Het evangelielied

Binnen het geheel van de Schrift nemen de vier evangelies een bevoorrechte plaats in. Dat heeft tot gevolg dat ook in de viering van de liturgie de evangelielezing als een hoogtepunt geldt. Met name in meer feestelijke vieringen is dat duidelijk. Rond de voorlezing van het evangelie worden alle zintuigen gemobiliseerd, worden alle registers opengetrokken. Het rechtstaan van de gelovigen is hier niet minder welsprekend dan het gebruik van kaarsen en wierook. Het evangelieboek wordt aangedragen onder het zingen van het Alleluia, en in vele kerken wordt dit na beëindiging van de lezing omhoog geheven en klinkt er een acclamatie. Het geheel vormt een typisch katholieke manier van omgaan met het Boek en het daarin vervatte woord van de Heer.

Lees verder

Het koor en de vieringen van woord en gebed

Op de kontaktdag liturgie en kerkmuziek van een paar maanden geleden sprak ik een aantal ‘koormensen’ uit ons bisdom. Het ging onder andere over de rol van het koor bij andere vieringen dan de eucharistie. Een informatierondje gaf snel een beeld van de ontwikkelingen in de praktijk. Er zijn bijna geen koren meer die helemaal geen ervaring hebben met andersoortige liturgische vieringen.

Jubilate 26, 3 (september 1993)

Gerard Broekhuijsen

Nu maakt het echter wel verschil over welke situatie we spreken. De medewerking van een koor aan een boetedienst is geen enkel punt. Zo ook zingt men graag bij bijzondere gelegenheden als een dankdienst op oudjaarsavond of op de dodenherdenking van 4 mei. Maar een viering van woord en gebed die in de plaats komt van de zondagse eucharistieviering blijkt hier en daar problemen op te roepen. ‘Er zijn in ons koor een paar mensen die weg blijven als we dan moeten zingen. We spreken ze daar niet op aan. We laten het maar zo.’ Het is niet duidelijk wat de bezwaren van deze mensen precies zijn. Gaan ze ergens anders heen om de eucharistie te kunnen vieren? Blijven ze gewoon thuis omdat de kerk niet kan bieden waar ze op zondag om vragen? Of ergeren ze zich aan vieringen van woord en gebed waarin zomaar gewone gelovigen voorgaan, die niet het gezag en de deskundigheid hebben van de ambtsdragers?

Aan de manier waarop mensen erover praten, voel je dat het toch wat ergernis oproept. Je hoort bij een koor en dan heb je er maar te zijn op alle momenten dat dat koor zijn liturgische taak vervult. Aan de andere kant wil men de gevoeligheden van mensen respecteren. Als iemand zich nou werkelijk niet kan verenigen met de huidige ontwikkelingen, moet je dan eisen dat die persoon zich forceert? Hebben we allemaal niet wat moeite gehad met het feit dat op zondag af en toe de eucharistieviering moest vervallen? Moet je dan geen geduld hebben met degenen die er wat langer over doen om zich te verzoenen met de andere vormen? Het klinkt zo gemakkelijk: we kunnen toch samenkomen ook al is het vieren van de eucharistie niet mogelijk. De godsdienstige beleving van veel mensen is juist helemaal geworteld in dc eucharistie en vindt te weinig voedingsbodem in andere liturgische vormen.

Geen incidenten

De tijd is voorbij dat een viering van woord en gebed als een plotselinge noodoplossing voor de zaterdagavond of de zondag kon voorkomen. De verhalen zijn bekend over de priester die opeens uitviel en hoe de lector in overleg met de dirigent ervoor zorgde dat de verzamelde gelovigen niet naar huis hoefden worden gestuurd. In parochies waar mensen hun taak in de eucharistie al langer vervulden en waar men met elkaar overlegde over de liturgie, leverde het opvangen van een noodsituatie weinig problemen op. Heel anders lag het daar waar de priester alles tot in detail regelde en waar hij op zekere dag zijn vertrek aankondigde. Geen wonder dat daar de mensen in paniek raakten en zich afvroegen: hoe moet het verder met ons?

De liturgische vieringen worden steeds meer op regionaal niveau geregeld. Het vieren van de eucharistie op zondag is een groot goed voor de plaatselijke geloofsgemeenschap. De onderlinge solidariteit van de parochies laat niet toe dat de ene parochie wel heeft waar andere van verstoken blijft. Het tekort aan gewijde voorgangers tracht men zo eerlijk mogelijk te delen. Er wordt een schema gemaakt waarop eucharistievieringen en andere vieringen voor de kerken in de regio worden aangegeven. Nu zij structureel in het programma zijn opgenomen, kunnen ze ook tijdig worden voorbereid.

De rol van het koor

De aanwezigheid van het koor geeft meer kleur aan de liturgie. Dat geldt zeker voor de koren die in een goed samenspel met het volk de viering tot een gebeurtenis weten te maken. Vieringen van woord en gebed vormen daarop geen uitzondering. De werkgroep die een dergelijke viering moet voorbereiden is opgelucht als zij zich verzekerd weet van de medewerking van het koor. Het zou eigenlijk zo moeten zijn dat iemand namens het koor van het begin af aan betrokken is bij de voorbereiding van dc viering. Die persoon kan het groeiproces helemaal meemaken en vandaaruit de gezangen kiezen.

