de liturgie, maar ook binnen de ruimte van het persoonlijke bestaan. Vespers of geen vespers. We zouden het voor ons gezegd kunnen houden: ‘Driemaal per dag moet gij zo bidden’. Met minder kan een christen niet toe.

Liturgische verkenningen: hoe vespers te vieren

Eeuwenlang was het zowel in de kerken van het oosten als in die van het westen gebruikelijk dat priesters en gelovigen twee keer per dag samenkwamen om te bidden. Men deed dat aan het begin van de dag, alvorens aan het werk te gaan; men kwam opnieuw samen aan het einde van de dag, wanneer het werk gedaan was. Dag in dag uit vierde men aldus gezamenlijk een morgen- en een avonddienst. De aansporing van Sint Paulus: ‘Bidt zonder ophouden’ (1 Thess. 5, 17) was niet aan dovemansoren gericht. Evenmin als dat andere woord: ‘volhardt in het gebed en de dankzegging’ (Kol, 4,2).

Jubilate 23, 3 (september 1990)

Cees Janssens

Augustinus vertelt in zijn commentaar op psalm 49 over het voornemen van een van zijn parochianen, gemaakt naar aanleiding van vers 14: ‘Brengt God het offer van uw lof’. ‘Iedere dag maak ik mij op om ter kerke te gaan en daar de morgen lof en de avondhymne te zingen. Thuis voeg ik daar nog een derde en een vierde lofzang aan toe. Zo breng ik iedere dag een offer van lof dat ik opdraag aan mijn God’ (Enarr.in.ps. 49,3). Uitstekend, aldus Augustinus, mits het leven in overeenstemming is met het lied.

Het is boeiend om te zien hoe het er in de verschillende kerken bij deze vieringen toeging. Het kan ons oriëntatie bieden bij het zoeken naar een goede vormgeving van dergelijke diensten in onze eigen praktijk. Drie componenten vragen hierbij onze bijzondere aandacht.

Licht en wierook

Allereerst wijzen we op de bijbelse achtergrond van deze diensten. Een achtergrond die rechtstreeks van invloed is geweest op de rituele gestalte ervan. In het boek Exodus is in hoofdstuk 30 sprake van het reukofferaltaar. In dat verband wordt onder meer gezegd: ‘Aaron moet er welriekende wierook op branden, iedere morgen als hij de lampen in orde brengt, en tegen de avond als hij de lampen aansteekt. Dit is het dagelijks reukoffer voor JHWH’ (vers 7–8).

Dit voorschrift uit de joodse tempelliturgie verklaart waarom de christelijke vesperviering zoveel aandacht schenkt aan het ontsteken van het licht en het daarmee gepaard gaande branden van wierook. In oost en west komen we deze riten in allerlei variaties telkens weer tegen. Bij het invallen van de duisternis wordt het licht ontstoken en daarbij wordt een zegenbede uitgesproken. Dat wil zeggen: God wordt gezegend, geprezen en gedankt als de oorsprong van alle licht. Het licht van deze schepping: zon en maan, én het Licht van deze wereld dat Jesus Christus is.

De opstijgende wierook is de rituele uitbeelding van wat in woorden naar God toe wordt uitgesproken.

Wie in een vesperviering voor deze rituele elementen van licht en wierook een passende vorm weet te vinden staat in de lijn van de beste traditie.

De avondpsalm

Een tweede element van groot belang in de vespers: de psalmodie. In kathedralen en parochiekerken gaat men wat de psalmen betreft een eigen weg. Anders dan in de kloosters gebruikelijk werd volstond men hier bij de avonddienst als regel met één psalm. Een avondpsalm. Men koos een psalm of een gedeelte daarvan met het oog op het eigen karakter van deze avonddienst. Een enkel toepasselijk vers kon daarbij de doorslag geven. Zo viel de keuze wel ooit op psalm 55 (54), vooral omwille van vers 17–18: ‘Mijn klacht in de avond…’. Ook de verzen 105 tot 112 uit psalm 119 (118) fungeerden soms als avondpsalm ‘Uw woord is een lamp voor mijn voeten, het is een licht op mijn pad’.

Een psalm echter geniet de absolute voorkeur, altijd en overal. Dat is psalm 141 (140). Dat kan nauwelijks verbazen na hetgeen we hebben gezegd over de betekenis van licht en wierook in de vespers. ‘Heer, ik roep U aan, kom mij toch helpen, luister naar mijn stem als ik U roep. Laat mijn bidden tot U opstijgen als wierook, mijn geheven handen U een avondoffer zijn’ (vers 1–2).

Deze voorkeur werd niet alleen ingegeven door de vermelding van wierook en avondoffer in deze psalm. Ook de betekenis van deze riten speelde daarbij een rol. Een betekenis die men kende vanuit het Oude Testament. Wierook, wierookoffer en avondoffer liggen hier op hetzelfde vlak. Daarbij zijn verzoening en vergeving in het geding. Wierook wordt in de Schrift ook in verband gebracht met verzoening. Het wierookoffer speelt een rol op de Grote Verzoendag. Bij wijze van uitzondering werd het wierookvat op die dag zelfs binnen het heilige der heiligen gebracht (Lev. 16, 12–13).

De voorbije dag overziende, een dag met licht- maar ook met schaduwkanten, nemen de gelovigen deze psalm in de mond als een uiting van berouw en een bede om vergeving. Christenen hebben altijd geweten dat zij niet kunnen bogen op eigen voortreffelijkheid. Zij weten zich aangewezen op de barmhartigheid van hun God.

Wie een vesperviering opzet doet er goed aan zorgvuldig te bezien welke psalm het meest recht doet aan het eigen karakter van deze samenkomst.

Voorbede

Een derde belangrijk element van een vesperviering is de voorbede. Daar hoeven wij niet over uit te weiden. Wanneer gelovigen samenkomen breekt altijd het moment aan waarop de lofprijzing van God overgaat in de voorbede voor alle mensen. De liefde tot God is ons gegeven als voornaamste en eerste gebod. Het tweede is daarmee gelijkwaardig: ‘Gij zult uw naaste beminnen als u zelf’. Zie Mt. 22, 36–40. Voorbede is de liturgische vertaling van deze opdracht.

Wanneer wij vespers vieren mogen wij niet stilzwijgend voorbijgaan aan de noden van onze wereld en de zorgen van hen die haar bewonen.

