Liturgische verkenningen: Vespervieringen

Onze zangbundels maken het ons niet gemakkelijk wanneer het gaat om de viering van de getijden, van lauden en vespers, van morgen- en avondgebed. Als kinderen van hun tijd dragen zij alle min of meer het stempel van de heersende eucharistische monocultuur. Met alle gevolgen vandien. Wil men in een parochie een liturgisch morgen- of avondgebed gaan praktiseren, dan kan men met de bestaande bundels met een beetje goede wil wel uit de voeten, maar daar blijft het dan ook bij. Zelfs met Gezangen voor Liturgie, de beste bundel tot nu toe, blijft het behelpen.

Jubilate 24, 2 (mei 1991)

Cees Janssens

Problemen zijn er om te worden opgelost. De volkswijsheid weet van een wil en een weg. Waar de wil aanwezig is laat de weg zich vinden, ook inzake de getijdenliturgie.

De lof van het licht

Een parochiële vesperviering vraagt om de nodige rituele elementen. Het verdient daarom aanbeveling zo’n viering te beginnen met een licht- en/of een wierookritus. De lichtritus kan vooral functioneren wanneer de viering wordt gehouden bij het invallen van de duisternis. Om te weten waarom het hier gaat vergelijke men het begin van de paaswake. Licht, wierook en Exsultet vormen daar samen een ritueel dat – in meer bescheiden vorm – ook bij het begin van een vesperviering kan worden gebruikt.

Wat het eucharistisch gebed is bij de viering van de eucharistie, wat de zegening over het water is bij het doopsel, dat is de dankzegging voor het licht bij het begin van de vespers.

‘Dit is de nacht waarvan geschreven staat: voor U is het donker niet duister, de nacht zo licht als de dag’, aldus de paasjubel die het Exsultet is. ‘Aanvaard dan, heilige Vader, in deze nacht de lofprijzing die de Kerk U bij dit licht als een avondoffer aanbiedt’ heet het vervolgens. Een vesperdienst kan op soortgelijke wijze beginnen.

‘Vriendelijk licht’

Het inmiddels verschenen nieuwe Getijdenboek, Gebeden voor elke Dag, kan ons goede diensten bewijzen wanneer wij de dankzegging voor het licht in de vorm van een hymne willen uitzingen. Niet alle in dit boek opgenomen teksten verdienen een schoonheidsprijs, maar er blijven er genoeg over die zeer wel bruikbaar zijn.

Vroeger wezen wij reeds op het aloude ’Vriendelijk licht’ in onberijmde (blz. 692) en berijmde vorm (blz, 699). Met muzieknotatie afgedrukt in Zingt Jubilate als nr. 801 en 803. Een tekst die het verdient ook in onze dagen tot klinken te worden gebracht.

In aansluiting bij deze of een andere hymne kan de dankzegging voor het licht nader worden vertolkt in een zegenbede, die een vast onderdeel van elke vesperviering kan vormen. Dat ontstaat het feest der herkenning. Goede liturgie kan er niet buiten.

Zo zou het kunnen

Bij wijze van voorbeeld drukken wij hier de tekst af van een dankzegging voor het licht. Een zegenbede in bijbelse zin, waarin de lof van het licht wordt bezongen.

Van de opgang der zon tot aan haar ondergang zij uw Naam geprezen, eeuwige God, schepper der wereld, bron van alle leven. Gij zijt het licht zelf en de duisternis is voor U niet donker. In het begin hebt Gij alles in het bestaan geroepen: hemel en aarde – zon, maan en sterren. Door uw woord laat Gij het licht wijken voor de duisternis en de duisternis voor het licht. Met uw zon verlicht Gij onze dagen, en – als een vuurzuil – zijt Gij ons licht in de nacht. In het ontoegankelijke licht is uw woning. Duister schijnt Gij ons toe, want onze ogen kunnen uw glans niet verdragen. Geen mens heeft U ooit gezien.

Wij danken U, dat Gij uit uw verborgenheid zijt getreden. Uw heerlijkheid en uw menslievendheid zijn ons verschenen in het gelaat van een mens: Jesus Messias. Licht uit Licht; licht dat de nacht verlicht door zelf op te branden; licht en leven voor de gehele wereld.

Wij smeken U, Vader, neem dit licht aan dat wij op deze avond vol vreugde en dankbaarheid hebben ontstoken. In dit licht mogen wij, als in een spiegel, uw eigen licht aanschouwen. Geef dat wij, wakend en slapend, Hem voor ogen houden: Jesus Christus. Laat ons van Hem licht ontvangen: de kracht tot overgave, de hoop op leven Laat ons dit licht doorgeven, en laat ons, de lampen brandend, uitzien naar de morgen van de dag, die geen avond kent. Dan zullen wij U zien, zoals Gij zijt, van aangezicht tot aangezicht. Dan brengen wij U, Vader, onze lofprijzing, door de Zoon in de Heilige Geest van eeuwigheid tot eeuwigheid.”

De voorganger zingt of zegt deze tekst. Op de scharniermomenten kan een acclamatie worden gezongen door allen. Is de dienst begonnen met ‘vriendelijk licht’ dan zou een van de strofen daarvan als acclamatie kunnen fungeren. De lichtritus wordt op deze manier een samenhangend geheel met een markant gezicht.

Voorbedelitanie

Een goed begin is het halve werk. Een goed einde is ook nooit weg. Daarom nog een opmerking over de voorbede, een onmisbaar element in een vesperviering. Her en der blijft het vaak sukkelen met de voorbede. Een aanwijzing. Houd de gebedsintenties kort en vooral ook concreet, maak gebruik van een gezongen gebedsrefrein en geef het geheel een litanie-achtig karakter. De voorbede is geen lezing, geen toespraak of preek, de voorbede is een gebed. Gebed van allen voor allen. Het nieuwe Getijdenboek kan ook hier goede diensten bewijzen. Een voorbeeld (blz. 1747):

“Wenden wij ons met een oprecht hart tot God die zorg draagt voor alle mensen en bidden wij: Heer, kom uw volk te hulp. Breng door toedoen van de kerk alle mensen tot eenheid.