Wanneer het om een viering van woord en gebed op zaterdagavond of zondag gaat, zal men meestal de lezingen van het lectionarium willen aanhouden. Ook al kunnen we geen eucharistie vieren, de programmatische bezinning op de heilige Schrift gaat gewoon door. Zo wordt er geen breuk gemaakt in de liturgische periode waarin we ons bevinden. Zelfs de reeks zondagen door het jaar vertoont een onderlinge samenhang door de voortgaande lezing uit een van de evangeliën.

Het eigene

Er zijn gezangen die afgestemd zijn op de Schriftlezingen. De antwoordpsalm na de eerste lezing heeft een inhoudelijke band ermee. Dat betekent dat er een groot aantal van dergelijke psalmen zijn. Uit één psalm zijn vaak meerdere beurtzangen gedestilleerd die als antwoordpsalm kunnen fungeren. Je ziet dat bijvoorbeeld aan het Abdijboek, dc uitgave van de monniken waarin je de elementen voor een Nederlands gezongen koorgebed aantreft: de afdeling psalmen is dik, de afdeling beurtzangen is tweemaal zo dik.

Zelfs het ijverigste koor is niet in staat om alle antwoordpsalmen die het lectionarium ons aanbiedt op het repertoire te hebben. Ze zijn niet eens allemaal beschikbaar. En als ze dat wel zouden zijn, werd het volk horendol door al die verschillende gezangen waarop steeds weer eigen refreinen passen, die het volk moet zingen. Gelukkig is het ook mogelijk om de antwoordpsalm meer te koppelen aan de liturgische periode. Het boekje ‘Zet de zang in‘, uitgegeven door de NSGV, bevat veertien voorbeelden waarmee men het jaar rond kan gaan. Het is verstandig om langs de geleidelijke weg te bouwen aan inhoudelijke samenhang tussen het woord uit de Schrift en de gezongen reactie daarop.

Bij een viering van woord en gebed zou het koor van het begin af aan ‘de toon kunnen zetten’. Ik bedoel daarmee dat de opening niet de suggestie wekt dat het hier om een eucharistieviering gaat. Dat krijg je toch al gauw door openingslied, Heer ontferm U over ons en Eer aan God. Probeer bewust dat patroon te doorbreken.

De halleluia-acclamatie

Bij veel vieringen in onze kerken is deze acclamatie vóór het evangelie nog minder dan een ondergeschoven kind: zij wordt vaak gewoon weggelaten! Dat is toch wel heel jammer, want men laat dan de gelegenheid voor een waardevol liturgisch moment aan zich voorbijgaan, een moment waarop voor de deelnemers aan de viering zowel iets te zien, te horen, te ruiken als te doen valt. Zo’n uitgelezen kans voor een echt actieve deelname aan een viering zou je toch altijd moeten benutten.

Lees verder

Het openingslied

‘Een goed begin is het halve werk’, zegt een bekend spreekwoord. Dit is zeker ook van toepassing op het begin, de openingsritus, van een Eucharistieviering. De verzamelde gelovigen, van verschillende herkomsten met totaal verschillende achtergronden, dienen aan het begin van de viering een gemeenschap te gaan vormen, het volk Gods.

Lees verder

De geloofsbelijdenis: vreemd element of zinvol onderdeel?

Móet dat nou, na de preek zo’n loodzware tekst zeggen of zingen? Deze verzuchting zal ongetwijfeld regelmatig worden geslaakt door menig liturgist en kerkmusicus, verantwoordelijk voor de voorbereiding van een zinvolle en inspirerende zondagsviering.

Deze twijfel aan de zin van een officiële geloofsbelijdenis in de zondagse eucharistieviering leidt in verscheidene parochiekerken tot het eenvoudig weglaten ervan, de vervanging door een al dan niet strofisch ‘evangelielied’ of door een zelfgemaakte ‘geloofsverklaring’.

Alle reden om eens na te denken over functie en vormgeving van de geloofsbelijdenis in onze vieringen.Lees verder

Koor- en volkszang in woord- en gebedsdiensten

Inleiding gehouden door Gerard Broekhuijsen, op de Kontaktdag 6 maart 1993 te Roosendaal

Inleiding

Het gaat vandaag over zingen in woord- en gebedsdiensten. De ervaringen van u allen op dit terrein zullen heel verschillend zijn. Wellicht zijn er koorzangers bij die hun hele leven nooit in andere situaties hebben gezongen dan in eucharistievieringen.

Jubilate 26, 2 (mei 1993)

Gerard Broekhuijsen

Maar er zijn ook leden van kloostergemeenschappen aanwezig die vaker het getijdengebed zingen in de kapel dan dat zij zingen bij de eucharistie. Er zijn koren die al gewend zijn om ook andere vieringen dan de eucharistie mee te maken. Zij komen uit parochies waar niet meer altijd op zaterdagavond of zondag een mis is.

Het ziet er naar uit dat het aantal van deze parochies in de toekomst zal toenemen en dat er dus ook meer koren zullen worden geconfronteerd met een verbreding van hun taak. Het is dus goed om met elkaar te kijken wat dat voor de praktijk van een koor voor gevolgen heeft.

Koorzangers houden niet van lange verhalen. Zij luisteren liever naar muziekvoorbeelden dan naar beschouwingen. Daarom is er een grote rol toebedeeld aan de koorgroep o.l.v. Jozef Dekkers. Niet alleen om naar te luisteren overigens. De koorgroep fungeert als een aanjager voor ons allemaal, zodat we samen kunnen zingen zoals het behoort.

Samenkomen

Voor het voortbestaan van een plaatselijke geloofsgemeenschap is het belangrijk dat men blijft samenkomen.