Liturgische verkenningen: Vespers vieren

Een gebedsdienst met een eigen naam, dat moet wel iets bijzonders zijn. Met die naam beginnen voor menigeen tegelijk de problemen. Is het nou eigenlijk vesper of vespers? Hoe zit het met de benaming vesperdienst? En met vesperviering? Heeft het allemaal niet iets met kloosters te maken? Op deze laatste vraag is het antwoord nog het gemakkelijkst. Dat antwoord luidt ‘nee’, inzoverre kloosters hier bepaald niet het alleenvertoningsrecht bezitten. En zij hebben de vespers ook niet uitgevonden zoals menigeen denkt. Het is eerder andersom. In kathedralen en kerken werden al verspers gevierd voordat de kloosters waren uitgevonden. In Engeland kun je zien dat vespers nog steeds in kathedralen en kerken worden gevierd, eeuwen nadat de kloosters daar weer zijn afgeschaft. De Evensong behoort in de Anglicaanse kerk tot de gewone praktijk van een parochie. Hoewel, ook daar blijft de praktijk wel eens achter bij de theorie.

Jubilate 23, 2 (mei 1990)

Cees Janssens

Maar nu ter zake. Vespers vieren. Waar gaat het dan om? Een vesperdienst is niet zomaar een dienst. Wij spreken in de liturgie van een vesperdienst wanneer het gaat om een gebedssamenkomst aan het einde van de dag. Twee elementen spelen daarbij een rol: het gebed en de avond. Een vesperdienst is een gebed in de avond, een avondgebed.

De term gebed wordt hier gebruikt in de toegespitste betekenis van het woord waarover wij in een vorige bijdrage hebben geschreven. Een avondmis noemen wij daarom geen vesperdienst of avondgebed. Een uitgesproken woord-dienst kan evenmin als avond-gebed worden beschouwd, ook al wordt hij in de avond gehouden.

What is in a name?

Het is niet denkbeeldig dat deze of gene bij dit alles de schouders ophaalt. Waarom weer zo moeilijk doen? Een dergelijke reactie is wel begrijpelijk maar niet terecht. Wie niet weet waar het bij de verschillende liturgische vormen om gaat is als een gastheer die mensen uitnodigt voor een diner om ze vervolgens een ontbijt voor te zetten. Bij een vesperviering is het precies om de combinatie van avond en gebed begonnen. Daarin onderscheidt een vesperdienst zich van alle mogelijke andere liturgische vieringen. Deze combinatie bepaalt dan ook de eigen kleur en de eigen sfeer van zo’n avondgebed. ’s Morgens valt het licht anders dan ’s avonds. ’s Morgens zijn wij zelf anders dan ’s avonds, en dat geldt niet alleen voor de maandagmorgen…

Een vesperdienst verdient ten volle de naam avondgebed wanneer de avond en het gebed beide de hun toekomende aandacht krijgen. Bij het vallen van de avond wordt God geprezen voor het licht van de voorbije dag. Bij het vallen van de avond bidden de gelovigen dat God hun zijn licht niet zal onthouden in de komende nacht.

Een vorm van liturgie

Een vesperviering is een vorm van liturgie. Dat betekent dat de liturgische spelregels niet buiten spel worden geplaatst. Wat altijd en overal van belang is, is ook hier van belang. Er moet een goede orde van dienst zijn. De verdeling van de verschillende rollen dient tot zijn recht te komen. Niet iedereen gaat immers voor, niet iedereen zingt voor, niet iedereen bespeelt het orgel. En ook: niemand doet dit alles tegelijk. Er zullen verder ogenblikken zijn waarop wordt gezongen én er zullen momenten zijn waarop wordt gezwegen. Een spelregel waaraan zelfs de hemelse liturgie zich niet onttrekt. ‘En toen het Lam het zevende zegel opende, werd het stil in de hemel, wel een half uur lang…’ (Openb. 8.1). Symbolen en riten verdienen aparte aandacht voor de mensen van vlees en bloed die wij zijn. Tijd en ruimte doen zich gelden en vragen erkenning. Liturgie voltrekt zich niet in ijle, onbestemde verten. Liturgie wordt altijd hier en nu gevierd, in deze kerkruimte, op dit moment.

Avond-gebed

Zoals gezegd: het avond-uur is een van de karakteristieke elementen van een vesperdienst. Daarmee is de tijdsdimensie van deze vorm van liturgie echter nog niet volledig aangeduid. De ene dag is de andere niet. Zo is ook de ene avond de andere niet. In de joodse paasliturgie wordt de vraag gesteld: ‘Waarom is deze avond anders dan andere avonden?’. De vraag zou elke avond opnieuw gesteld kunnen worden.

Vesperdiensten vormen een steeds wisselend onderdeel van het getijdengebed, dat op zijn beurt deelt in de wisseling van de liturgische seizoenen. De vijftigdaagse paasviering is daarvan het centrum en het hoogtepunt. In onze kring leeft vaak nauwelijks nog het besef dat ook de tijd een geschenk is van God en dat Hij omwiile van deze tijd gezegend en geprezen wil zijn. Het joodse avondgebed kan ons nog iets leren. “Geprezen de Eeuwige, onze God, Schepper van dag en nacht, die het licht laat wijken voor de duisternis en de duisternis voor het licht. Die de dag voorbij laat gaan en de nacht doet komen. Die onderscheid maakt tussen dag en nacht. Geprezen de Eeuwige, die het avond laat worden.”

Vespers vieren in Goes

Elders in deze aflevering van Jubilate doet Eef Heyblok een voorstel voor een vesperviering op een van de zondagen van de Vijftigdagen, zondag Jubilate. Wie met het idee avond-gebed dit concept plus de bijbehorende inleiding beziet, moet kunnen gaan vermoeden waarom het hier is begonnen.

Vriendelijk licht

Een kleine notitie tot besluit. De genoemde orde van dienst vermeldt als avondlied nr. 570 uit de bundel Gezangen voor Liturgie. Een tekst afgedrukt onder de titel Vriendelijk Licht. Dit opschrift is ontleend aan de beroemde avondhymne uit de oude kerk, die met deze woorden begint: ‘Phoos hilaron’, ‘vriendelijk licht’. Dit lied is mijns inziens ten onrechte niet opgenomen in Gezangen voor Liturgie.

In het Vlaamse Zingt Jubilate heefi het wel een plaats gekregen (nr. 801), in een toonzetting van Ignace de Sutter. Geen betere omschrijving van een vesperdienst, een liturgisch avondgebed, dan deze regels, tot ons gekomen van eeuwen her:

De zon gaat dalen
en wij schouwen ’t avondlicht;
wij zingen Vader, Zoon en Geest het heilig loflied toe:
eer zij God!

Het Danklied van Maria

Van oudsher kent de katholieke koortraditie de gewoonte elke avond de vesperdienst af te sluiten met het Magnificat, het danklied van Maria. Maria reflekteert hierin op Gods grote wonderwerken aan haar verricht, zij mediteert over wat haar zomaar overkomen is en ze doet dat in een uitbundig danklied dat weinig oorspronkelijks heeft, maar veeleer een aaneenreiging is van psalm- en andere teksten uit het oude testament die spreken van bevrijding en uitredding.