Bescherm onze Paus Johannes Paulus
Zegen onze Bisschop Hubertus
Geef leiding aan de ambtsdragers van uw kerk.
Heilig allen die tot uw volk behoren.
Wijd uw aandacht en zorg aan de arbeiders.
Laat allen die rijk zijn, op de juiste wijze omgaan met hun bezit.
Help de zwakken.
Bevrijd de gevangenen. Behoed de wereld voor aardbevingen.
Bewaar ons voor een plotselinge dood.
Laat alle overledenen U zien van aangezicht tot aangezicht.”

Wie denkt dat hij het beter kan, hij ga zijn gang. Voor alle anderen geldt dat hier nog iets te leren valt.

Liturgische verkenningen: het vieren van de vespers

Bij de viering van een vesperdienst zijn de licht- en wierookritus, de psalmodie en de voorbede van oudsher de dragende elementen. Men zou er ook vandaag de dag mee kunnen volstaan. Muzikaal zijn er dan volop mogelijkheden er een dienst van te maken die klinkt als een klok. In de loop van de tijden zien wij echter dat men aan deze basisgegevens nieuwe elementen toevoegt. Elementen die mede het gezicht van de vesper zijn gaan bepalen. Daarbij gaat het – afgezien van de lezing uit de Schrift, dat is een hoofdstuk apart – met name om de lofzang van Maria, het Magnificat, en om het gebed des Heren, het Onze Vader.

Jubilate 24, 1 (januari 1991)

Cees Janssens

Lezing van de Schrift

Naast het zingen uit de Schrift door middel van de psalmodie, heeft ook het lezen uit de Schrift een vaste plaats in de avonddienst zoals die vanouds werd gevierd. In de ene kerk deed men het zus, in de andere zo, maar altijd vanuit de overtuiging dat de Schrift ook in een gebedsdienst niet mocht ontbreken. Opvallend daarbij is dat de Schriftlezing als regel een tamelijk bescheiden plaats inneemt, uitzonderingen daargelaten. Het accent ligt in de gebedsdienst die de vesperviering is, nu eenmaal anders. Voor de praktijk betekent dit dat men met één enkele, doorgaans vrij korte lezing zal volstaan. Daarna volgt een moment van stille overweging of een antwoordgezang. Of allebei. Iemand kan ook een korte overweging uitspreken in aansluiting bij de Schrifttekst die werd gelezen. Ook hier houde men maat. Het mag geen preekdienst worden. De vespers moeten hun karakter van de gebedsdienst bewaren. Het woord functioneert er primair in de gestalte van het ant-woord. De psalmist gaat ons daarin voor, wanneer hij belijdt: ‘Uw woord is een lamp voor mijn voeten, het is een licht op mijn pad’ (ps. 119 (118), 105).

De lofzang van Maria

“Het is een goede gewoonte om iedere dag in de vespers samen de lofzang van Maria te zingen”. Deze woorden zouden in onze dagen gesproken kunnen zijn. Bijvoorbeeld door een Benedictijn van Oosterhout of een Trappist van Zundert. In hun abdijen wordt tot op de dag van vandaag het magnificat dagelijks aangeheven in de avonddienst. De uitspraak stamt echter al uit het begin van de achtste eeuw. Zij is te vinden in een van de preken van Beda, bijgenaamd de Eerbiedwaardige. Een tijdgenoot en een medebroeder van Sint Willibrord. We komen zijn woorden ieder jaar tegen in de getijden van het feest van Maria Visitatie, het feest van het bezoek van Maria aan haar nicht Elisabeth.

Beda spreekt van ‘een gewoonte’. Dat klopt, Zeker wanneer we bedenken dat Benedictus, de vader van het monnikendom in het Westen, er al over spreekt in zijn beroemde regel. Dat wil zeggen in de eerste helft van de zesde eeuw. Ook bij hem heeft deze lofzang zijn vaste plaats in de avonddienst. Op grond van allerlei historische gegevens mogen wij er vanuit gaan dat Benedictus hiermee niets nieuws invoerde. Ook bij hem gaat het al om ‘een gewoonte’. Een goede gewoonte. Het Magnificat is zoiets als een verdwaalde psalm. In zo’n geval spreken we van een cantium, een kantiek, een lofzang. De tekst van deze lofzang is afkomstig uit het Nieuwe Testament, en wel uit het evangelie: Lk.I, 46–55. Dat verklaart waarom deze lofzang staande wordt gezongen, zoals wij ook de evangelielezing in de eucharistieviering staande beluisteren. Over een goede gewoonte gesproken! Deze zelfde herkomst maakt ook duidelijk waarom tijdens de zang van het Magnificat wierook wordt gebrand. Het is bij het evangelie in een plechtige eucharistie niet anders. Allemaal goede en zinvolle gewoonten waarvoor wij ons ook in de twintigste eeuw niet behoeven te schamen.

Wie op zoek is naar een organische plaats voor de viering van de Moeder Gods in de liturgie moet toch eens heel goed naar het Magnificat kijken. De lof van God zingen met de woorden die Maria in de mond worden gelegd, is een vorm van heiligenverering, waarop mogelijke critiek geen vat heeft. We moesten het maar doen, met een dankbaar hart, elke dag opnieuw, wanneer de avond valt. “…omdat aan mij zijn wonderwerken deed Die machtig is, en heilig is zijn Naam” (Lk.I, 49).

Het Gebed des Heren

Aan het slot van de vespers neemt het Onze Vader een geheel eigen plaats in. Een ereplaats. Geen wonder, het is het gebed dat Jesus zelf ons heeft geleerd (vgl. Mt 6, 9–13; Lk.II, 2–4). Toch hebben wij hier met een nog nieuw gebruik van doen in de romeinse liturgie. Een nieuw gebruik dat teruggrijpt op een oude traditie. Pas sinds het Tweede Vaticaans Concilie sluiten wij de Vespers af met het gezamenlijk zingen van het Onze Vader. Maar al in 517 spreekt de synode van Gerona over het Onze Vader als afsluiting van de morgen- en avonddienst.