Of negatief gezegd: een parochie die voor de liturgische vieringen en voor de bijeenkomsten op diakonaal en katechetisch vlak op anderen is aangewezen, zal na enige tijd verdwijnen. De kerk ter plaatse kan nooit alleen maar een administratieve aangelegenheid zijn waar geen levend gebeuren meer aan beantwoordt.

Het pastorale beleid is erop gericht dat zo lang mogelijk op zondag of zaterdagavond de eucharistie kan worden gevierd. Dat beantwoordt namelijk het duidelijkst aan de opdracht om de levende Heer Jezus Christus te gedenken en zijn paasmysterie te vieren. Mocht op een bepaald moment het vieren van de eucharistie niet mogelijk zijn dan wil dat nog niet zeggen dat we dan maar thuis moeten blijven. Andere vormen van liturgische samenkomsten kunnen dan in plaats van de eucharistie komen, zodat we de gedachtenis van de Heer levend houden in de gemeenschap door te luisteren naar zijn woord.

Daarnaast zijn er een aantal situaties waarbij een woord- en gebedsdienst niet zal plaatsvinden omdat er helaas geen eucharistie kan worden gevierd, maar omdat zo’n woord- of gebedsdienst beter beantwoordt aan de omstandigheden van dat moment. Zo is het een uitstekende gewoonte om het begin en het einde van de dag te heiligen met gebed. Daarvoor is een morgen- of avondgebed zinvoller dan een eucharistieviering. De avondwake voorafgaande aan de uitvaart is een betere vorm dan de avondmis. De bijzondere vieringen op weekdagen in de Veertigdagentijd ter voorbereiding op Pasen hebben vaak een andere vorm dan de gewone mis op een weekdag.

Bij deze liturgische vormen moet onmiddellijk worden opgemerkt dat ze zinvol blijven, ook als er een priester aanwezig is. De aanwezigheid van een priester wil niet zeggen dat er dan in elk geval eucharistie moet worden gevierd. Het enige dat je kunt zeggen dat de aanwezigheid van een priester op zaterdagavond of zondag de gelegenheid biedt om de eucharistie te vieren en dat er dan geen woord- en gebedsdienst in de plaats van de eucharistie komt. Zelfs niet om te oefenen… Het is beter om daar andere gelegenheden voor te zoeken. Of te kiezen voor een tijdstip dat er werkelijk geen priester is.

Onbekend

Voor veel mensen is het wennen. Woord- en gebedsdiensten zijn niet met gejuich ontvangen. Ook al herinnerden de ouderen zich rozenkransgebed, lof, aanbidding enzovoort. De laatste vijfentwintig jaar heeft alle nadruk gelegen op de eucharistieviering. Je kunt dat bijvoorbeeld afleiden uit de inhoud van veel zangbundels. Er staan psalmen in, maar de keuze en de vorm is vaak toegespitst op de antwoordpsalm van de eucharistieviering. Er staan gezangen in die bijna allemaal verwijzen naar de eucharistie. Verder geven ze vaak de orde van dienst van de eucharistieviering met de gebeden die daarin een vaste plaats hebben. Je zult tevergeefs zoeken naar psalmen die op een meditatieve wijze, over en weer gezongen kunnen worden of naar een lied in de morgen of avond.

De kerk mag dan in de officiële documenten belijden dat de Heer aanwezig is in de samengekomen gemeenschap en in het Woord van de Schrift, dat wil nog niet zeggen dat alle gelovigen dat werkelijk zo beleven. De vraag is dringend om dan toch tenminste te communie te mogen gaan. De aanwezigheid van de Heer in het teken van het eucharistisch brood wordt sterker ervaren dan in woord en samenkomst. Misschien komt dat omdat er veel langer en nadrukkelijker op gewezen is.

Koor

Het koor beschouw ik in een parochie als een soort liturgische werkgroep. Het heeft een liturgische taak. Vaak komt het koor elke week bij elkaar om te repeteren. Als je dat vergelijkt met avonden van werkgroepen, dan is dat een intensief programma. Nu is het zo dat koren niet alleen zingen, maar er wordt ook gepraat. Er is volop meningsvorming over allerlei zaken die de parochie betreffen, ook over de liturgie worden denkbeelden uitgewisseld.
De invloed van een koor in een parochie moet je niet onderschatten.

Ontwikkelingen in de liturgie waar het koor achter staat, hebben heel wat meer levenskansen dan ontwikkelingen waartegen het koor in verzet komt. Iedereen kent daar wel voorbeelden van. De negatieve verhalen over conflicten die de pan uitrezen zijn spannender dan de voorbeelden van koren die een gunstige invloed hadden op de nieuwe ontwikkelingen.

Er wordt van het koor het een en ander gevraagd. Wat ik daar straks van de zangbundels zei, geldt in het algemeen van het repertoire van het koor. Het is al jarenlang bijna uitsluitend op eucharistievieringen gericht.

Sommige gezangen passen niet in woord- en gebedsdiensten. Het Lam Gods bijvoorbeeld wordt gezongen bij het breken van het brood. Maar bij een communiedienst wordt het reeds gebroken brood gedeeld. Dus daar hoort het niet in. Het driemaal heilig is de acclamatie na de prefatie. Maar in een woord- en gebedsdienst is er geen eucharistisch gebed en dus ook geen prefatie.