Jubilate 22, 2 (mei 1989)

br. Willibrord van Rijnsoever

Voor wie goed leest is dit danklied één schreeuw om verlossing en bevrijding, een strijdlied voor allen die hunkeren naar bevrijding en redding uit onderdrukking en machteloosheid. Het is het lied van de ‘anawim’, de mensen die ‘niks voorstellen’, die geen macht, geen geld, geen aanzien hebben, de naamlozen, zoals we die ook steeds meer tegenkomen in onze welvaartsmaatschappij.

Het is daarom niet verwonderlijk dat dit lied het lijflied begint te worden van allen die opkomen voor het recht van de armen en kleinen, de ontrechten in zovele landen waar onderdrukking en uitbuiting hoogtij vieren. De boeren in Zuid Amerika, de zwarten in Zuid Afrika geeft het hoop dat het ongelooflijke toch gaat gebeuren, dat uiteindelijk de machtigen van hun troon gestoten worden, dat bezitters, zij die rijk zitten te zijn, naar huis gaan met lege handen. Voor veel vrouwen is deze hymne een bemoediging en een uitdaging om door te gaan en voor hun rechtmatige rechten op te blijven komen; een lied van het kaliber van Hanna, Debora, Judith en Esther, allemaal vrouwen die door God werden uitgekozen voor een uitzonderlijke opdracht binnen hun volk; een lied dat laat zien hoe groot God is. God is mijn redder. De kleinen en geringen, de armen en ontrechten worden door God niet vergeten: “op mijn klein leven heeft Hij neergezien, op mij, niets dan zijn dienstmaagd”. Dit danklied van Maria laat duidelijk aanvoelen dat we in verwachting, in hoop leven en dat we nu, op dit eigen moment, mogen zingen van Gods grootheid.

“Nú weet mijn hart, hoe groot Hij is, de Heer.” Wat eens aan lsraël gebeurde, wat op een bepaald moment in de heilsgeschiedenis Maria mocht ervaren, dat wordt geaktualiseerd naar ons toe, nú, naar jou, naar mij doet Hij “ongelooflijke dingen, wanneer je eerbiedig naar Hem opziet”.

Dat is de kracht van het Magnificat en dat is ook de reden, waarom elke avond dit bevrijdingslied weerklinkt in zoveel koren van monniken en monialen, in zoveel basisgemeenschappen overal op de wereld. De eeuwen door hebben dichters en musici dit vertaald en verklankt in oneindig veel variaties en toonaarden. We kennen het prachtige Magnificat van J.S. Bach, de magnificatliederen uit de Reformatie en ook in onze nederlandstalige liturgie hebben musici en dichters zich gewaagd aan een muzikale vertolking van dit prachtige bevrijdingslied.

In de ‘Gezangen voor Liturgie’ staan twee versies van het Danklied van Maria. Nr. 154 geeft het bekende Danklied van Maria van H. Oosterhuis en muzikaal getoonzet door de bekende Vlaamse musicus Ignace de Sutter z.g. Het is antifonaal getoonzet met een versierde psalmodie. Persoonlijk vind ik het wel jammer dat de accentuatie op ‘gelukkig príjzen’ staat (vers 3) en op ‘trouw gebléven” (vers 9), want in het nederlands valt het accent eigenlijk op gelúkkig en op tróuw.

Dat het Danklied van Maria ook als beurtzang of communiezang kan gezongen worden laat de frisse en akklamatorische compositie zien van Vogel in nr. 155. Hij maakte deze communiezang in het kader van een mis voor Maria Ten Hemel Opneming die opgenomen werd in het ‘Wisse|ende Gezangen’-projekt. U merkt dat hier een andere vertaling gebruikt is enwel die van Maria van der Zeyde die zij maakte voor onze werkgroep de IWVL (intermonasteriële werkgroep voor liturgie). We vonden namelijk dat de stijl van hun psalmen ook een aangepaste tekst nodig had en kozen daarom voor deze nieuwe vertaling die ook zeer goed voldoet, al is elke vertaling altijd een beetje verraad aan de grondtekst. In een mooie muzikale boog zet Vogel de verzen helder en doorzichtig neer, zoals we dat van W. Vogel gewend zijn. Het refrein dat duidelijk naar God tendeert is een prachtig voorbeeld van een tekst als een klaroenstoot die een klare, akklamatorische toonzetting krijgt.

Br. Alex Werbrouck maakte een beurtzang op de tekst van Oosterhuis. Hij maakte er een doorgekomponeerde psalmodie van met een refrein dat de compositie in de sfeer brengt van het feest van 8 december: Maria Onbevlekt Ontvangen.danklied maria 1

Ook Herman Strategier maakt een Mis voor 15 augustus voor onze kommuniteit en als communiezang nam hij ook de tekst van het Danklied van Maria van Marie van der Zeyde. Hij gebruikte als refrein het hele eerste vers en heel plechtig laat hij ‘God is mijn Redder’ klinken en de vreugde jubelen om de grootheid van God.danklied maria 2

In het koorgebed wordt het Danklied van Maria altijd met een antifoon gezongen die varieert met het kerkelijk jaar. Door de antifoon krijgt het Danklied dan telkens een andere kleur en licht het anders op in de advent of in de veertigdagentijd. In het Abdijboek hebben we naast een aantal antifonen, ontleend aan de tekst van het Danklied zelf, een grote serie antifonen die een variëteit geven aan het elke avond gezongen Danklied van Maria. Ik wil eindigen met de integrale weergave van de nieuwe vertaling van Marie van der Zeyde die stilaan ingang begint te krijgen in onze kloosters en die ook door musici van naam als ritmisch sterk en goed zingbaar wordt ervaren. Ook bij deze tekst geldt wat Herman Strategier eens zei van de psalmen van Ida Gerhardt en Marie van der Zeyde. voor ik één noot gekomponeerd heb, zit er al muziek in de tekst en dat is een groot kompliment voor een tekst die je dagelijks moet kunnen blijven zingen.danklied maria 3

‘Asperges me’: een openingsritueel voor de zondag

‘Asperges me’: “Heer, sprenkel mij met hysop dat ik rein word, was mij dat ik witter word dan sneeuw” (psalm 51 (50), 9). In het hele psalter is er misschien wel geen tekst te vinden die zo vaak gezongen werd en die de kerkgangers zo vertrouwd was als deze. Elke zondag, vóór het begin van de Hoogmis, werd deze bede aangeheven tijdens de besprenkeling met wijwater, alleen de Paastijd vormde een uitzondering. Dan moest het ‘asperges me’ wijken voor het ‘vidi aquam’, een tekstcollage naar Ezechiel 47,1 en 9. Iedereen wist dat en iedereen handelde dienovereenkomstig. De gedachte hier op eigen gezag verandering in te brengen kwam bij niemand op.Lees verder