Er bestaat een oude traditie die wil dat de christen drie maal per dag het Onze Vader bidt. Daaraan ligt de joodse gewoonte ten grondslag om even zo vele keren het ‘Sjema Israel’ te reciteren: ‘Hoor, Israel, de Eeuwige is onze God, de Eeuwige is Een’ (Deut. 6, 5). De christelijke kerk heeft deze gewoonte in gewijzigde vorm overgenomen. Al in het begin van de tweede eeuw worden de christenen er door de zogenaamde Didachè, het Onderwijs van de Twaalf Apostelen, op gewezen dat zij niet moeten bidden als de schijnheiligen, maar zoals de Heer het heeft bevolen zijn evangelie. Dan volgt de tekst van het Onze Vader, waarna we horen: ‘Driemaal per dag moet gij zo bidden’.

De jongste liturgische vernieuwing heeft deze aanwijzing ter harte genomen. Het gevolg daarvan is dat wij nu ook in de liturgie het Onze Vader drie keer per dag tegenkomen: in de eucharistie als voorbereiding op de communie en aan het slot van de morgen- en de avonddienst. Het oudchristelijk gebruik om dit gebed driemaal per dag te verrichten herleeft aldus in onze tijd.

‘Leer ons bidden’

Vespers vieren is een vorm van samen bidden. Bidden is een kunst. Zoals elke kunst moet deze kunst Worden geleerd. ‘Heer, leer ons bidden’ (Lk.II, 1). Wij leren deze kunst niet alleen in de liturgie, maar ook binnen de ruimte van het persoonlijke bestaan. Vespers of geen vespers. We zouden het voor ons gezegd kunnen houden: ‘Driemaal per dag moet gij zo bidden’. Met minder kan een christen niet toe.

Liturgische verkenningen: hoe vespers te vieren

Eeuwenlang was het zowel in de kerken van het oosten als in die van het westen gebruikelijk dat priesters en gelovigen twee keer per dag samenkwamen om te bidden. Men deed dat aan het begin van de dag, alvorens aan het werk te gaan; men kwam opnieuw samen aan het einde van de dag, wanneer het werk gedaan was. Dag in dag uit vierde men aldus gezamenlijk een morgen- en een avonddienst. De aansporing van Sint Paulus: ‘Bidt zonder ophouden’ (1 Thess. 5, 17) was niet aan dovemansoren gericht. Evenmin als dat andere woord: ‘volhardt in het gebed en de dankzegging’ (Kol, 4,2).

Jubilate 23, 3 (september 1990)

Cees Janssens

Augustinus vertelt in zijn commentaar op psalm 49 over het voornemen van een van zijn parochianen, gemaakt naar aanleiding van vers 14: ‘Brengt God het offer van uw lof’. ‘Iedere dag maak ik mij op om ter kerke te gaan en daar de morgen lof en de avondhymne te zingen. Thuis voeg ik daar nog een derde en een vierde lofzang aan toe. Zo breng ik iedere dag een offer van lof dat ik opdraag aan mijn God’ (Enarr.in.ps. 49,3). Uitstekend, aldus Augustinus, mits het leven in overeenstemming is met het lied.

Het is boeiend om te zien hoe het er in de verschillende kerken bij deze vieringen toeging. Het kan ons oriëntatie bieden bij het zoeken naar een goede vormgeving van dergelijke diensten in onze eigen praktijk. Drie componenten vragen hierbij onze bijzondere aandacht.

Licht en wierook

Allereerst wijzen we op de bijbelse achtergrond van deze diensten. Een achtergrond die rechtstreeks van invloed is geweest op de rituele gestalte ervan. In het boek Exodus is in hoofdstuk 30 sprake van het reukofferaltaar. In dat verband wordt onder meer gezegd: ‘Aaron moet er welriekende wierook op branden, iedere morgen als hij de lampen in orde brengt, en tegen de avond als hij de lampen aansteekt. Dit is het dagelijks reukoffer voor JHWH’ (vers 7–8).

Dit voorschrift uit de joodse tempelliturgie verklaart waarom de christelijke vesperviering zoveel aandacht schenkt aan het ontsteken van het licht en het daarmee gepaard gaande branden van wierook. In oost en west komen we deze riten in allerlei variaties telkens weer tegen. Bij het invallen van de duisternis wordt het licht ontstoken en daarbij wordt een zegenbede uitgesproken. Dat wil zeggen: God wordt gezegend, geprezen en gedankt als de oorsprong van alle licht. Het licht van deze schepping: zon en maan, én het Licht van deze wereld dat Jesus Christus is.

De opstijgende wierook is de rituele uitbeelding van wat in woorden naar God toe wordt uitgesproken.

Wie in een vesperviering voor deze rituele elementen van licht en wierook een passende vorm weet te vinden staat in de lijn van de beste traditie.

De avondpsalm

Een tweede element van groot belang in de vespers: de psalmodie. In kathedralen en parochiekerken gaat men wat de psalmen betreft een eigen weg. Anders dan in de kloosters gebruikelijk werd volstond men hier bij de avonddienst als regel met één psalm. Een avondpsalm. Men koos een psalm of een gedeelte daarvan met het oog op het eigen karakter van deze avonddienst. Een enkel toepasselijk vers kon daarbij de doorslag geven. Zo viel de keuze wel ooit op psalm 55 (54), vooral omwille van vers 17–18: ‘Mijn klacht in de avond…’. Ook de verzen 105 tot 112 uit psalm 119 (118) fungeerden soms als avondpsalm ‘Uw woord is een lamp voor mijn voeten, het is een licht op mijn pad’.

