In ecclesiis benedicite Domino: Graduale

In de vorige aflevering hebben we gezien dat er problemen kunnen ontstaan als (Gregoriaanse) koren iedere zon- en feestdag het Graduale zingen. De aard en de lengte van sommige Gradualia maken het de zangers lang niet altijd gemakkelijk. En zulke stukken moeten goed worden gezongen willen ze de kerkgangers blijven boeien. In het vorige artikel heb ik al een begin van een oplossing voor dit probleem gegeven, door op enkele Gradualia te wijzen die niet lang en niet zo moeilijk zijn. En vooral: de teksten van deze Gradualia zijn algemeen bruikbaar. Zie zo nodig naar de vertaling van deze zangstukken in het Gregoriaans Missaal.Lees verder

In ecclesiis benedicite Deo: het graduale

Antwoord van de gemeenschap op de eerste lezing

Het lijkt zonneklaar: voor iedere zon- of feestdag staat in het Graduale Romanum of in het Gregoriaans Missaal een antwoordgezang aangegeven: het Graduale. Dit gezang kan men inderdaad gebruiken. Deze Graduales behoren tot de mooiste Gregoriaanse composities die we kennen. En wie ze aankan, hij ga zijn gang. Een goed gezongen Graduale kan de kerkgangers aanzetten tot meditatief bezig zijn met dat wat in de lezing zojuist gehoord is. Antwoord geven op iets kan ook zonder woorden te spreken. Door n.l. in de geest (of: Geest) te beamen wat zojuist is voorgelezen.

Lees verder

In ecclesiis benedicte Deo (3)

Van Alleluia tot Halleloejah

Soms wordt je de vraag gesteld: “Hoe moeten we in de liturgie het woord Alleluia uitspreken?" Dat is een terechte vraag. Terecht ook, omdat het woord op verschillende wijzen geschreven wordt. Vandaar dat het dit keer gaat over: hoe schrijf je dat woord? En: hoe spreek je dat woord uit?

Fr. Nico Wesselingh o.s.b.

Jubilate 29, 3 (september 1996)

In de liturgie is de acclamatie Alleluia een vanuit de Bijbel overgenomen kreet. Er is dus geen sprake van een vinding van een of andere geleerde of musicus. Met name in de oosterse liturgie is het Alleluia al vanaf de eerste eeuwen bekend. Dat het in de westerse liturgie van veel latere datum is doet hier nu niet terzake. De betekenis van het woord is: Looft de Heer. Het woord is samengesteld uit de Hebreeuwse woorden Halleloe: dat ‘zingt’ betekent (Imperatief meervoud) en de afkorting van de Godsnaam: “Jah", dat dus staat voor Jaweh. Maar daarmee is nog weinig gezegd.

Onvertaald

Waarom is dit woord niet vertaald, en is het Hebreeuwse woord niet in iedere taal vervangen door een equivalent? Het woord Alleluia heeft in zijn Hebreeuwse klank iets zo compact, zo direct, dat pogingen tot invoeren van een vertaling mislukken. In het Nederlands zingen we in de veertigdagentijd in plaats van dat woord het drietal: Looft de Heer. Maar wie er gevoel voor heeft, zal merken dat die drie eenlettergrepige woorden niet de directheid en de eenheid hebben die het woord Alleluia heeft. In het Hebreeuws lijkt het erop, dat men de twee onderdelen van het woord heeft samengevoegd, maar door in de Hebreeuwse bijbels een kleine spatie tussen de twee lettergrepen te houden, duidelijk wil maken dat het een samengesteld woord is. De open klanken van Alleluia vragen ook eerder om zang dan onze Nederlandse vertaling. Samen met het woord ‘Amen’ is dit de enige roep, de enige acclamatie, die rechtstreeks vanuit het Hebreeuws in onze liturgie is opgenomen. Overigens is het woord ‘Amen’ een tijdlang door de Fransen als enigen wel vertaald: Ainsi soit-il! Ga dat maar eens zingen als acclamatie.