Driewerf heilig

Het Heilig, waarover we terloops al eens iets hebben gezegd in deze cyclus, is waard om nog wat verder onder de loep te worden genomen. De oorsprong van de tekst is heel oud en eerbiedwaardig. Het Heilig (of Sanctus, ik ben zo vrij die benamingen hier rustig door elkaar te gebruiken) is geen uitvinding van een of ander origineel denkende liturgist of kerkmusicus.Lees verder

Eucharistisch gebed: om Hem te herdenken

De artikelenserie over het Eucharistisch Hooggebed wordt nu afgesloten met een laatste bijdrage, en wel over acclamaties tijdens het Hooggebed. We hebben gezien hoe het Heilig en de acclamatie na de consecratie een vast gegeven zijn als het om acclamaties gaat. Het gebruik van deze gezongen elementen is vrij algemeen.

Jubilate 20, 2 (mei 1987)

Fr. Nico Wesselingh

Door de gelovigen

Toch wordt door velen aangevoeld, dat tijdens dit Hooggebed de aanwezige gemeenschap van gelovigen weinig ‘te doen’ heeft. Gezangen en ceremonies zijn als het ware stil gevallen. Er wordt niet meer gelopen van zetel naar lessenaar en vice versa. Het is goed dat dit soort dingen wegvallen op het belangrijkste moment van de viering. Alles is geconcentreerd rond het altaar, voor de mysterieviering. Maar daarmee valt er voor velen wel een soort gat in de viering. Velen voelen de behoefte om de deelname uit te breiden. Vandaar dat in ons land in veel parochies het gebruik is ontstaan, om de aanwezige gelovigen gedeelten van de Canon te laten meebidden. In veel zondagsboekjes, zoals die in de handel worden gebracht of zelf gemaakt, staan de teksten die daarvoor in aanmerking komen(!) cursief gedrukt. Hele discussies worden gevoerd, of dat nu zo’n goede oplossing is. Zonder me in die discussie te willen mengen op deze plaats, stel ik eenvoudig vast dat deze oplossing de weg van de minste weerstand is, en alleen maar het gesproken woord nog massiever maakt.

Kan ook anders

Een andere, betere oplossing is: het invoegen van meer acclamaties binnen het Hooggebed. ‘Weer iets nieuws’, hoor ik sommigen denken. Dat valt wel mee. Het zingen van acclamaties op bepaalde plaatsen in het Hooggebed is niets nieuws. Ook in officiëel door Rome goedgekeurde Eucharistische gebeden staan zulke acclamaties afgedrukt. Het ligt trouwens geheel in de lijn van de officiële adviezen, waar die het gebruik van acclamaties regelen.

Voorbeelden

Eucharistisch_gebed_3_1

Voorbeeld 1: Drie acclamaties uit Canon IX, voor Eucharistie met kinderen

Om daar een paar voorbeelden van te vinden hoeven we echt niet zover te zoeken. Sla uw Gezangen voor Liturgie er maar eens op na. De Eucharistische gebeden IX, X en XI, beginnend op blz. 582, geven een interessant voorbeeld van aanpak. De bij deze drie gebeden behorende acclamaties zijn getoonzet door Floris van der Putt. Om een beeld te krijgen van de levendigheid waarmee zoiets kan gebeuren, nemen we de eerste van de drie onder de loep.

Eucharistisch_gebed_3_2

Voorbeeld 2: Uit dezelfde Canon: Acclamatie na de consecratie.

De z.g. Prefatie wordt tweemaal onderbroken voor een acclamatie, beide keren weer anders, maar op verwante melodie. Aan het einde van de Prefatie volgt dan een verkort Heilig. Wie de drie acclamaties (zie voorbeeld 1) in een andere volgorde achter elkaar legt, zal zien dat het Heilig tot dit doel gewoon in drieën is gesplitst. Na de consecratie volgt iets interessants: de tekst is anders dan de teksten die we voor deze acclamatie kennen: drie korte elementen, zeer acclamatorisch, op een goede melodie. Zie voorbeeld 2. In de tekst die daarna nog rest, zou deze acclamatie nog enkele keren kunnen worden herhaald.

In Eucharistisch Hooggebed X is iets merkwaardigs aan de hand. De eerste acclamatie, die drie keer herhaald wordt, staat niet getoonzet. Ik denk dat dit een vergissing, of liever een omissie is, van de drukker, want op de gebruikte melodie verderop in deze Canon, zou deze acclamatie goed te zingen zijn. We zijn zo vrij dat hier af te drukken. Zie voorbeeld 3. Het Heilig wordt alleen aangegeven. Daarvoor zou de melodie van IX goed gebruikt kunnen worden, of een andere bekende melodie. Zo kan dan ook het ‘Gezegend Hij die komt’, dat in beide Gebeden is losgemaakt van het Heilig, zonder bezwaar op de aangegeven plaats worden gezongen. Zie voorbeeld 1.

Voorbeeld 3: Uit Canon X, voor Eucharistie met kinderen: drie acclamaties.

Voorbeeld 3: Uit Canon X, voor Eucharistie met kinderen: drie acclamaties.

Na de consecratie van het brood staat een korte acclamatie, dezelfde als na de consecratie van de wijn. In het verdere verloop van deze Canon is nog viermaal de gelegenheid tot het zingen van een acclamatie. Voor het ‘Amen’ aan het einde staat niets aangegeven van melodie. Daarvoor zou gemakkelijk die van no. IX gebruikt kunnen worden. Zie voorbeeld 4. Het derde Hooggebed voor Eucharistie met kinderen is wat traditioneler van opbouw: Heilig, en één acclamatie, die een aantal keren kan worden herhaald.

Voorbeeld 4: Uit Canon IX, Eucharistie met kinderen: afsluitend Amen.

Voorbeeld 4: Uit Canon IX, Eucharistie met kinderen: afsluitend Amen.

Alleen voor kinderen?

Je vraagt je af, waarom zo’n werkwijze voor kinderen in de officiële boeken wèl duidelijk wordt aangegeven, maar niet voor volwassenen. Kun je met kinderen wèl acclamaties invoegen in de Canon, en met volwassenen niet? Worden wij volwassenen geacht niet spontaan genoeg meer te zijn voor deze ‘schietgebeden’? Zou het geen aanbeveling verdienen om op speciale dagen dagen eenzelfde vorm te gaan praktiseren? Waarom zou je niet b.v. op Pasen (en in de Paastijd) een bekend drie- of viervoudig Alleluia kunnen invoegen? (Zie voorbeeld 5).