Dat betekent niet dat het koor voor een ondankbare taak staat. Een liturgisch geëngageerd koor wordt zelfs aangetrokken door de taak om van een woord- en gebedsdienst een uitstekende viering te maken. Het is een uitdaging om te werken aan zo’n nieuwe vorm. Kunnen we erin slagen om het idee weg te nemen dat het hier gaat om een noodoplossing? En kunnen we er kwalitatief een liturgische gebeurtenis van maken die ook mensen met tegenzin over de drempel trekt? Een koor kan naast de enthousiaste werkgroep en naast de vrijwilliggers die leiding geven aan dergelijke vieringen een belangrijke factor zijn voor het slagen ervan.

Werkgroep en koor

In de dagelijkse praktijk heb ik vaker te maken met de liturgische werkgroepen die zich bekwamen op het gebied van woord- en gebedsdiensten dan met de koren. In sommige gevallen doen er mensen van het koor mee in de werkgroep en dat heeft zo zijn voordelen. Als dat niet het geval is probeer ik de werkgroep wat gevoelig te maken voor de situatie van een koor.

Het valt mij op dat er nogal eens huiver bestaat voor de houding van het koor. Men is soms bang om de medewerking van het koor te vragen voor de woord- en gebedsdienst. De veronderstelling leeft dat men daar niet positief tegenover staat. Ook al heeft men helemaal geen aanwijzingen hoe het koor zal reageren, ook ai is het in een parochie nog helemaal niet aan de orde geweest, men denkt dat het koor wel tegen zal zijn. De enige verklaring die ik daarvoor kan bedenken is dat men waarschijnlijk huiverig is voor de reacties van de parochie in het algemeen. Maar de parochianen komen verder niet zo vaak bij elkaar.

Het koor wel, en zoals gezegd er wordt niet alleen gezongen maar ook gepraat.

Jaren geleden al werd regelmatig aan jongerenkoren voorgesteld om eens in andere vieringen te zingen dan in de eucharistie. Dan zou men veel vrijer kunnen omspringen met liturgische vormen en de keuze van teksten. Dat riep ook weerstanden op, maar uit een heel andere hoek. Het jongerenkoor wilde de centrale plaats in het leven van de parochie, de eucharistieviering van zaterdagavond of zondag, niet verspelen.

De werkgroep zal moeten leren om rekening te houden met de mogelijkheden van een koor. Je kunt niet met een verlanglijstje met gezangen aankomen als er niet enkele repetities zijn om de zaken in te studeren of op te frissen. Verder wil een koor best dienstbaar zijn aan de volkszang, maar het moet ook de kans krijgen om echte koormuziek te zingen. Gelukkig verschijnen met de regelmaat van de klok composities die tegelijk recht doen aan koor en volkszang.

‘Gezegend hij die komt’: de kersttijd

25 december staat op de kerkelijke kalender te boek als de datum van het geboortefeest van onze Heer. Kerstmis zogezegd. Volgens het huidige missaal begint de viering van dit feest reeds in de avond van de 24e december met de vigiliemis van Kerstmis. “Heden nog zult gij weten dat de Heer ons komt redden, en morgen zult ge zijn heerlijkheid zien.” Aldus de openingstekst in het missaal, dat hier even vrijmoedig als trefzeker omgaat met de toezegging van Moses in Ex. 16, 6–7.

Jubilate 25, 3 (september 1992)

Cees Janssens

Kerstmis op 24 december? Steeds meer begint het er in onze streken op te lijken dat Kerstmis niet op 25 december maar op 24 december valt. Geen ontwikkeling in de goede richting. Wat te denken van een parochie met bijna een half dozijn nachtmissen op 24 december? Een parochie die op 25 december volstaat met een enkele viering waarbij het parochieblad laconiek aantekent: ‘geen intentie’. Wil de kerk zichzelf uit de markt prijzen? De uitholling van de christelijke feestdagen kunnen wij inderdaad maar het best zelf ter hand nemen! Er is niets tegen om de kerstviering in te zetten op de avond van 24 december. Een goed begin is nooit weg. Maar het feest mag niet opgaan in wat als het begin ervan is bedoeld.

‘Midden in de winternacht…’

Het missaal van 1970 heeft de aloude gewoonte van de drie missen met Kerstmis bewaard. Niet in de vorm van drie aaneengesloten vieringen zoals de ouderen onder ons dat hebben gekend, maar wel als markeringen van de tijd van samenkomst. Met alles wat daarmee gepaard gaat aan symboiiek en zeggingskracht. Nachtmis, dageraadsmis en dagmis.

Kerstmis staat en valt voor velen met de nachtmis. Alweer zo’n gegeven om zorgvuldig mee om te gaan. De nachtmis hoort in de nacht thuis en nergens anders. Wie van de nachtmis een avondmis maakt – om van erger niet te spreken – heeft niet begrepen waarom het gaat.

“In de omgeving bevonden zich herders die in het open veld gedurende de nacht hun kudde bewaakten” (Lk. 2,8). In de Schrift is dit ‘gedurende de nacht’ altijd een veelbetekenend gegeven. De liturgie is dezelfde overtuiging toegedaan. Zij weet waarom er gewaakt moet worden. Zoals in de 2e prefatie van de Advent: ‘opdat Hij ons zal vinden: wakend en biddend…’. Het is als een echo van het woord in Lk. 12,37: ‘Gelukkig de dienaars die de Heer bij zijn komst wakende zal vinden’. Over adventsspiritualiteit gesproken. ‘Midden in de winternacht ging de hemel open…’

Van Kerstmis naar Epiphanie

Er is een oude traditie die zegt dat de twaalf dagen tussen het feest van de Geboorte en dat van de Verschijning zeer heilig en geheimzinnig zijn. Een van de stukken van Shakespeare dankt er zijn naam aan: ‘Twelfth Night’. Ons beter bekend als ‘Driekoningenavond’. Feesten vragen tijd. De viering van het Kerstfeest vormt op deze regel geen uitzondering. Vandaar een gegeven als de Kersttijd in de liturgie. Een periode waarin wij voortdurend op een andere manier bezig blijven met hetzelfde gegeven: de komst van de Heer in ons midden.