Anders geschreven

Maar het Hebreeuws werkt met heel andere lettertekens, dus moet er gezocht worden naar equivalente letters in de taal waarin de liturgische teksten geschreven stonden. In het Grieks was dat geen probleem. In het Latijn eigenlijk ook niet, maar men is hier verder gegaan. Men heeft niet het Hebreeuws als uitgangspunt genomen en dat zo goed mogelijk fonetisch overgezet. Want het Latijn had iets waar het slecht mee uit de weg kon: de geaspireerde ‘A’ aan het begin.

Spraakgebrek

De Romeinen (die bepalend waren voor de Latijnse taal) leken een beetje op West-Vlamingen. Beide konden/kunnen de ‘H’ niet uitspreken. Daar hoef je een volk of bevolkingsgroep niet op aan te kijken. Ieder mens leert de taal aan zoals hij die hoort. Zo neemt hij ook de hebbelijkheden en onhebbelijkheden van zijn moedertaal over. Waar het dus het meest normaal was geweest aan die ‘A’ een ‘H’ te laten voorafgaan, liet men gewoon die aspiratie, dat aanblazen, vallen. Ook de ‘H’ aan het einde verdween. Die konden ze nog minder uitspreken. Men paste aldus het woord aan aan het eigen spraakgebrek.

Augustinus

Het was in de oudheid al bekend, dat de Romeinen niet met de ‘H’ overweg konden. Sint Augustinus, die een tijd in Italië heeft geleefd, had het duidelijk gemerkt, en in een preek steekt hij lichtelijk de draak met de Romeinen om hun spraakgebrek. Dat ‘spotten met’ is nu nog zo. De zachte ‘G’ van ons Brabanders (is dat eigenlijk wel een spraakgebrek?) is nogal eens reden tot spot voor mensen die van boven de rivieren komen. En onder de oorlog werd vaak het wachtwoord ‘Scheveningen’ gebruikt om eventuele Duitse infiltranten te ontmaskeren. Want die ‘Sch’ is voor Duitsers niet uit te spreken.

Nederlands

Maar hoe zit dat bi] ons met de schrijfwijze van het Alleluia? Aangezien bi] ons dat woord vroeger uitsluitend in de Latijnse liturgie gebruikt werd, was er geen reden om het anders te schrijven. Maar nu we dat woord in de landstaal-liturgie gebruiken, moeten we toch eigenlijk niet de Romeinse onvolkomenheden overnemen. Officieel is daarover nooit een standpunt bepaald bi] mijn weten, maar we zien bij voorbeeld in GvL gewoonlijk het woord als volgt gespeld: Halleluia. En dat lijkt me een betere schrijfwijze.

Zo wordt aan de geaspireerde ‘A’ recht gedaan. Wie goed naar Israëlische liederen luistert kan telkens weer die wat scherpe aspiratieklank horen. De Hebreeuwse ‘H’ is veel zwaarder dan onze ‘H’, gaat bijna naar een ‘G’ toe. Heeft een keelklank. De ‘H’ aan het einde wordt door bijna iedereen verwaarloosd. We weten er waarschijnlijk weinig mee te doen.

De uitgang van het woord wordt dus gewoonlijk niet meer geschreven met een ‘i’, maar met een ‘j’. En dat komt, dacht ik, wél overeen met een officiële afspraak. Schreef ik tot nu toe in dit artikel het woord op de Latijnse wijze, vanaf nu schrijf ik het zoals het in onze liturgie gebruikelijk is. Halleluia.

Overigens: de Godsnaam worden we geacht niet meer uit te spreken, maar de Joden hoorden in de uitgang van het Halleluja niets anders dan de Godsnaam. Het was een veelgebruikte afkorting. Denk maar eens aan de honderden namen in het Oude Testament die eindigen op ‘ia’: Jesaja, Elia, Obadja, Abia, Benaja enz. In de naamsverklaringen, die in de Bijbel vaak bij zulke namen voorkomen, wordt altijd verwezen naar de God van Israël. Merk op hoe de schrijfwijze, die ik hier overneem uit onze KBS-Bijbel, niet uniform is. De ene keer eindigt de naam op ‘ia’ en de andere keer op ‘ja’. Achter de ‘i’ zou eigenlijk nog een ‘i’ moeten staan.