Een psalm echter geniet de absolute voorkeur, altijd en overal. Dat is psalm 141 (140). Dat kan nauwelijks verbazen na hetgeen we hebben gezegd over de betekenis van licht en wierook in de vespers. ‘Heer, ik roep U aan, kom mij toch helpen, luister naar mijn stem als ik U roep. Laat mijn bidden tot U opstijgen als wierook, mijn geheven handen U een avondoffer zijn’ (vers 1–2).

Deze voorkeur werd niet alleen ingegeven door de vermelding van wierook en avondoffer in deze psalm. Ook de betekenis van deze riten speelde daarbij een rol. Een betekenis die men kende vanuit het Oude Testament. Wierook, wierookoffer en avondoffer liggen hier op hetzelfde vlak. Daarbij zijn verzoening en vergeving in het geding. Wierook wordt in de Schrift ook in verband gebracht met verzoening. Het wierookoffer speelt een rol op de Grote Verzoendag. Bij wijze van uitzondering werd het wierookvat op die dag zelfs binnen het heilige der heiligen gebracht (Lev. 16, 12–13).

De voorbije dag overziende, een dag met licht- maar ook met schaduwkanten, nemen de gelovigen deze psalm in de mond als een uiting van berouw en een bede om vergeving. Christenen hebben altijd geweten dat zij niet kunnen bogen op eigen voortreffelijkheid. Zij weten zich aangewezen op de barmhartigheid van hun God.

Wie een vesperviering opzet doet er goed aan zorgvuldig te bezien welke psalm het meest recht doet aan het eigen karakter van deze samenkomst.

Voorbede

Een derde belangrijk element van een vesperviering is de voorbede. Daar hoeven wij niet over uit te weiden. Wanneer gelovigen samenkomen breekt altijd het moment aan waarop de lofprijzing van God overgaat in de voorbede voor alle mensen. De liefde tot God is ons gegeven als voornaamste en eerste gebod. Het tweede is daarmee gelijkwaardig: ‘Gij zult uw naaste beminnen als u zelf’. Zie Mt. 22, 36–40. Voorbede is de liturgische vertaling van deze opdracht.

Wanneer wij vespers vieren mogen wij niet stilzwijgend voorbijgaan aan de noden van onze wereld en de zorgen van hen die haar bewonen.

Liturgische verkenningen: Vespers vieren

Een gebedsdienst met een eigen naam, dat moet wel iets bijzonders zijn. Met die naam beginnen voor menigeen tegelijk de problemen. Is het nou eigenlijk vesper of vespers? Hoe zit het met de benaming vesperdienst? En met vesperviering? Heeft het allemaal niet iets met kloosters te maken? Op deze laatste vraag is het antwoord nog het gemakkelijkst. Dat antwoord luidt ‘nee’, inzoverre kloosters hier bepaald niet het alleenvertoningsrecht bezitten. En zij hebben de vespers ook niet uitgevonden zoals menigeen denkt. Het is eerder andersom. In kathedralen en kerken werden al verspers gevierd voordat de kloosters waren uitgevonden. In Engeland kun je zien dat vespers nog steeds in kathedralen en kerken worden gevierd, eeuwen nadat de kloosters daar weer zijn afgeschaft. De Evensong behoort in de Anglicaanse kerk tot de gewone praktijk van een parochie. Hoewel, ook daar blijft de praktijk wel eens achter bij de theorie.

Jubilate 23, 2 (mei 1990)

Cees Janssens

Maar nu ter zake. Vespers vieren. Waar gaat het dan om? Een vesperdienst is niet zomaar een dienst. Wij spreken in de liturgie van een vesperdienst wanneer het gaat om een gebedssamenkomst aan het einde van de dag. Twee elementen spelen daarbij een rol: het gebed en de avond. Een vesperdienst is een gebed in de avond, een avondgebed.

De term gebed wordt hier gebruikt in de toegespitste betekenis van het woord waarover wij in een vorige bijdrage hebben geschreven. Een avondmis noemen wij daarom geen vesperdienst of avondgebed. Een uitgesproken woord-dienst kan evenmin als avond-gebed worden beschouwd, ook al wordt hij in de avond gehouden.

What is in a name?

Het is niet denkbeeldig dat deze of gene bij dit alles de schouders ophaalt. Waarom weer zo moeilijk doen? Een dergelijke reactie is wel begrijpelijk maar niet terecht. Wie niet weet waar het bij de verschillende liturgische vormen om gaat is als een gastheer die mensen uitnodigt voor een diner om ze vervolgens een ontbijt voor te zetten. Bij een vesperviering is het precies om de combinatie van avond en gebed begonnen. Daarin onderscheidt een vesperdienst zich van alle mogelijke andere liturgische vieringen. Deze combinatie bepaalt dan ook de eigen kleur en de eigen sfeer van zo’n avondgebed. ’s Morgens valt het licht anders dan ’s avonds. ’s Morgens zijn wij zelf anders dan ’s avonds, en dat geldt niet alleen voor de maandagmorgen…

Een vesperdienst verdient ten volle de naam avondgebed wanneer de avond en het gebed beide de hun toekomende aandacht krijgen. Bij het vallen van de avond wordt God geprezen voor het licht van de voorbije dag. Bij het vallen van de avond bidden de gelovigen dat God hun zijn licht niet zal onthouden in de komende nacht.

Een vorm van liturgie

Een vesperviering is een vorm van liturgie. Dat betekent dat de liturgische spelregels niet buiten spel worden geplaatst. Wat altijd en overal van belang is, is ook hier van belang. Er moet een goede orde van dienst zijn. De verdeling van de verschillende rollen dient tot zijn recht te komen. Niet iedereen gaat immers voor, niet iedereen zingt voor, niet iedereen bespeelt het orgel. En ook: niemand doet dit alles tegelijk. Er zullen verder ogenblikken zijn waarop wordt gezongen én er zullen momenten zijn waarop wordt gezwegen. Een spelregel waaraan zelfs de hemelse liturgie zich niet onttrekt. ‘En toen het Lam het zevende zegel opende, werd het stil in de hemel, wel een half uur lang…’ (Openb. 8.1). Symbolen en riten verdienen aparte aandacht voor de mensen van vlees en bloed die wij zijn. Tijd en ruimte doen zich gelden en vragen erkenning. Liturgie voltrekt zich niet in ijle, onbestemde verten. Liturgie wordt altijd hier en nu gevierd, in deze kerkruimte, op dit moment.