Het octaaf van Kerstmis

Meer nog dan de huidige liturgische kalender kan een oude kalender uit Noord-Afrika ons duidelijk maken waarom het hier gaat. We lezen daar: 25 december; geboortedag van onze Heer Jezus Christus, de Zoon Gods; 26 december: geboortedag van de heilige Stefanus, de eerste martelaar; 27 december: geboortedag van de heilige Johannes de Doper, en van de apostel Jacobus die door Herodes werd gedood; 28 december: geboortedag van de heilige kinderen die door Herodes werden gedood.

Hier wordt het geboortefeest van de Heer in het juiste perspectief geplaatst. Zoals prof.Monnich het uitdrukt: “geboorte is niet leven en sterven, maar sterven en leven”. Wij kunnende Tweede Kerstdag, feest van de martelaar Stefanus, niet missen, willen wij de draagwijdte vatten van de Eerste Kerstdag. Stefanus mag dan ook niet achter de kerstboom verdwijnen. Warenhuizen en winkelbedrijven ruimen de kerstversiering onmiddellijk na de kerstdagen op. De commercie heeft geen weet van waarachtig vieren, haar is het slechts om de buit begonnen. Wij moeten ons daardoor niet op sleeptouw laten nemen. Voor de gelovigen begint het pas. Wij laten ook de kerststal voorlopig staan. AI was het maar om niet in verlegenheid te geraken wanneer de wijzen ons straks vragen: ‘Waar is de pasgeboren koning der Joden?’ (Mt. 2,2).

Oud en Nieuw

In 46 voor Christus heeft Gajus Julius Caesar het begin van het jaar van 1 maart verplaatst naar 1 januari. Tot in onze tijd zien we hoe allerlei motieven op deze dag, octaafdag van Kerstmis, zijn samengebraoht. De geboorte, de besnijdenis en de naamgeving van Jezus, het moederschap van Maria en het begin van het nieuwe jaar. Wie oog heeft voor de samenhang van al deze motieven kan ook liturgisch op 1 januari uit de voeten. Elk jaar geldt als een jaar van de Heer. leder weet wat bedoeld is met de uitdrukking Anno Domini 1992. Onze jaartelling zelf verwijst permanent naar de geboorte van Jezus Christus. Een goed voorbeeld van motiefcombinatie vinden we in het gebed over de offergaven van deze dag: ‘God, alle goed begint bij U en vindt in U zijn vervulling. Gij zijt in ons het werk begonnen met uw genade, wij vragen U, nu wij vol blijdschap de Moeder Gods gedenken: voltooi in ons het geluk waarvan Gij de oorsprong zijt.’

Openbaring des Heren

25 december en 6 januari vormen de twee brandpunten van de ellips die onze kerstviering is. Opnieuw blijkt hoeveel er rondom de komst van de Heer te overdenken en te vieren valt. Op 6 januari gaat het allereerst om de openbaring aan de heidenen, hoewel van oudsher op deze dag de aandacht ook uitgaat naar de Doop in de Jordaan en de bruiloft te Kana.

Wij spreken van Driekoningen, maar weten heel goed dat het niet om koningen maar om magiërs gaat, wijzen uit het oosten. Het getal drie? Het evangelie rept er niet over. En toch… De volksvroomheid heeft de boodschap van deze dag terdege begrepen. Goed dat we de kerststal hebben laten staan want daarin is het allemaal te zien. Drie koningen: een blanke, een gele en een zwarte. Drie koningen: de eerste als een bejaarde man met grijze haren, de tweede een figuur in de kracht van zijn leven, de derde als een jonge, nog baardeloze man. Hier kan geen predikant tegenop. De Messias van Israël is er inderdaad voor alle volkeren en voor alle leeftijden en voor alle geslachten, wie en waar en wat zij ook zijn.

Het feest van de Openbaring van de Heer verdient het royaal te worden gevierd. De commercie loopt ons hierbij niet voor de voeten, de kerk kan er zichzelf zijn met vergezichten die er zijn mogen.

Doop van de Heer

De zondag ná Driekoningen is gewijd aan het doopsel van de Heer in de Jordaan. Weer horen wij van een hemel die open gaat, boven het hoofd van de Zoon die ons geschonken is, de Veelgeliefde. Een uitgelezen zondag voor de bediening van de doop of voor een doopgedachtenis in de vorm van een besprenkeling met wijwater bij de aanvang van de dienst. Het mag er allemaal zijn, het missaal weet ervan mee te praten.

2 februari en 25 maart

De kerstviering heeft een soort open einde. Met de doop van de Heer wordt de kersttijd besloten, maar het feest van 2 februari laat zien dat dit niet de hele waarheid is, 25 maart bevestigt het op eigen wijze.

Beide feesten werden in het oude missaal als Maria-feesten beschouwd, tegenwoordig gelden zij allereerst als feesten van de Heer. Vandaar de nieuwe benamingen. Op 2 februari gaat het primair om de Opdracht van de Heer, op 25 maart richt de boodschap aan Maria onze aandacht naar de Aankondiging van de Heer.