Uitspraak

Hiermee is al heel wat gezegd over de uitspraak. Natuurlijk: het woord Halleluia is in zijn schrijfwijze vernederlandst, maar in de uitspraak moeten we toch zoveel mogelijk het Hebreeuwse karakter en de Hebreeuwse klank van dit woord respecteren.

Daarom de volgende aanwijzingen:

  1. De ‘H’ aan het begin moet niet worden weggedrukt. Zonder overdrijven moet de aanvangsletter te horen zijn.
  2. De afbreking van dit woord in het Nederlands is Ha-le-lu-ja (of is dat sinds kort ook veranderd?). Het Hebreeuwse woord ‘Hallel’ heeft het accent op de laatste lettergreep. Dat klinkt dus als Halleel. Het afbreekstreepje lijkt niet op de juiste plaats te staan, maar de klank (zoals in ‘lees’) blijft gelukkig wel correct.
  3. De klinker ‘u’ is een zaak apart. Onze reformatorische broeders en zusters zingen daar al eeuwen de klank van het woord muur. Maar ook dat lijkt me een teveel aan vernederlandsing. De klinker ‘u’ van muur is in het Hebreeuws een onbekende klank. Mogelijk zou hier de spelling ‘Halleloejah’ juister zijn, maar die is ongebruikelijk en je krijgt het er waarschijnlijk niet in. Misschien mogen we de reformatorische uitspraak wel aanhouden, als we spreken over de Halleluja, het onvolprezen hoedje van het Leger des Heils. En in de catholica het woord reserveren voor dat merkwaardige kledingstuk, dat vroeger in veel sacristieën hing, om een priester van ‘clergy-man’ om te toveren tot iemand die een soutane leek te dragen.
  4. De laatste lettergreep ‘ja’ is niet de onbelangrijkste lettergreep van het woord. In onze taal, evenals in het Latijn, ligt het accent op de derde lettergreep. Maar in het Hebreeuws ligt, vooral bij namen, het accent op de laatste lettergreep: Hallelujá. In het geval van dit samengestelde woord lijkt het erop, dat er twee accenten na elkaar komen: Hallelóejá. Hoewel het Latijn geen accent op de laatste lettergreep van het woord kende, heeft het Gregoriaans een wondere mengeling van melodiën waarbij dan weer de voorlaatste en dan weer de laatste lettergreep van ons woord de meeste aandacht krijgt. Denk maar aan de jubilus op deze laatste lettergreep in de Gregoriaanse Halleluja’s. Het was de Godsnaam, de jubel die men aan God wilde brengen, die hier inspireerde tot grote melismen. In sommige oude liturgieën bestond het voorschrift, dat de jubilus minimaal een kwartier moest duren. Daarmee werd het eindeloze van het hemelse vreugden geaccentueerd. Dus: de slotlettergreep niet als onbelangrijk uitvoeren.

Alles overziende moeten we zeggen, dat we de Latijnse schrijfwijze niet in onze taal adviseren, dat het Halleluja beter is, maar dat de volledige juiste schrijfwijze is… Halleloejah.

Een volgende keer gaan we het hebben over de acclamaties tussen de lezingen van de Eucharistie. Dit alvast als preludium, of, als u een minder muzikale term wilt gebruiken, als ‘Hors d’oeuvre’. Laten we in de liturgie (meer) gebruik maken van de twee woorden die in alle landen en talen gemeenschappelijk zijn aan Joden en aan alle kerken. Zo wordt ook de oecumene gediend.

‘Toen de dag van Pinksteren aanbrak’

Symbolen van de Geest

In het tweede hoofdstuk van de Handelingen van de Apostelen vertelt Lukas ons het verhaal van de nederdaling van de Heilige Geest “toen de dag van Pinksteren aanbrak” (Hand.2,1). Hij vertelt dat er plotseling uit de hemel een gedruis kwam alsof er een hevige wind opstak (vers 2). Hij vertelt ook dat aan de leerlingen iets verscheen dat op vuur geleek. In tongen verdeeld zette het zich neer op ieder van hen (vers 3). De betekenis van deze verschijnselen komt in vers 4 ter sprake: “zij werden allen vervuld van de heilige Geest”. Het verhaal is bekend. Wij horen het ieder jaar opnieuw in de liturgie van Pinksteren.