Avond-gebed

Zoals gezegd: het avond-uur is een van de karakteristieke elementen van een vesperdienst. Daarmee is de tijdsdimensie van deze vorm van liturgie echter nog niet volledig aangeduid. De ene dag is de andere niet. Zo is ook de ene avond de andere niet. In de joodse paasliturgie wordt de vraag gesteld: ‘Waarom is deze avond anders dan andere avonden?’. De vraag zou elke avond opnieuw gesteld kunnen worden.

Vesperdiensten vormen een steeds wisselend onderdeel van het getijdengebed, dat op zijn beurt deelt in de wisseling van de liturgische seizoenen. De vijftigdaagse paasviering is daarvan het centrum en het hoogtepunt. In onze kring leeft vaak nauwelijks nog het besef dat ook de tijd een geschenk is van God en dat Hij omwiile van deze tijd gezegend en geprezen wil zijn. Het joodse avondgebed kan ons nog iets leren. “Geprezen de Eeuwige, onze God, Schepper van dag en nacht, die het licht laat wijken voor de duisternis en de duisternis voor het licht. Die de dag voorbij laat gaan en de nacht doet komen. Die onderscheid maakt tussen dag en nacht. Geprezen de Eeuwige, die het avond laat worden.”

Vespers vieren in Goes

Elders in deze aflevering van Jubilate doet Eef Heyblok een voorstel voor een vesperviering op een van de zondagen van de Vijftigdagen, zondag Jubilate. Wie met het idee avond-gebed dit concept plus de bijbehorende inleiding beziet, moet kunnen gaan vermoeden waarom het hier is begonnen.

Vriendelijk licht

Een kleine notitie tot besluit. De genoemde orde van dienst vermeldt als avondlied nr. 570 uit de bundel Gezangen voor Liturgie. Een tekst afgedrukt onder de titel Vriendelijk Licht. Dit opschrift is ontleend aan de beroemde avondhymne uit de oude kerk, die met deze woorden begint: ‘Phoos hilaron’, ‘vriendelijk licht’. Dit lied is mijns inziens ten onrechte niet opgenomen in Gezangen voor Liturgie.

In het Vlaamse Zingt Jubilate heefi het wel een plaats gekregen (nr. 801), in een toonzetting van Ignace de Sutter. Geen betere omschrijving van een vesperdienst, een liturgisch avondgebed, dan deze regels, tot ons gekomen van eeuwen her:

De zon gaat dalen
en wij schouwen ’t avondlicht;
wij zingen Vader, Zoon en Geest het heilig loflied toe:
eer zij God!

Het Danklied van Maria

Van oudsher kent de katholieke koortraditie de gewoonte elke avond de vesperdienst af te sluiten met het Magnificat, het danklied van Maria. Maria reflekteert hierin op Gods grote wonderwerken aan haar verricht, zij mediteert over wat haar zomaar overkomen is en ze doet dat in een uitbundig danklied dat weinig oorspronkelijks heeft, maar veeleer een aaneenreiging is van psalm- en andere teksten uit het oude testament die spreken van bevrijding en uitredding.

Jubilate 22, 2 (mei 1989)

br. Willibrord van Rijnsoever

Voor wie goed leest is dit danklied één schreeuw om verlossing en bevrijding, een strijdlied voor allen die hunkeren naar bevrijding en redding uit onderdrukking en machteloosheid. Het is het lied van de ‘anawim’, de mensen die ‘niks voorstellen’, die geen macht, geen geld, geen aanzien hebben, de naamlozen, zoals we die ook steeds meer tegenkomen in onze welvaartsmaatschappij.

Het is daarom niet verwonderlijk dat dit lied het lijflied begint te worden van allen die opkomen voor het recht van de armen en kleinen, de ontrechten in zovele landen waar onderdrukking en uitbuiting hoogtij vieren. De boeren in Zuid Amerika, de zwarten in Zuid Afrika geeft het hoop dat het ongelooflijke toch gaat gebeuren, dat uiteindelijk de machtigen van hun troon gestoten worden, dat bezitters, zij die rijk zitten te zijn, naar huis gaan met lege handen. Voor veel vrouwen is deze hymne een bemoediging en een uitdaging om door te gaan en voor hun rechtmatige rechten op te blijven komen; een lied van het kaliber van Hanna, Debora, Judith en Esther, allemaal vrouwen die door God werden uitgekozen voor een uitzonderlijke opdracht binnen hun volk; een lied dat laat zien hoe groot God is. God is mijn redder. De kleinen en geringen, de armen en ontrechten worden door God niet vergeten: “op mijn klein leven heeft Hij neergezien, op mij, niets dan zijn dienstmaagd”. Dit danklied van Maria laat duidelijk aanvoelen dat we in verwachting, in hoop leven en dat we nu, op dit eigen moment, mogen zingen van Gods grootheid.

“Nú weet mijn hart, hoe groot Hij is, de Heer.” Wat eens aan lsraël gebeurde, wat op een bepaald moment in de heilsgeschiedenis Maria mocht ervaren, dat wordt geaktualiseerd naar ons toe, nú, naar jou, naar mij doet Hij “ongelooflijke dingen, wanneer je eerbiedig naar Hem opziet”.