Voorbeeld 5: Twee Alleluia’s, bruikbaar als acclamaties tijdens Canon.

Voorbeeld 5: Twee Alleluia’s, bruikbaar als acclamaties tijdens Canon.

Iets wat zo eenvoudig is, moet toch kunnen worden gepraktiseerd zonder dat daar weer aparte boekjes voor nodig zijn? Een aantal keren voorzingen, aanhef door cantor of koor moet toch voldoende zijn om zo’n praktijk te starten. Gezangen voor Liturgie geeft onder de nummers 241 tot 263 daarvan een aantal voorbeelden. En het zou een goede praktijk kunnen zijn, om op de zondagen in de Paastijd, of ev. ook door het jaar, het Alleluia van voor het evangelie onder de Canon een aantal keren te herhalen. Melodische herkenning speelt dan ook een rol. Het bij de Alleluia’s behorende vers moet wel uitsluitend voor de acclamatie bij het Evangelie worden gereserveerd.

Er is ook nog een andere mogelijkheid. Men zou ook zijn toevlucht kunnen nemen tot de refreinen van bepaalde Beurtzangen uit de Psalmen. We drukken er een paar van af uit Gezangen voor Liturgie. Let, als u zulke keerverzen zelf gaat uitkiezen, opdat het gebruikte keervers qua tekst een duidelijk acclamatorisch karakter heeft. Een smeekgebed kan als keervers bij een Beurtzang mooi zijn, maar komt niet in aanmerking om als acclamatie gebruikt te worden. (Zie voorbeeld 6).Eucharistisch_gebed_3_6a

Voorbeeld 6: Refreinen uit beurtzangen, bruikbaar als acclamaties tijdens de Canon.

Voorbeeld 6: Refreinen uit beurtzangen, bruikbaar als acclamaties tijdens de Canon.

Nog meer mogelijkheden

Al is dit gebied in ons land nog nauwelijks betreden, onlangs verscheen een boekje wat ons wel degelijk kan helpen. In de serie ‘Pastoraal-liturgische handreikingen’ zag medio vorig jaar een boekje het licht met de titel: Modellen voor gebedsdiensten, woorddiensten, communiediensten. Hierin wordt veel behartenswaardigs gezegd over genoemde diensten. Wat vooral een goede zaak is: er worden in de gegeven modellen ook melodieën aangereikt voor acclamaties. Ik telde er een twintigtal. Van goed gehalte. Je kunt je afvragen, of je voor een gebeds- of communiedienst dezelfde acclamaties moet gebruiken als bij een Eucharistie. Het zou beter zijn voor beide een apart repertoire te hebben. Maar aangezien dat nog ver weg lijkt, en het bedoelde boekje (Uitgave Nationale Raad voor Liturgie, Utrechtseweg 29, Zeist) nog maar sporadisch gebruikt wordt, is er nog geen gevaar voor vermenging.

Die aangereikte acclamaties zijn niet zomaar bij elkaar geraapt, maar bijna allemaal speciaal voor deze uitgave gecomponeerd. Aan dit boekje, dat belangrijker is dan velen denken, vooral in verband met het toenemen van het aantal andersoortige vieringen dan Eucharistie, is ook meegewerkt door C. Janssens, voor de trouwe lezers van dit blad geen onbekende. Wij volstaan met eenvoudig enkele voorbeelden uit dit boekje over te nemen. (Zie voorbeelden onder no. 7)Eucharistisch_gebed_3_7 Eucharistisch_gebed_3_8 Eucharistisch_gebed_3_7b Eucharistisch_gebed_3_7a

Voorbeeld 7: Nieuwe acclamaties van diverse Nederlandse componisten.

Voorbeeld 7: Nieuwe acclamaties van diverse Nederlandse componisten.

Eén acclamatie wil ik speciaal vermelden. Het is de acclamatie die wij onder voorbeeld 8 afdrukken. Deze acclamatie hoort bij een gezongen Eucharistisch Hooggebed (Tekst van Canon III), die gecomponeerd is door Floris van der Putt bij gelegenheid van het veertigjarig priesterfeest van onze Bisschop, Mgr. Ernst. Men kan dat hele Gebed zingen, het staat met melodie afgedrukt achter in het altaarmissaal, men kan alleen het centrale gedeelte nemen, of de tekst alleen maar zeggen, en de gemeenschap op de geëigende plaatsen de acclamatie laten zingen. Deze goede acclamatie vermeld ik speciaal als een hulde aan onze Bisschop, die onlangs zeventig jaar werd. U vindt deze acclamatie ook in G.v.L. onder no. 301 b. We drukken hier zowel de eenstemmige als de vierstemmige versie af.

Voorbeeld 8: Acclamatie, behorend bij gezongen Canon III, getoonzet voor 40-jarig priesterfeest van Mgr. Ernst. Eenstemmige en meerstemmige zetting.

Voorbeeld 8: Acclamatie, behorend bij gezongen Canon III, getoonzet voor 40-jarig priesterfeest van Mgr. Ernst. Eenstemmige en meerstemmige zetting.

Tot besluit

Stof genoeg, dacht ik, om wat mee te gaan doen. Sommigen zeggen, als je over dit soort zaken spreekt: Ach, dat kleingoed, daar is geen eer aan te behalen, zeker niet voor het koor. Nu zijn acclamaties niet op de eerste plaats voor het koor, maar meer voor de hele gemeenschap. En de levendigheid van de liturgie kan er veel mee winnen. In dit opzicht moet je een gevoelsmatigheid ontwikkelen om dit waar te nemen. Het zijn geen spectaculaire zaken, maar een juiste en afwisselende rolverdeling en inbreng van alle groepen die een liturgische functie hebben, van celebrant tot gelovigen, voor het altaar en achter het altaar. Op één ding meen ik nog te moeten wijzen: Wie eraan begint, moet wel het nodige overleg plegen. Priester, dirigent, organist en ev. het koor moeten precies weten waar ze aan toe zijn. En het uitzoeken van de plaatsen waar in het Eucharistisch Gebed een acclamatie kan worden geplaatst zonder de gang van de tekst te verbreken, is niet ieders werk.

We wensen u graag sukses met het creatief en muzikaal realiseren van dit bescheiden onderdeel van de liturgie.