Cees Janssens

Jubilate 29, 2 (mei 1996)

Als een duif

In de loop der eeuwen is het verhaal van Pinksteren ontelbare malen uitgebeeld. In miniaturen, op schilderijen, ikonen, glasramen etc. Vaak zien wij op deze afbeeldingen dat de kunstenaar heel vrij omgaat met de tekst van de Handelingen. Het verhaal spreekt over het komen van de Geest met behulp van beelden als gedruis, wind, tongen en vuur. De kunstenaar gaat dikwijls een stap verder en beeldt de Geest zelf af, in de gedaante van een duif.

Iets waarover de tekst van de Handelingen in alle talen zwijgt. De vindplaats van deze toevoeging hoeven wij niet ver te zoeken. De kunst speelt leentjebuur bij een ander bijbelverhaal, dat van het doopsel van Jesus in de Jordaan. Dezelfde Lukas die het pinksterverhaal schreef, zegt in zijn doopverhaal dat “de heilige Geest in lichamelijke gedaante als een duif” over Jesus neerdaalde (Lk. 3, 22). Bij de andere evangelisten treffen wij een soortgelijke notitie aan (Mt. 3, I6; Mk. 1, l0; joh. 1, 32).

Herkomst onbekend

In de christelijke kunst van het Westen is de uitbeelding van de Geest in de gedaante van een duif klassiek geworden. Wij weten niet beter of het hoort zo. Vanzelfsprekend is deze uitbeelding echter allerminst. Hoe kwam men er toe zich de Geest voor te stellen als een duif? Tot op de dag van vandaag moeten wij het antwoord op deze vraag schuldig blijven. Wij zijn aangewezen op vermoedens, theorieën en hypothesen. Zo wijst men wel naar het scheppingsverhaal. Daar lezen wij in Gen. 1, 2 dat “de geest van God zweefde boven de wateren”. Een oude joodse traditie tekent daarbij aan: “zoals een vogel boven zijn nest zweeft”. Nu is een duif wel een vogel, maar niet elke vogel is een duif, zodat deze verwijzing ons niet veel verder brengt.

Elementen als symbool

De christelijke traditie is rijk aan symbolen waarmee zij de Geest aanduidt. Deze veelheid wekt op het eerste gezicht de indruk een nogal willekeurig samenraapsel te zijn. Dat is echter niet zo. De meest gebruikte symbolen hebben rechtstreeks te maken met de elementen die de mens in vroeger eeuw beschouwde als de bouwstenen van de werkelijkheid waarin hij leefde. Het gaat daarbij om vier elementen: aarde, lucht, water en vuur. De mens weet zich gevormd uit stof, van de aarde genomen, zoals het te lezen staat in Gen. 2, 7a. Dat betekent: mens en aarde worden ten nauwste met elkaar verbonden. De menselijke werkelijkheid is allereerst een aardse werkelijkheid.

Aarde en lucht

Daarmee is de mens echter onvoldoende getekend. Hij is meer dan louter aarde. Nadat God de mens had geboetseerd blies Hij hem de levensadem in de neus: werd de mens een levend wezen (Gen. 2, 7b).

Levensadem, één van de vele vormen waarin het element lucht zich aan ons voordoet. Een eerste symbool van de geest (met een kleine letter) en van Geest (met een hoofdletter). De Geest die levend maakt. Met de woorden van de geloofsbelijdenis: “de heilige Geest, die Heer is en het leven geeft". Talloos zijn de teksten over de Geest die spreken vanuit dit perspectief. In het vierde evangelie de uitspraak van Jesus: “De wind blaast waarheen hij wil; gij hoort wel zijn gesuis, maar weet niet waar hi] vandaan komt en waar hi] heengaat. Zo is het met ieder die geboren is uit het blazen van de Geest” (Joh. 3, 8). In datzelfde vierde evangelie horen wij over Jesus dat Hij over zijn leerlingen blies en zei: ontvangt de heilige Geest (Joh. 20, 22). Wanneer wij in het Pinksterverhaal horen van “een gedruis alsof er een hevige wind opstak” (Hand. 2, 2) gaat het om dezelfde symboliek.