In Vlaanderen krijgt het feest van 2 februari veelal de plaats die het toekomt. Moeders met kleine kinderen staan daarbij voorop. In Nederland zouden we desnoods de bejaarden centraal kunnen stellen. In het gezelschap van Simeon en Anna zijn ze in goed gezelschap. Als het feest maar gevierd wordt! Het gaat ook op deze dag om het komen van de Heer. “Let op, Hij komt… Maar wie kan de dag van zijn komst verdragen?” (Mal. 3, 1–4, eerste lezing).

25 maart vormt een hoofdstuk apart. Daar valt een boek over te schrijven. De datum van 25 maart houdt verband met de datum van 25 december: van de aankondiging van de geboorte tot de geboorte zelf tellen wij, zoals bekend, negen maanden. De betekenis van 25 maart reikt echter verder. De kortste en de langste dag, de dagen van de dag- en nachtevening zijn sinds mensenheugenis beleefd als heel bijzonder. Het zijn de scharnierpunten van het jaar. De liturgie verstaat de kunst om de kosmische tijd op te nemen in de viering van het heil. Vandaar 25 december als geboortefeest van de Heer, en 25 maart als de aankondiging van deze geboorte. De meest veelbetekende dagen van het jaar zijn gekoppeld aan de meest veelbetekende gebeurtenissen uit de geschiedenis van ons heil. Het kan daarom niet verbazen dat 25 maart werd gezien als de dag van de schepping, als de dag van het offer van Isaak, de dag van de uittocht van de lsraëlieten uit Egypte. In de christelijke traditie gold 25 maart wel als geboortedag van Jezus, als sterfdag van Jezus, als dag van zijn opstanding. De huidige liturgie houdt het bij de aankondiging van de Heer, Maria Boodschap.

“Hi1 die is en die was en die komt” (0penbaring 1, 8)

De feesten van 25 maart en 25 december gebruiken de kalender om het geloof tot uitdrukking te brengen. Het geloof dat de Heer één Heer is van de tijd. Het wordt met evenzoveel woorden uitgesproken bij het begin van de paaswake. De voorganger tekent de paaskaars met kruis en jaartal en zegt: Christus gisteren en heden – begin en einde – Alpha en Omega – Hem behoren tijd en eeuwigheid.

De liturgie van de Advent

‘Gezegend Hij Die Komt’

De feestkring rond Pasen heeft in de christelijke kerk de oudste rechten. En dat niet alleen, hij is ook van het grootste belang. Kerstmis moet het daartegen afleggen. De liturgische feestkring rond Kerstmis moet genoegen nemen met een tweede plaats. Daarmee wil niets gezegd zijn ten nadele van zoiets als een geboortefeest. Pasen is ook een geboortefeest. Daarbij gaat het om de Eerstgeborene uit de doden, de Eerstgeborene onder vele broeders en zusters. Het paasfeest was voor de eerste generaties van christenen geboortefeest genoeg. En de kerstviering is – het moge vreemd klinken – n[i]et allereerst geboorteviering.

Jubilate 25, 2 (mei 1992)

Cees Janssens

The Day of His Coming

Met Pasen gaat het om de Levende, de levende Heer. Met Kerstmis en alles wat daarbij hoort gaat het vooral om de Komende, de komende Heer. De geboorte van de Heer moet worden gezien in het perspectief van zijn komst. De Amerikaanse liturgist Thomas Talley typeert de kerstcyclus kort en krachtig als de viering van ‘The Day of His Coming’. In twee uitspraken kan de liturgie van de kersttijd worden getekend. Allereerst als vraag en verwachting: ‘Zijt Gij de Komende of hebben wij een ander te verwachten?’ Vervolgens als belijdenis en lofprijzing: ‘Gezegend Hij die komt in de naam des Heren’.

Een dubbel perspectief

De liturgie van de Advent is veel méer dan louter voorbereiding op Christus’ geboortefeest. Zij plaatst de eerste komst van de Heer in het brede verband van zijn verhoopte uiteindelijke komst. Geen tekst verwoordt dit dubbele perspectief beter dan de eerste prefatie van de Advent: ‘…zullen wij U danken, altijd en overal door Christus, onze Heer, die, toen Hij eertijds kwam, kwetsbaar en klein, het werk van uw genade heeft voltooid, en vlees geworden is en voor ons allen open heeft gedaan die deur naar een geluk dat eeuwig duurt, een land dat Hij beloofd heeft en ons geven zal: nu nog zien wij allen naar die toekomst uit, vol hoop en vastberaden; ooit zullen wij er binnengaan en wonen wanneer Hij komt in heerlijkheid… voorgoed.’ Een tekst waar een mens in de Advent mee uit de voeten kan.

In het getijdengebed van de eerste adventszondag krijgt de heilige Cyrillus, ooit bisschop van Jerusalem, het woord. Hij zegt: ’Wij verkondigen de komst van Christus. Niet alleen zijn eerste komst, maar ook de tweede, die veel heerlijker zal zijn dan de eerste.(…) Bij zijn eerste komst hebben wij geroepen: ‘Gezegend de Komende in de naam des Heren’, bij de tweede zullen wij weer hetzelfde roepen. Met de engelen zullen wij Hem tegemoet trekken, voor Hem knielen en roepen: ‘Gezegend de Komende in de naam des Heren’.