‘Gedenken wij dankbaar’. Over het eucharistisch gebed

Dankzij de liturgische vernieuwing van het Tweede Vaticaans Concilie is het eucharistisch gebed in onze kerken weer tot klinken gebracht. Niet mondjesmaat, maar voluit, van het begin tot het einde. Vanaf de openingsdialoog tot en met de afsluitende doxologie: “Door Hem en met Hem en in Hem zal uw Naam geprezen zijn…”

Jubilate 19, 3 (september 1986)

Cees Janssens

Niet alle veranderingen zijn verbeteringen, zegt de volksmond. In dit geval gaat het duidelijk om een verandering die wel een verbetering is. Niemand verlangt terug naar de in stilte gebeden canon. Dat betekent niet dat de huidige praktijk altijd en overal ideaal is. Kerkgangers weten wel beter. Het heeft er soms alle schijn van dat de liturgievernieuwing de problemen rond het eucharistisch gebed eerder heeft vergroot dan verkleind.

Het hek van de dam?

In de vroegere praktijk was de canon een onaantastbaar gegeven; een soort Heilige der Heiligen, dat slechts met gedempte stem en als het ware op kousevoeten werd betreden. In de nu gangbaar geworden praktijk is er van deze schroom weinig overgebleven. Jan en alleman is zich met het eucharistisch gebed gaan bemoeien. De meest vreemde creaties zagen het daglicht, de meest wonderlijke gedachten werden er in uitgedrukt. Liturgische doe-het-zelvers leken soms een kruising tussen een maximum aan goede wil en een minimum aan kennis van zaken. Het zal niemand verbazen dat het eucharistisch gebed er niet altijd zonder kleerscheuren is afgekomen.

Het abc van de liturgie

Enige kennis van hol liturgische abc is in onze dagen onontbeerlijk. Aan het eucharistisch gebed vanlt deze stelling uitstekend te illustreren. In de tijd dat de liturgie maar één canon kendo, waren er geen problemen. Geen mens maakte zich druk over de eisen waaraan dit gebed moest voldoen. De tekst was voorgegeven en daarmee was de liturgische kous af. Nu het aantal liturgische gebeden aanzienlijk is uitgebreid, is de kwestie van de normen, waaraan een tekst moet voldoen, plotseling aktueel geworden. We hebben het dan nog alleen maar over de tekst. Goede liturgie vraagt echter om meer dan woorden alleen. Wat is bijvoorbeeld de taak van de priester bij dit alles en wat de rol van de gemeenschap? Hoe zit het met de rite: en de gebaren bij het eucharistische gebed? Hoe komt er zoiets als een goede muzikale vormgeving tot stand?

Goed of niet goed?

in een vorige bijdrge – zie Jubilate van september 1985 – hebben we een poging gedaan het eucharistische gebed, en daarmee de eucharistie zelf, kort te typeren. Wij kwamen toen uit bij deze “Het gaat om de lofprijzing van de Vader, de gedachtenis van de Zoon en de bede om de Heilige Geest”. Wanneer wij eucharistie vieren, dan zijn dit de bouwstenen voor het eucharistisch gebed. Altijd. Overal. Op deze regel bestaan geen uitzonderingen. Wie wat anders wil, moet zijn toevlucht nemen tot een anderssoortige viering. Maar wie eucharistie wil vieren kan aan deze uitgangspunten niet voorbij.

Geen eucharistie zonder relatie tot Vader, Zoon en Geest. Geen eucharistie zonder lofprijzing, gedachtenisviering en smeekbede. Een eucharistisch gebed waarin deze elementen niet zijn aan te wijzen, is zeker geen goed eucharistisch gebed. Zo simpel ligt dat. Alle hout is geen timmerhout. We hebben hier te maken met een minimumeis, een soort onderste grens. Wat daaronder blijft is brandhout. Naar boven daarentegen zijn er geen grenzen. Het kan immers altijd nog beter.

Bidden naar joods model

De christelijke liturgie heeft haar wortels in de joodse wereld. Ons eucharistisch gebed draagt daarvan de sporen. We moeten heel zuinig zijn op dit erfgoed, het vertegenwoordigt klasse. De drieslag lofprijzing, gedachtenis en smeekbede getuigt daarvan.

Wanneer de vrome israeliet zich tot zijn God wendt, dan is het eerste waarvan hij blijk geeft: God is God. Dat besef wordt uitgedrukt in de lofprijzing: “Gezegend is onze God, groot is Hij en zeer te prijzen…” De christelijke kerk heeft deze goede gewoonte overgenomen, in het eucharistisch gebed valt dat ook heel duidelijk te zien. Het element lofprijzing krijgt daarin altijd het eerste woord. Dat gebeurt op steeds wisselende en toch altijd weer dezelfde manier in de prefatie en het daarbij aansluitende ‘Heilig, Heilig, Heilig’. Wie meent dat het hierbij gaat om elementen die niet meer van deze tijd zijn, heeft van waarachtige liturgie kennelijk nog niets begrepen. In de joodse vroomheid wordt de lofprijzing gevolgd door de gedachtenis. Gedenken, dat is een grondwoord in de bijbelse wereld. Het is het present stellen van Gods weldaden door ze een voor een op te roepen. Het is de levende traditie, het besef te staan in één grote werkelijkheid, samen met hen die ons voorgingen en – hopelijk – met hen die na ons zullen komen. Bij de viering van de eucharistie speelt dit ‘gedenken’ een uiterst belangrijke rol. Deze gedachtenis kan op velerlei wijze worden ingevuld, maar centraal staat altijd de gedachtenis van Hem, die als Messias ons door God is gegeven: Jesus, de Christus. “Gedenken wij dankbaar de daden des Heren, zijn leven, zijn dood en verrijzenis…” Géén eucharistie zonder dit ‘gedenken’ in opdracht van de Heer zelf: “B|ijft dit doen om Mij te gedenken”.

De smeekbede, ons ‘bidden’ in de zin van ‘vragen’, komt pas daarna. Een fatsoenlijk gelovige begint niet met vragen, hij begint met loven en prijzen, vervolgens gedenkt hij, en tenslotte mag hij ook vragen. Vragen dat alles waarvan het gedenken spreekt, hier en nu, vandaag en morgen, ook voor ons zal mogen gelden. Vragen dat het ook voor ons en voor onze kinderen zo mag zijn dat Jesus onze Messias is en zijn Vader ook onze Vader.

Het loven wordt vooral met de Vader in verband gebracht, het gedenken geldt allereerst de Zoon, het smeken is vooral een smeken om de Geest, kort begrip van alles wat God ons geven wil.

Waar blijven de consecratiewoorden?