Water…

Vier elementen. Eén daarvan karakteriseert de mens in zijn aardsheid. De overige drie: lucht, water en vuur, gelden daarentegen als symbolen van de Geest. De Geest die niet van deze aarde stamt, maar van Godswege tot haar komt. De Geest die weldadig op de aarde inwerkt opdat zij niet dor en droog, niet koud en kil blijft, maar lééft. Ook in het element van het water ziet de traditie een symbool van de Geest. “Als iemand dorst heeft”, zo horen wij Jesus zeggen, “hij kome tot Mij; wie in Mij gelooft. hij drinke! Zoals de Schrift zegt: Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien. Hiermee doelde Hij op de Geest…” (Joh. 7, 37–39). Van de stervende Jesus zegt het evangelie: “Hij boog het hoofd en gaf de geest” (Joh. 19, 30), hier ook te verstaan als: Hij gaf de Geest (met een hoofdletter). Wanneer een van de soldaten vervolgens zijn zijde met een lans doorsteekt komt er bloed en water uit (Joh. 19, 34). Water als symbool van de Geest. Nog een verwijzing. Waar in het eucharistisch gebed wordt gevraagd om de komst van de Geest over de gaven van brood en wijn wordt soms ook het beeld van het water gebezigd, in een van zijn tederste vormen: “Heilig dan deze gaven met de dauw van uw heilige Geest…” (Euch. Gebed 11c)

…En vuur

Over het vierde element, het vuur, behoeven wij niet uit te weiden. Het vuur als symbool van de Geest is ons vertrouwd. Het pinksterverhaal maakt er ook melding van: “Er verscheen hun iets dat op vuur geleek en zich, in tongen verdeeld, op ieder van hen neerzette. Zij werden allen vervuld van de heilige Geest” (Hand. 2, 3–4). In de viering van de eucharistie klinkt regelmatig de bede: “Raak ons met het vuur van uw Geest en breng ons elkaar nabij" (Euch. Gebed V). En om nooit te vergeten is er de vermaning van Paulus: “Blus de Geest niet uit” (1 Thess. 5, 19).

Water en vuur

Zij gelden bij ons als een tegenstelling: water en vuur. In het domein van de symboliek is daarvan geen sprake. Om de werking van de Geest aan te duiden kunnen water en vuur samengaan. De Byzantijnse liturgie kent een ritueel waarin dit samengaan heel plastisch wordt uitgedrukt. Voordat de gelovigen naderen om te communiceren giet de priester heet water in de kelk. Daarbij spreekt hij de woorden: “Gloed van geloof, vol van heilige Geest”.

Wanneer het gaat om symbolen van de Geest zijn wij rijker dan menigeen denkt.

In ecclesiis benedicite Deo (2)

Over acclamaties

In de voorgaande aflevering hebben we de Opening van de Eucharistie met Gregoriaanse gezangen bezien, en wat daarbij aan acclamaties aan de orde kan komen. We stellen ons voor, dat er een kruisteken is gemaakt en een groet is gezongen en op beide een antwoord is gegeven. De kop is er dus af. Wat staat ons nu te doen?Lees verder

De Sint-Gummarusmis

Onlangs verscheen bij Muziekuitgeverij Annie Bank de Sint Gummarus-mis van Flip Veldmans. De redaktie van Jubilate vroeg mij een stukje te schrijven over deze mis.

Flip Veldmans, werkzaam als organist en dirigent in de Sint Gummaruskerk te Steenbergen, geeft in de partituur de volgende verschillende uitvoeringsmogelijkheden aan:

I : éénstemmig koor (cantor), volk en orgel,
II : twee gelijke stemmen SA of TB, volk en orgel,
III : drie ongelijke stemmen: SAB, volk en orgel.Lees verder

De paaskaars

In het vierde evangelie getuigt Jezus van zichzelf: “Ik ben het licht der wereld. Wie mij volgt dwaalt niet rond in de duisternis, maar zal het licht des levens bezitten” (Joh. 8, 12). Alles wat zich in de nacht van Pasen in onze liturgische viering rond de paaskaars afspeelt kan worden beschouwd als een poging dit evangeliewoord te verbeelden.