De liturgie van de Advent heeft een tweevoudig karakter. Oog daarvoor hebben is hier het begin van alle wijsheid. De liturgie maakt het ons daarbij niet moeilijk. Zij begint met het perspectief van de grote komst, Advent ten voeten uit. Pas in de periode van 17 tot 24 december wordt zij kerstvoorbereiding in de strikte zin van het woord, georiënteerd op ’s Heren eerste komst, zijn geboorte in de tijd.

De zondagen van de Advent

Vier zondagen telt de Advent, wie zou het niet weten. Wat ieder ook zou moeten weten is dat deze zondagen behoren tot de belangrijkste van het hele jaar. Deze zondagen zijn in de liturgie wat een voorrangswet is in het verkeer. Valt het feest van 8 december, Maria onbevlekt ontvangen, op zondag, dan wijkt niet de zondag maar de feestdag. Een aanwijzing voor hen die nader vorm geven aan de zondagsliturgie. Wanneer de kerk Advent viert dan willen wij dat weten, en dat is maar goed ook.

Het is boeiend om te zien hoe elk van de vier zondagen, ieder jaar weer, een eigen karakter heeft. Het leesrooster respecteert dat eigene wonderwel, of het nu gaat om de A-, de B- of de C-cyclus.

De eerste zondag staat altijd in het teken van de waakzaamheid: de Heer komt! Op de tweede zondag is het Johannes, de voorloper, die zijn oproep doet horen: ‘Bereidt de weg van de Heer’. Hij zegt het elk jaar anders, maar het is steeds hetzelfde appèl.

De derde zondag draagt de benaming Gaudete. De paarse kleur van de Advent kan op deze dag verschieten tot rozerood. Het is als een blos op het gelaat van de kerk bij het horen van het: ‘Verheugt u: de Heer is nabij’.

De vierde zondag tenslotte wijst ons op Jezus die geboren zal worden uit Maria. Ook deze zondag weet van geen wijken. Wanneer hij op 24 december valt dan is het niet de vigilie maar de zondag die het pleit wint. Deze vierde zondag van de Advent schenkt bijzondere aandacht aan de figuur van Maria, de moeder van de Heer. Op deze dag zou het Magnificat, de lofzang van Maria, in geen enkele dienst mogen ontbreken. Zelden is dit lied beter op zijn plaats. Een predikant die op deze zondag stilzwijgend voorbijgaat aan Maria verdient een onvoldoende op zijn rapport te krijgen.

De grote week van de Advent

Vanaf 17 december begint de liturgie de dagen te tellen. De eigenlijke kerstvoorbereiding is begonnen. De periode van 17 tot 24 december valt te beschouwen als de Grote Week van de Advent, te vergelijken met de Goede Week voorafgaande aan Pasen. Het is de tijd van de eigen misformulieren voor elke dag, de eigen lezingen ontleend aan het kindheidsevangelie van Matteus en Lukas. De tijd ook van de grote O-antifonen. Al meer dan duizend jaar staan deze messiaanse teksten als keervers bij het Magnificat in de vespers, het kerkelijk avondgebed. Sinds kort fungeren zij in aangepaste vorm ook als Alleluia-vers voor het evangelie in de eucharistieviering. Willem Barnard heeft verschillende keren geprobeerd deze oude Latijnse teksten in het Nederlands toegankelijk te maken. Met enig succes mogen we wel zeggen, Wat let ons deze woorden in de mond te nemen?

Koning der volken, heers alom
en, eerste van de aarde, kom!
Gij hoeksteen, maak ons samen één
verzamel allen om u heen!
O kom, ja kom, Emmanuel!
Verblijd uw volk, uw lsraël!

Het daget in het oosten

Wie heeft het daar over de adventskrans? Inderdaad, geen strikt liturgisch gegeven, maar daarom niet minder waardevol. De symboliek stamt af van onze germaanse voorouders. De groene takken spreken van hoop en leven, ‘ondanks winter, sneeuw en ijs’. het licht van de vier kaarsen, één voor één ontstoken vanuit een voortgaande verwachting, houdt een verwijzing in. ‘Het ware Licht, dat iedere mens verlicht, kwam in de wereld’ (Joh.1,9). de donkere dagen voor Kerstmis zijn niet donker voor hen die geloven. ‘Het daget in het oosten’.

Liturgische verkenningen: Vespervieringen

Onze zangbundels maken het ons niet gemakkelijk wanneer het gaat om de viering van de getijden, van lauden en vespers, van morgen- en avondgebed. Als kinderen van hun tijd dragen zij alle min of meer het stempel van de heersende eucharistische monocultuur. Met alle gevolgen vandien. Wil men in een parochie een liturgisch morgen- of avondgebed gaan praktiseren, dan kan men met de bestaande bundels met een beetje goede wil wel uit de voeten, maar daar blijft het dan ook bij. Zelfs met Gezangen voor Liturgie, de beste bundel tot nu toe, blijft het behelpen.

Jubilate 24, 2 (mei 1991)

Cees Janssens

Problemen zijn er om te worden opgelost. De volkswijsheid weet van een wil en een weg. Waar de wil aanwezig is laat de weg zich vinden, ook inzake de getijdenliturgie.

De lof van het licht

Een parochiële vesperviering vraagt om de nodige rituele elementen. Het verdient daarom aanbeveling zo’n viering te beginnen met een licht- en/of een wierookritus. De lichtritus kan vooral functioneren wanneer de viering wordt gehouden bij het invallen van de duisternis. Om te weten waarom het hier gaat vergelijke men het begin van de paaswake. Licht, wierook en Exsultet vormen daar samen een ritueel dat – in meer bescheiden vorm – ook bij het begin van een vesperviering kan worden gebruikt.