Er zijn mensen die denken dat een eucharistisch gebed altijd goed is, wanneer de consecratiewoorden er maar in voorkomen. Deze mening delen wij niet. De consecratiewoorden, ook wel instellingswoorden genoemd, vormen ongetwijfeld een belangrijk element binnen het geheel, maar zijn toch niet meer dan een onderdeel. Zij roepen de werkelijkheid op van ’s Heren dood en verrijzenis. Daarmee behoren zij tot het hart van de viering. Maar ook het hart heeft zijn plaats in een groter geheel. Als element van de gedachtenis van Jesus kunnen de consecratiewoorden alleen goed funktioneren in samenhang met de lofprijzing van de Vader en de bede om de Geest. Wie de consecratiewoorden isoleert van de rest van de gedachtenis, en wie vervolgens deze gedachtenis weer losmaakt uit het grotere verband van de lofprijzing en de bede om de Geest, die veroorzaakt een soort liturgische kortsluiting. Wie het eucharistisch gebed versmalt tot alleen de consecratiewoorden, die heeft misschien van veel dingen verstand, maar zeker niet van liturgie.

Roepen om de Geest

Het merkwaardige verschijnsel doet zich voor dat de consecratiewoorden vaak overbelicht worden en dat de bede om de Geest vaak onderbelicht blijft. Toch gaat het ook bij het derde element van de genoemde trits om een belangrijk gegeven. De roep-om-de-Geest, de zogenaamde epiclese, heeft betrekking op de gaven van brood en wijn maar evenzeer op de gelovigen die zich rond het altaar hebben verzameld. De Geest wordt geroepen om zowel het brood en de wijn als deze gelovigen om te vormen en te maken tot ‘Lichaam van Christus’. Een eucharistisch gebed waarin een dergelijke epiclese ontbreekt kan de toets der kritiek niet doorstaan. Ieder weldenkend christen beseft dit ook wel enigszins; zonder de Geest zijn wij als kerk nergens.

Meer dan woorden alleen

De liturgie kan met woorden alleen niet volstaan. Het eucharistisch gebed vormt geen uitzondering op deze regel. Alle zintuigen zijn geroepen mee te doen, wanneer net er om gaat het geloof te vieren. Ieder van de aanwezigen is geroepen deelnemer te zijn, met hoofd en hart, met handen en voeten. Ieder vervult de hem of haar toekomende rol. Niets meer, maar ook niets minder. De rol van de gemeenschap is een andere dan die van de priester die voorgaat. De rol van de cantor of het koor is weer een andere. Hier zijn spelregels in Het geding, gedragsregels of hoe men ze noemen wil. Men doet er goed aan deze regels serieus te nemen. De kwaliteit van de viering is er mee gemoeid. En altijd is er de ‘verhoogde toon’ van zang en muziek.‘Altijd’ klinkt het wat voorbarig, maar wat niet is kan komen. De vernieuwing van de liturgie staat nog in de kinderschoenen. Eens zal toch net besef moeten doorbreken dat het eenvoudig niet gaat zonder die verhoogde toon. Wanneer wij door schade en schande wijs moeten worden, dan kunnen wij nog wel eens héél wijs worden.

‘…En maak ons één.’ De voorbereiding op de communie

In de Algemene Inleiding op het Missaal wordt het eucharistisch gebed aangeduid als “het centrum en het hoogtepunt van heel de viering” (nr. 4). In deze lijn doordenkend kunnen wij de communie beschouwen als de bekroning van de viering. Na de uitnodiging ‘neemt, eet, drinkt’ voegen wij de daad bij het woord. Wij eten en drinken van de gaven die de Heer ons aanbiedt. Iedereen van ons weet dat dit communiceren niet onmiddellijk volgt na het ‘amen’ op het eucharistisch gebed.

Jubilate 20, 3 (september 1987)

Cees Janssens

Onze liturgie voegt hier verschillende gebeden en riten in, die een laatste voorbereiding willen zijn op de communie. Tegelijkertijd maken deze woorden en gebaren iets duidelijk van de betekenis van het communiceren. Zij leggen de ‘binnenkant’ ervan als het ware reeds open. Achtereenvolgens gaat het daarbij om het Gebed des Heren: het ‘Onze Vader’, de vredeswens en wet breken van het brood.

Het ‘Onze Vader’

Voordat de gelovigen gaan delen in de gaven des Heren bidden zij het gebed des Heren. Dat is de eeuwen door het vaste gebruik in de kerken ‘all over the world’. Twee beden krijgen daarbij bijzonder relief, een extra klemtoon: ‘geef ons heden ons dagelijks brood’ en ‘vergeef ons onze schuld, zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven’. De Inleiding op het Missaal tekent hierbij aan dat net gaat om “de zuivering van zonden, zodat net heilige werkelijk aan de heiligen gegeven wordt” (nr. 56a). Voor wie het niet weten mocht: ‘de heiligen’, dat zijn ‘de gelovigen’, zij die door het doopsel zijn gaan delen in de heiligheid van hun Heer. Met deze zelfde woorden worden de gelovigen in de kerken van het oosten tot op de dag van vandaag aangesproken: “Het Heilige is voor de heiligen”.

Een viering kan niet uit louter hoogtepunten bestaan. Maar toch, hier
gaat het om een topmoment, een ogenblik van intens gebed, hoorbaar, zichtbaar en voelbaar. Een goede vormgeving is hier onontbeerlijk, evenals een sfeer van aandacht en inkeer. Bidden is ook een heel lijfelijke aangelegenheid. Zingen – in een rustig tempo en met halve stem –, staan, de handen omhooggeheven… het kan wonderen doen.

De vrederitus

In de vrederitus gaan gebed en gebaar samen, het gebed om vrede wordt gevolgd door een gebaar van vrede. Zo luidt althans de theorie. De praktijk is vaak anders. Nergens blijkt de Nederlandse gelovige zo’n houten klaas als hier. De vredeskus in de vorm van een omhelzing of een accolade is practisch uitgestorven, terwijl het kussen buiten het kerkgebouw pathologische vormen dreigt aan te nemen. Een handdruk als gebaar van vrede? Vergeet het maar. In negen van de tien gevallen luidt net parool blijkbaar: ‘aan mijn lijf geen polonaise’.

“Wat net vredesgebaar betreft moeten de bisschoppenconferenties de vorm vaststellen, naar de aard en gewoonte der volkeren” zegt de Algemene Inleiding op het Missaal (nr. 56b). In ons land is er echter niets vastgesteld, en – wat erger is – wordt er nauwelijks iets gepraktiseerd. De oproep uit net missaal: ‘wenst elkaar de vrede’ blijft bijna overal een dode letter.

De lege plaatsen in onze kerken zijn, naar de bevinding van deskundigen, niet alleen het gevolg van geloofsverdamping. Er is meer aan de hand. Gemis aan menselijke warmte en tekort aan voelbare verbondenheid eisen ook hun tol. Aan het weer kunnen wij weinig veranderen, met de praktijk van de vredeswens ligt dat anders.