Cees Janssens

Jubilate 29, 1 (januari 1996)

In het nachtelijk duister wordt een kaars ontstoken. Deze kaars wordt vervolgens plechtig de donkere kerkruimte binnengedragen. Tot driemaal toe klinkt, als een geloofsbelijdenis, de roep ‘Licht van Christus’. De aanwezigen antwoorden ‘Heer, wij danken U’ en ontsteken hun eigen kleine kaarsen aan het licht van de paaskaars. Aansluitend wordt het Exsultet aangeheven waarin de diepzinnige betekenis van deze nacht en deze kaars wordt bezongen.

En hoe! In de zangwijs van het Exsultet overtreft het gregoriaans bijna zichzelf.

Symbool van de verrezen Heer

De viering van de paasnacht is het hart van het paastriduum, de driedaagse waarin het lijden, de dood en de verrijzenis van Christus worden gevierd. De paaskaars nu heeft alles te maken met deze verrijzenis. Wij zeggen daarom: de paaskaars is het symbool van de verrezen Heer. Vandaar ook de benaming paaskaars. Vandaar de rol die deze kaars speelt in de liturgie van de vijftigdagen, de paastijd. Vandaar ook de aanwijzing van de jongste liturgiehervorming om de paaskaars gedurende de rest van het jaar een plaats te geven in de nabijheid van de doopvont. Vandaar ook een soortgelijke aanwijzing de paaskaars goed zichtbaar op te stellen tijdens de viering van de uitvaart.

De bedoeling van dit alles laat zich gemakkelijk raden. Het gaat er om de samenhang te verduidelijken tussen het levenslot van de gelovigen en dat van hun Heer. De christen is geroepen te delen in de dood én in de verrijzenis van Christus.

Tijdens de paaswake zelf wordt deze samenhang op rituele wijze tot uitdrukking gebracht bij de zegening van het doopwater. De
voorganger dompelt de paaskaars in het water terwijl hij bidt: “Wij vragen U: laat door uw Zoon de levenskracht van de Heilige Geest als een storm over dit water gaan, zodat allen die door het doopsel samen met Christus zijn begraven, ook met Hem uit het graf zullen opstaan en leven”.

De paaskaars speelt een belangrijke rol in de liturgie van de paasnacht, een echte hoofdrol is voor haar echter niet weggelegd. Die blijft voorbehouden aan de lezing van de Schriften en de viering van de grote sacramenten: doopsel en eucharistie. De paaskaars is van een andere orde. Geen sacrament in de strikte zin van het woord. Wel een soort halfzusje, een sacramentale.

De zegening van het licht

De kerk heeft een tijd gekend dat zij de paaswake vierde zonder paaskaars. In de liturgie van de stad Rome heeft het zelfs tot ver in de middeleeuwen geduurd voordat de paaskaars er haar intrede deed. De praktijk als zodanig, een lichtritus bij het invallen van de duisternis, stamt uit de joodse wereld. Zij is daar tot op de huidige dag bewaard gebleven.

Met name in het ritueel waarmee op vrijdagavond de sabbat wordt verwelkomd. De tafel is gedekt en midden op tafel staan de kandelaars met de sabbatkaarsen. Het is de taak van de vrouw des huizes deze kaarsen aan te steken en de bijbehorende zegenbede uit te spreken: “Geloofd zijt Gij, Eeuwige onze God, Koning der wereld…”.

De christenen kenden al heel vroeg een soortgelijk ritueel bij het begin van de dagelijkse vesperviering, de avonddienst. De aanvang van onze huidige paaswake is er een overblijfsel van. Extra plechtig en feestelijk, maar in wezen identiek aan de oude praktijk van joden en christenen. Het licht wordt ontstoken – ‘Lumen Christi’ – en na bijbehorende zegening van het licht wordt aangeheven: ‘Exsultet iam angelica turba caelorum…’. Om beter recht te doen aan de betekenis van de paaskaars als symbool van de verrezen Heer zouden wij de tekst van dit Exsultet nader moeten bezien. In dit verband een onmogelijke opgave. Jammer.