Wat het eucharistisch gebed is bij de viering van de eucharistie, wat de zegening over het water is bij het doopsel, dat is de dankzegging voor het licht bij het begin van de vespers.

‘Dit is de nacht waarvan geschreven staat: voor U is het donker niet duister, de nacht zo licht als de dag’, aldus de paasjubel die het Exsultet is. ‘Aanvaard dan, heilige Vader, in deze nacht de lofprijzing die de Kerk U bij dit licht als een avondoffer aanbiedt’ heet het vervolgens. Een vesperdienst kan op soortgelijke wijze beginnen.

‘Vriendelijk licht’

Het inmiddels verschenen nieuwe Getijdenboek, Gebeden voor elke Dag, kan ons goede diensten bewijzen wanneer wij de dankzegging voor het licht in de vorm van een hymne willen uitzingen. Niet alle in dit boek opgenomen teksten verdienen een schoonheidsprijs, maar er blijven er genoeg over die zeer wel bruikbaar zijn.

Vroeger wezen wij reeds op het aloude ’Vriendelijk licht’ in onberijmde (blz. 692) en berijmde vorm (blz, 699). Met muzieknotatie afgedrukt in Zingt Jubilate als nr. 801 en 803. Een tekst die het verdient ook in onze dagen tot klinken te worden gebracht.

In aansluiting bij deze of een andere hymne kan de dankzegging voor het licht nader worden vertolkt in een zegenbede, die een vast onderdeel van elke vesperviering kan vormen. Dat ontstaat het feest der herkenning. Goede liturgie kan er niet buiten.

Zo zou het kunnen

Bij wijze van voorbeeld drukken wij hier de tekst af van een dankzegging voor het licht. Een zegenbede in bijbelse zin, waarin de lof van het licht wordt bezongen.

Van de opgang der zon tot aan haar ondergang zij uw Naam geprezen, eeuwige God, schepper der wereld, bron van alle leven. Gij zijt het licht zelf en de duisternis is voor U niet donker. In het begin hebt Gij alles in het bestaan geroepen: hemel en aarde – zon, maan en sterren. Door uw woord laat Gij het licht wijken voor de duisternis en de duisternis voor het licht. Met uw zon verlicht Gij onze dagen, en – als een vuurzuil – zijt Gij ons licht in de nacht. In het ontoegankelijke licht is uw woning. Duister schijnt Gij ons toe, want onze ogen kunnen uw glans niet verdragen. Geen mens heeft U ooit gezien.

Wij danken U, dat Gij uit uw verborgenheid zijt getreden. Uw heerlijkheid en uw menslievendheid zijn ons verschenen in het gelaat van een mens: Jesus Messias. Licht uit Licht; licht dat de nacht verlicht door zelf op te branden; licht en leven voor de gehele wereld.

Wij smeken U, Vader, neem dit licht aan dat wij op deze avond vol vreugde en dankbaarheid hebben ontstoken. In dit licht mogen wij, als in een spiegel, uw eigen licht aanschouwen. Geef dat wij, wakend en slapend, Hem voor ogen houden: Jesus Christus. Laat ons van Hem licht ontvangen: de kracht tot overgave, de hoop op leven Laat ons dit licht doorgeven, en laat ons, de lampen brandend, uitzien naar de morgen van de dag, die geen avond kent. Dan zullen wij U zien, zoals Gij zijt, van aangezicht tot aangezicht. Dan brengen wij U, Vader, onze lofprijzing, door de Zoon in de Heilige Geest van eeuwigheid tot eeuwigheid.”

De voorganger zingt of zegt deze tekst. Op de scharniermomenten kan een acclamatie worden gezongen door allen. Is de dienst begonnen met ‘vriendelijk licht’ dan zou een van de strofen daarvan als acclamatie kunnen fungeren. De lichtritus wordt op deze manier een samenhangend geheel met een markant gezicht.

Voorbedelitanie

Een goed begin is het halve werk. Een goed einde is ook nooit weg. Daarom nog een opmerking over de voorbede, een onmisbaar element in een vesperviering. Her en der blijft het vaak sukkelen met de voorbede. Een aanwijzing. Houd de gebedsintenties kort en vooral ook concreet, maak gebruik van een gezongen gebedsrefrein en geef het geheel een litanie-achtig karakter. De voorbede is geen lezing, geen toespraak of preek, de voorbede is een gebed. Gebed van allen voor allen. Het nieuwe Getijdenboek kan ook hier goede diensten bewijzen. Een voorbeeld (blz. 1747):

“Wenden wij ons met een oprecht hart tot God die zorg draagt voor alle mensen en bidden wij: Heer, kom uw volk te hulp. Breng door toedoen van de kerk alle mensen tot eenheid.

Bescherm onze Paus Johannes Paulus
Zegen onze Bisschop Hubertus
Geef leiding aan de ambtsdragers van uw kerk.
Heilig allen die tot uw volk behoren.
Wijd uw aandacht en zorg aan de arbeiders.
Laat allen die rijk zijn, op de juiste wijze omgaan met hun bezit.
Help de zwakken.
Bevrijd de gevangenen. Behoed de wereld voor aardbevingen.
Bewaar ons voor een plotselinge dood.
Laat alle overledenen U zien van aangezicht tot aangezicht.”

Wie denkt dat hij het beter kan, hij ga zijn gang. Voor alle anderen geldt dat hier nog iets te leren valt.