Het breken van het brood

“De handeling van het breken van het brood, door Christus bij het laatste avondmaal verricht, gaf in de apostolische tijd haar naam aan heel de eucharistische viering. Deze ritus heeft niet slechts een praktische bedoeling, maar betekent ook dat wij die met velen zijn, in de communie één lichaam worden door het deelnemen aan het ene levensbrood da Christus is (1 Kor. 10,17)” (Algemene Inleiding op het Missaal, nr. 56c) De ritus van het brood breken deelt vaak het lot van de vredesgroet, hij is er niet echt. Opnieuw stoten wij op een merkwaardig fenomeen. ‘Breken en delen’ lijkt voor velen nog de enige bruikbare term te zijn om de eucharistie aan te duiden en tegelijkertijd wordt er in de liturgische praktijk nauwelijks iets gebroken. Naar twee kanten worden hier fouten gemaakt. De eucharistie laat zich niet reduceren tot ‘breken en delen’ – denk maar aan de betekenis van het eucharistisch gebed! – en het teken van het breken van het brood kan niet worden gemist. Mogen delen in het éne Brood van de Heer en daardoor één lichaam worden, de ritus van het breken van het brood bedoelt deze geloofswerkelijkheid tot uitdrukking te brengen. Tijdens het breken van het brood wordt “de aanroeping Lam Gods door het koor of de voorzanger gezongen of met luide stem gezegd, terwijl het volk erop antwoordt. Deze aanroeping kan zo lang herhaald worden als de broodbreking duurt” (Algemene Inleiding nr. 56e). Het Lam Gods is een begeleidingszang. Een soort litanie, met een wisselend aantal aanroepingen. En weer moeten we zeggen: dit is de theorie, de praktijk is meestal anders. In veel gevallen begeleidt het Lam Gods een handeling die er niet is. In meerdere opzichten ‘kan’ dat niet. Theoretisch kunnen wij nu twee kanten uit: ofwel het Lam Gods achterwege laten ofwel de broodbreking gaan praktiseren. De laatste oplossing is de enige juist. Zij ligt ook in de lijn van waar het in de eucharistie om is begonnen.

Huiswerk in overvloed

Deze globale bespreking van de voorbereiding op de communie levert ons huiswerk in overvloed op. Vaak wordt de schuld van ongeveer alles wat niet deugt binnen de kerk in de schoenen geschoven van de paus of van de bisschoppen. Dat zal in dit geval niet gaan. Dit huiswerk kan alleen ter plaatse worden gemaakt. Hier zijn wij zelf de eerst verantwoordelijken.

Meerstemmige zang bij de communie

In dit nummer van Jubilate is veel aandacht voor de Communiezang. Mij is gevraagd aandacht te schenken aan de mogelijkheden voor meerstemmige zang bij de communie. Het toeval wil, dat A. Hollaardt in het septembernummer van het Gregoriusblad een helder artikel schrijft over betekenis en vormen van de communiezang.

Jubilate 21, 1 (januari 1988)

Walther Cantrijn

De criteria die hij daar noemt voor communiezangen in de volkstaal, gelden eveneens voor de communiezang die op latijnse tekst gezongen wordt. “De communiezang wordt inhoudelijk bepaald door zijn funktie en plaats binnen de liturgie: hij begeleidt de communiegang van de gemeenschap. Als zodanig heeft hij een uitgesproken eucharistische strekking of hij vertolkt op meer algemene wijze de godsdienstige gevoelens van de gemeenschap op het ogenblik van de communie.” Einde citaat.

Als we hiervan uitgaan is onmiddellijk duidelijk wat we niet moeten doen: een ‘leuk’ stuk uit de kast halen, zonder op de tekst te letten. Het is aan te bevelen, dat de dirigent het repertoire van zijn koor eens doorlicht en datgene wat voor het zingen tijdens de communie in aanmerking komt, op een lijst bijeen zet, zodat hij bij de voorbereiding van de dienst, (dat doet hij toch zeker wel ruim tevoren?) meteen kan zien wat geschikt is. Op die lijst zullen dan, wat het Latijnse repertoire betreft motetten voorkomen als: Pange Iingua, Adoro te, Sacris solemniis, Ave verum, O sacrum convivium en andere met gelijke eucharistische strekking. Ook zettingen van lof- en dankpsalmen komen in aanmerking, zoals b.v. psalm 148 en 150, waarvan in de nederlandstalige muziek de zettingen van Antoine Oomen en Henk in ’t Veld waarschijnlijk bekend zijn. Ook zal men op bepaalde feestdagen gebruik kunnen maken van meerstemmige zettingen van de communieantifoon, zoals die in het misformulier van die dag vóór komt. Die verwijst dan vaak naar datgene wat men in de woorddienst al gehoord heeft. En, aldus Hollaardt in zijn al eerder aangehaald artikel: “Er bestaat een innig verband tussen het woord van de Heer, dat men gehoord heeft en de eucharistische gave.” Zo verwijst bijvoorbeeld de Communio Pascha nostrum met Pasen naar de eerste lezing van Paulus aan de Corinthiërs. Op het feest van Onnozele Kinderen de Communio ‘Vox in Rama’ naar het evangelie.

Ik heb U nu aangegeven, waar U op moet letten bij Uw keuze van communiezangen. Want concreet aangeven: dat moet U eens zingen, is onbegonnen werk. Want tot wie richt ik mij? Tot het mannenkoor, het dameskoor of het gemengde koor. Moet het twee-, drie- of vierstemmig zijn? Latijn of nederlands? Daarvoor moet ik U dus verwijzen naar de catalogi van uitgevers; naar ons eigen informatiecentrum Donek in Utrecht (tel. O30 – 513739. Frits Strating); naar het blad Continuo.

Wat m.i. ook kan is het Benedictus zingen van de mis, waarvan men in de dienst ook andere delen heeft gezongen.

Wat niet kan, maar wel gebeurt soms is het zingen van een Ave Maria bij de Communie; dat heeft niets te maken met onderwaardering van de moeder Gods, maar dat gezang past daar gewoon niet.

Nog enkele praktische opmerkingen tot besluit.

Als er nog een slotzang volgt, kan men beter de communiezang beginnen zogauw de priester de Gaven gaat uitdelen; daarna eventueel orgelspel; dan volgen niet direkt twee gezangen op elkaar. Een latijns motet bij de communie, in een voor het overige nederlandse dienst, kan op die plaats: mijn ervaring is, dat dat niet als storend wordt ervaren.

Veel succes bij het zoeken van geschikte meerstemmige muziek bij de communie: het bovenstaande kan U misschien toch hierbij van dienst zijn.