Een vraag en een antwoord

Het oudste ons bekende bericht over de lichtceremonie van de paaskaars is interessant genoeg om hier te worden vermeld. Het gaat om een brief uit het jaar 384, door de diaken Praesidius van Piacenza gericht aan de heilige Hieronymus met het verzoek een lofzang op de paaskaars voor hem te schrijven, een ‘laus cerei’. Hieronymus wijst het verzoek af. De reden? Hij staat wantrouwend tegenover een dergelijke lofzang en is beducht voor heidense woordenkramerij die de christen niet past. Dan is er nog een tweede reden. Christenen zouden geen gebruik moeten maken van kaarsen. Dat riekt eveneens naar heidense praktijken. Het Oude Testament, aldus Hieronymus, vermeldt wel olielampen maar geen kaarsen voor de dienst in de tempel, en in het Nieuwe Testament is ook slechts sprake van lampen. Daar kon onze goede diaken het mee doen.

Licht van Christus

Wij leven niet meer in de tijd van Hieronymus. Zijn bekommernis om een authentiek christelijke liturgie is echter ook de onze. De kaars als liturgisch attribuut is inmiddels gekerstend. Kaarsen zijn niet meer uit onze liturgie weg te denken. Als symbool van de verrezen Heer is de paaskaars daarin veelbetekenend aanwezig.

“Het licht van Christus’ glorievolle verrijzenis moge uit ons hart: en onze geest de duisternis verdrijven”.

In ecclesiis benedicite Deo: acclamaties bij de intrede

Verheerlijkt God in uw samenkomsten. Ps. 67, vs. 27

Bedoeling

Onder deze titel zal in de komende nummers van Jubilate telkens een aflevering verschijnen over acclamaties in de Latijnse liturgie. Steeds komen één of meerdere acclamaties aan de beurt in de volgorde waarin ze in de Eucharistie optreden. Met voorbeelden erbij hopen we de koren en andere liturgische werkers wat op weg te helpen, om het onderdeel acclamaties wat in te voeren, te vernieuwen of aan te passen.Lees verder

De adventskrans

Een krans van dennegroen, daarop vier witte kaarsen. een paars lint waaraan het geheel wordt opgehangen: ziedaar onze adventskrans. In de weken voor Kerstmis in menige kerk een vertrouwd gegeven. Een geliefd gegeven ook, zoals de Advent zelf veel gelovigen bijzonder dierbaar is.

Cees Janssens

Jubilate 18, 3 (september 1995)

Tweevoudig karakter

In de advent gaan godsdienstige motieven en natuursymboliek hand in hand. De combinatie van deze twee elementen bepaalt in hoge mate de aantrekkelijkheid en de charme van deze periode. De kerk ziet uit naar de komst van haar Heer en zij bereidt zich voor op de viering van zijn geboortefeest. Tegelijkertijd zien wij in de donkere dagen voor Kerstmis uit naar de terugkeer van het licht, het moment waarop de dagen weer gaan lengen. De adventskrans deelt in het tweevoudige karakter van de advent. Hij helpt ons op de hem eigen manier toe te leven naar het geboortefeest van onze Heer. Hij helpt ons ook de donkere dagen voor Kerstmis door te komen. In beide gevallen speelt het licht een beslissende rol, al dan niet geschreven met een hoofdletter.

Herkomst van de adventskrans

In onze katholieke wereld is de adventskrans een betrekkelijk recent verschijnsel. Alles lijkt er op te wijzen dat hij pas na de tweede wereldoorlog bij ons echt zijn intrede deed. Zelf is de adventskrans trouwens ook nog betrekkelijk jong. Voorzover bekend waren het Duitse protestanten die in 1839 in Hamburg voor de eerste keer een adventskrans ophingen. Die krans bestond toen uit een grote, houten ring waarop drieëntwintig kaarsen waren geplaatst, één voor elke dag van de advent van dat ]aar. Pas later, in 1860. begon men de krans met dennetakken te versieren, waardoor hij een soort halfbroertje werd van de reeds lang ingeburgerde kerstboom.