Dat is de kracht van het Magnificat en dat is ook de reden, waarom elke avond dit bevrijdingslied weerklinkt in zoveel koren van monniken en monialen, in zoveel basisgemeenschappen overal op de wereld. De eeuwen door hebben dichters en musici dit vertaald en verklankt in oneindig veel variaties en toonaarden. We kennen het prachtige Magnificat van J.S. Bach, de magnificatliederen uit de Reformatie en ook in onze nederlandstalige liturgie hebben musici en dichters zich gewaagd aan een muzikale vertolking van dit prachtige bevrijdingslied.

In de ‘Gezangen voor Liturgie’ staan twee versies van het Danklied van Maria. Nr. 154 geeft het bekende Danklied van Maria van H. Oosterhuis en muzikaal getoonzet door de bekende Vlaamse musicus Ignace de Sutter z.g. Het is antifonaal getoonzet met een versierde psalmodie. Persoonlijk vind ik het wel jammer dat de accentuatie op ‘gelukkig príjzen’ staat (vers 3) en op ‘trouw gebléven” (vers 9), want in het nederlands valt het accent eigenlijk op gelúkkig en op tróuw.

Dat het Danklied van Maria ook als beurtzang of communiezang kan gezongen worden laat de frisse en akklamatorische compositie zien van Vogel in nr. 155. Hij maakte deze communiezang in het kader van een mis voor Maria Ten Hemel Opneming die opgenomen werd in het ‘Wisse|ende Gezangen’-projekt. U merkt dat hier een andere vertaling gebruikt is enwel die van Maria van der Zeyde die zij maakte voor onze werkgroep de IWVL (intermonasteriële werkgroep voor liturgie). We vonden namelijk dat de stijl van hun psalmen ook een aangepaste tekst nodig had en kozen daarom voor deze nieuwe vertaling die ook zeer goed voldoet, al is elke vertaling altijd een beetje verraad aan de grondtekst. In een mooie muzikale boog zet Vogel de verzen helder en doorzichtig neer, zoals we dat van W. Vogel gewend zijn. Het refrein dat duidelijk naar God tendeert is een prachtig voorbeeld van een tekst als een klaroenstoot die een klare, akklamatorische toonzetting krijgt.

Br. Alex Werbrouck maakte een beurtzang op de tekst van Oosterhuis. Hij maakte er een doorgekomponeerde psalmodie van met een refrein dat de compositie in de sfeer brengt van het feest van 8 december: Maria Onbevlekt Ontvangen.danklied maria 1

Ook Herman Strategier maakt een Mis voor 15 augustus voor onze kommuniteit en als communiezang nam hij ook de tekst van het Danklied van Maria van Marie van der Zeyde. Hij gebruikte als refrein het hele eerste vers en heel plechtig laat hij ‘God is mijn Redder’ klinken en de vreugde jubelen om de grootheid van God.danklied maria 2

In het koorgebed wordt het Danklied van Maria altijd met een antifoon gezongen die varieert met het kerkelijk jaar. Door de antifoon krijgt het Danklied dan telkens een andere kleur en licht het anders op in de advent of in de veertigdagentijd. In het Abdijboek hebben we naast een aantal antifonen, ontleend aan de tekst van het Danklied zelf, een grote serie antifonen die een variëteit geven aan het elke avond gezongen Danklied van Maria. Ik wil eindigen met de integrale weergave van de nieuwe vertaling van Marie van der Zeyde die stilaan ingang begint te krijgen in onze kloosters en die ook door musici van naam als ritmisch sterk en goed zingbaar wordt ervaren. Ook bij deze tekst geldt wat Herman Strategier eens zei van de psalmen van Ida Gerhardt en Marie van der Zeyde. voor ik één noot gekomponeerd heb, zit er al muziek in de tekst en dat is een groot kompliment voor een tekst die je dagelijks moet kunnen blijven zingen.danklied maria 3

Vespervieringen: waar vinden we melodieën

Adriaan van Roode

Vespervieringen zijn in! In toenemende mate zien we aankondigingen van vespervieringen in diverse kerken. Soms incidenteel, vaak ook met een zekere regelmaat. Het gaat echter in lang niet alle gevallen om ‘echte’ vespervieringen: veelal betreft het bijeenkomsten in de namiddag of vroege avond met een devotioneel karakter, waarin gebeden en gezongen wordt, vergelijkbaar met het vroegere ‘lof’, soms uitmondend in een uitstelling met aanbidding.

Dit artikel gaat echter over vespervieringen waarbij teksten en vorm ontleend zijn aan het Getijdenboek, dat niet spreekt van ‘vespers’, maar van ‘avondgebed’. Voor iemand die bekend is met dit boek is het vinden van de teksten voor een bepaalde dag niet zo moeilijk. Het probleem is geschikte melodieën te vinden waarop deze teksten gezongen kunnen worden.

Tijdens een symposium op 25 januari jl. in Teteringen over vespervieringen conform het avondgebed uit het Getijdenboek kwam van verscheidene deelnemers deze vraag naar voren. Problemen bleken er met name te zijn ten aanzien van muziek voor de hymne, de antifonen, de lofzang (kantiek) en de korte beurtzang.

De eenvoudigste oplossing zou een uitgave zijn waarin de melodieën voor al deze onderdelen te vinden zijn. Die bestaat inderdaad: Woord en Toon van Marcel Weemaes en Ignace de Sutter, uitgegeven door de Abdij van Male, welke uitgave echter uiterst moeilijk verkrijgbaar is.

Voorts heeft Jan Böhmer een aantal boeken uitgegeven met gezangen voor het getijdengebed:

  • Antifonale I: antifonale bij het Klein Getijdenboek
  • Antifonale II: antifonale bij de Lofzang van Maria op zon- en feestdagen
  • Hymnarium: alle 223 hymnen uit het Getijdenboek
  • Vesperale I: vier gezongen vespervieringen voor de zaterdagavond
  • Vesperale II: vier gezongen vespervieringen voor de zondagavond
  • Cantica: 37 kantieken en toonzettingen voor de Lofzang van Maria
    Deze boeken zijn verkrijgbaar bij Berne Media.

We kunnen ook we gebruik maken van het Abdijboek, uitgegeven door Annie Bank, een losbladig systeem met o.a. antifonen en hymnen, gecomponeerd door de IWVL (Intermonasteriële Werkgroep voor Liturgie); het Boek der Psalmen, uitgegeven door de Katholieke Bijbelstichting, met toonzettingen van de psalmen door de IWVL en Bijbelse Kantieken van dezelfde uitgever.

Vervolgens is er het boek Officium door Ignace Thevelein, uitgegeven door TerraLannoo. Dit boek biedt bouwstenen voor vespervieringen die qua vorm overeenkomen met het avondgebed uit het Getijdenboek, doch met vaak afwijkende teksten en metrisch gecomponeerde muziek. Toch bevat dit boek wel gezangen die gebruikt kunnen worden in ‘klassieke’ vespervieringen.

Tenslotte wil ik wijzen op zeer eenvoudige toonzettingen voor vespervieringen in deel 1 van het Dienstboek voor de Protestantse Kerk in Nederland. De daarbij gebruikte psalmvertaling is van Ad Bronkhorst, dezelfde die gebruikt wordt in het Getijdenboek.

Met bovenstaande boeken kan men echter lang niet altijd vespervieringen samenstellen zoals die op een bepaalde dag volgens het Getijdenboek gezongen dienen te worden. Bovendien is niet iedere toonzetting geschikt voor elke doelgroep. Genoemde uitgaven voorzien vaak niet in een concrete vraag naar geschikte hymnen, antifonen en kantieken.

Aan de hand van de opbouw van een vesperviering wil ik een aantal suggesties geven om te komen tot gemeenschappelijk gezongen vieringen voor iedere willekeurige dag of feest conform het Getijdenboek.

Openingsvers

Eenvoudige openingsverzen zijn wel te vinden. Een voorbeeld uit het Abdijboek:

Vespervieringen_1

Hymne

De verzen van de meeste hymnen tellen 4 × 8 lettergrepen. In het Liber Hymnarius zijn vele syllabische melodieën te vinden waarop al deze hymnen gezongen kunnen worden.

Er doet zich echter een probleem voor bij hymnen die een afwijkend lettergreepschema hebben, bijvoorbeeld de hymne ‘Stad Jeruzalem verheven’ voor de vespers van het feest van Kerkwijding. Gelukkig is bij de vertaling van de overeenkomstige hymne uit het Liber Hymnarius hetzelfde lettergreepschema aangehouden, zodat de Nederlandse hymne gezongen kan worden op de melodie van het Latijnse origineel (Urbs Ierusalem). Hetzelfde geldt voor de hymne ‘Ave, maagd Maria’, waarvoor de melodie van de hymne ‘Ave maris stella’ uit het Liber Hymnarius gebruikt kan worden.

Vespervieringen_2

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Soms is het Latijnse origineel echter zo neumatisch of zelfs melismatisch, dat het niet doenlijk is de Nederlandse tekst te zingen op zo’n rijk versierde gregoriaanse melodie. In dat geval is te proberen de melodie te vereenvoudigen zoals dit gebeurd is in uitgaven als Klein Graduale of Simple English Propers, waar gregoriaanse propriumgezangen uit het Graduale Simplex zijn vereenvoudigd tot syllabische antifonen in de volkstaal. Het Latijnse origineel van onderstaand voorbeeld is de hymne ‘Iam bone pastor, Petre’.

Vespervieringen_3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In het Getijdenboek komt bij de hymnen een aantal gezangen voor die in enkele opzichten afwijken van de overige hymnen: het metrum verschilt vaak, zij zingen soms over een goddelijk persoon of heilige en niet tot hen, zoals bij een hymne gebruikelijk is en tenslotte ontbreekt meestal de doxologie in het laatste vers. Het gaat dan om hymnen waarvan geen Latijns origineel bestaat en die veelal van relatief recente datum zijn. Voorbeelden: de hymnen ‘Vriendelijk Licht’, ‘De dag door uwe gunst ontvangen’ en ‘O Heiland, open wijd de poort’. De melodieën voor dit soort ‘hymnen’ zijn te vinden in diverse kerkelijke liedbundels, voor wat betreft de genoemde voorbeelden respectievelijk in Zingt Jubilate (nr. 803), Liedboek (nr. 248) en Gezangen voor Liturgie (nr. 510).

Eventueel kan de hymne ook in het Latijn gezongen worden. De ‘Algemene inleiding op het getijdengebed’ zegt hierover: ‘Niets belet echter dat in een en dezelfde viering bij het zingen van sommige gedeelten niet altijd dezelfde taal wordt gebruikt.’(276). Uiteraard dient dan voor de deelnemers aan de viering een vertaling beschikbaar te zijn.

Voor nadere informatie over hymnen in het algemeen kan ik u verwijzen naar een artikel over dit onderwerp, dat eerder in Jubilate is verschenen.

Antifonen

In het Getijdenboek wordt iedere psalm en kantiek voorafgegaan en gevolgd door een antifoon. Evenals de hymnen geven de antifonen door hun tekst duidelijk kleur aan de viering en plaatsen deze in de tijd van het kerkelijk jaar of accentueren het feest dat wordt gevierd. Daarom zijn ze zo belangrijk voor de inhoud en kwaliteit van een vesperviering. Mede doordat voor de zondagen de antifonen verschillend zijn voor het A-, B- en C-jaar komen er in het Getijdenboek zoveel antifonen voor, dat men er kennelijk van heeft afgezien een register voor antifonen in het boek op te nemen…

Waar vinden we melodieën voor al deze antifonen? De melodieën uit het Antiphonale Monasticum of het Antiphonale Romanum zijn meestal niet geschikt om te gebruiken voor teksten in de volkstaal. Bovendien zijn de antifonen uit het Getijdenboek geen vertalingen uit genoemde Antiphonales.