Vier, vijf, zes…

Het aantal kaarsen op de adventskrans werd al gauw teruggebracht tot vier. Speelden practische motieven daarbij een rol? Feit is dat op deze manier de vier zondagen, respectievelijk de vier weken van de advent sterker werden benadrukt. Vier kaarsen, het is tot op de dag van vandaag het gebruikelijke aantal. Maar het kan ook anders. Zo zijn er adventskransen bekend waarop vijf kaarsen zijn geplaatst. Dit aantal houdt verband met de vijf wijze maagden, de vijf verstandige bruidsmeisjes uit het evangelie, die midden in de nacht de komende Bruidegom met hun brandende lampen tegemoet gaan (vgl. Mt. 25, 1–13).

In 1987 publiceerde het tijdschrift Continuo de ‘Zang van het komende licht’, een lied van Jan Duin en Richard Bot, bedoeld niet alleen voor de advent, maar ook voor Kerstmis en Driekoningen. De komst van het licht, gevierd in zijn volle liturgische breedte. In de toelichting bij dit lied staat te lezen: “Een krans met zes lichtende kaarsen: die staat de redactie van Continuo voor ogen. Een krans, waarop iedere zondag van de advent en op Kerstmis en Driekoningen een nieuwe kaars wordt ontstoken.”

Licht als symbool

In de liturgie van de kerk speelt het licht op tal van manieren een rol. Niet alleen in de advent, maar het hele jaar door. Hoe kan het anders waar het bestaan van de mens wordt getekend door de afwisseling van licht en donker, door de opeenvolging van dag en nacht. De adventskrans met zijn lichten vormt aldus bezien slechts de zoveelste variatie op een thema dat onuitputtelijk blijft. Het heil dat God voor ons bereidt komt ter sprake in termen van licht.

Het één voor één ontsteken van de kaarsen van de adventskrans vraagt om enig ritueel, waarbij de betekenis van dit licht tot uitdrukking wordt gebracht. De liturgie van de advent en de kersttijd biedt een overvloed aan teksten die daarbij hulp kunnen bieden. “De Heer zal komen en al zijn heiligen met Hem en op die dag zal een groot licht verschijnen” (vgl. Zach. 14, 5 en 7). “Het volk dat in het donker wandelt ziet een groot licht” (Jes. 9, 1). “Sta op. laat het licht u beschijnen, Jerusalem, want de Zon gaat over u op” (Jes. 60, 1).

Licht fascineert, zeker het levende licht van kaarsvlammen. Dat vormt wel de verklaring van het feit dat in een land als Australië, waar Kerstmis midden in de zomer valt, geen advent denkbaar is zonder Candle-Light-Singing.

Groen, paars en wit

Het dennegroen waarmee de adventskrans wordt versierd is, net als de spar die als kerstboom fungeert, van huisuit een verlegenheidsoplossing. Midden in de winter biedt de natuur ons weinig andere mogelijkheden. Wij moeten er bi] de adventskrans niet teveel achter zoeken. De symboliek van leven-dat- niet-vergaat speelt bij het groen van de adventskrans hoogstens op de achtergrond een rol.

Anders is het met de kleur van het lint waarmee de krans wordt omwonden of waaraan hi] wordt opgehangen. De advent vraagt om paars. Blijft de krans ook met Kerstmis nog hangen dan wijkt het paars voor het wit van dc kersttijd. Wit! Rood is hier liturgisch gesproken uit den boze.

Zang van het komende licht

Het boven genoemde lied van Jan Duin en Richard Bot zouden we niet uit het oog mogen verliezen. Het kan ons goede diensten bewijzen. Of men nu een krans met vier of met zes kaarsen heeft, dit lied kan ons helpen te verstaan waarom het gaat in advent en kersttijd. “Sla uw ogen op naar het licht – daar de Heer.”

Vier evangelie-liederen

Naar aanleiding van een artikel van Cees Janssens in ons blad Jubilate van september 1994 met als titel ‘Een Evangelielied’, is mij gevraagd of ik 4 Evangelieliederen wilde uitzoeken: twee voor de 40 dagen- en twee voor de paastijd. Ik heb toen ons onvolprezen Doneksysteem geraadpleegd en aangezien wij momenteel in het C-jaar leven heb ik daarop gezocht.Lees verder