De ‘Algemene inleiding op het getijdengebed’ biedt een oplossing voor dit praktisch probleem: ‘Als in het gezongen getijdengebed voor een bepaalde antifoon geen melodie bestaat, kiest men een andere antifoon uit het repertorium, als deze maar aan het doel beantwoordt volgens de voorschriften in de nrs. 113.121–125.’ (274). Genoemde voorschriften gaan over de kleur die de antifoon geeft aan de psalm die erop volgt en over de wijze van uitvoering van antifonen en psalmen. Welnu, er bestaat gelukkig een uitgebreid repertorium aan Nederlandstalige antifonen. Enkele voorbeelden:

  • In het Abdijboek staan talloze antifonen, gerangschikt naar tijd in het kerkelijk jaar (Advent, Kersttijd, Veertigdagentijd), kerkelijke feesten (Kerstmis, Pasen, Hemelvaart, Pinksteren) en bijbelse herkomst (Oude en Nieuwe Testament). Ook is een groot aantal Maria-antifonen opgenomen. Bij de beurtzangen en de doorgecomponeerde psalmen in het Abdijboek staan eveneens antifonen.
  • Bij alle psalmen in het eerdergenoemde Boek der Psalmen staan twee antifonen, ontleend aan de betreffende psalm, die het mogelijk maken de psalm een bepaald accent te geven.
  • Ook in het Dienstboek staat bij alle daarin opgenomen psalmen een tweetal eenvoudige antifonen.

Psalmen

Het vinden van psalmtonen kan geen probleem zijn. Achter in het Boek der Psalmen staat voor iedere kerktoon een groot aantal formules in verschillende toonhoogten waarop de psalmverzen gezongen kunnen worden. De kerktoonaard van de antifoon is uiteraard bepalend voor die van de psalm. De te kiezen psalmtoon hoeft niet exact dezelfde voortekening te hebben als de antifoon. Bij kleine verschillen kan de antifoon of de psalmtoon getransponeerd worden, zodat ze dezelfde voortekening krijgen.

De formules voor psalmtonen die in het Abdijboek bij iedere antifoon gegeven worden, passen in het systeem van het Boek der Psalmen.Als de gegevens uit beide uitgaven bij elkaar gevoegd worden, ontstaat een wel zeer ruime keuze uit psalmformules voor iedere kerktoonaard. Zo heb ik zelf bijvoorbeeld hierdoor de keuze uit wel 19 verschillende psalmformules alleen al voor de eerste toon! Zo kan gezorgd worden voor de nodige variatie bij het zingen van verschillende psalmen in dezelfde kerktoonaard.

Bij de keuze van een bepaalde psalmformule moet men rekening houden met de vaardigheid van de mensen die de psalmen gaan zingen. Ideaal is het alternerend zingen van verzen door cantor of koor en alle deelnemers aan de viering. Zijn die deelnemers geen geoefende zangers – wat meestal het geval zal zijn – dan kiest men het beste voor een psalmformule met één reciteertoon (tenor) voor ieder halfvers en eenvoudige cadensen voor de slotlettergrepen van de halfverzen. De psalmformules uit het Abdijboek aangeduid met de letter A en die uit het Dienstboek voldoen alle hieraan.

Omdat niet iedereen psalmverzen kan zingen vanaf gegeven psalmformules, zal het vrijwel altijd noodzakelijk zijn boven het eerste vers de muziek geheel uit te schrijven. De volgende verzen kunnen daaronder geplaatst worden, waarbij met grafische middelen (cursief/vet) de cadensen en de slotnoten worden aangegeven.

Psalmverzen uit alle gebruikelijke vertalingen kunnen op genoemde psalmformules worden gezongen. In het Boek der Psalmen wordt de vertaling van Gerhardt en Van der Zeyde gebruikt. De daar aangegeven psalmformules kunnen echter ook aangewend worden om de psalmvertaling van Bronkhorst te zingen.

Kantieken en Lofzang van Maria

Kantieken zijn poëtische bijbelse teksten die al van oudsher in de liturgie werden gezongen. De tekst van kantieken die voor het avondgebed aangegeven staan in het Getijdenboek, zijn ontleend aan boeken van het Nieuwe Testament: de apostolische brieven en het Boek der Openbaring. Muziek voor alle kantieken die voorkomen in het getijdengebed is te vinden in het boek Bijbelse Kantieken, waarin ook de kantieken zijn opgenomen uit het Abdijboek, waarin zij merkwaardigerwijs in de rubriek ‘Hymnen’ zijn ondergebracht. Deze composities zijn echter lang niet alle bruikbaar om met ‘gewone’ gelovigen te zingen. Bovendien wijken de teksten af doordat vaak andere vertalingen zijn gebruikt.

Alle teksten van de kantieken die opgenomen zijn in het Getijdenboek kunnen echter gezongen worden op psalmtonen, wat in de meeste gevallen de meest praktische oplossing zal zijn. Uiteraard dient men een psalmtoon te nemen die overeenkomt met die van de voorafgaande antifoon.

Bovenstaande geldt ook voor de Lofzang van Maria, een kantiek uit het evangelie van Lucas, die in elke vesperviering wordt gezongen.

Korte beurtzang

Na de lezing volgt een meditatieve stilte, waarna een korte beurtzang volgt. Omdat de vorm van deze beurtzang altijd hetzelfde is, kan voor de beurtzangen uit het Getijdenboek een vaste formule worden gebruikt. Als voorbeeld geef ik een formule voor een beurtzang zoals deze wordt gebruikt op de Priester- en Diakenopleiding Bovendonk:

Vespervieringen_4

In het Abdijboek vindt men – ook weer onder de rubriek ‘Hymnen’ – een aantal korte beurtzangen, die echter niet altijd zo eenvoudig zijn.

In Officium staat een tweetal korte beurtzangen met de juiste vorm, die echter minder geschikt zijn om als algemeen bruikbare toonformule te fungeren.

In het Antiphonale Monasticum en het Antiphonale Romanum zijn vele zeer eenvoudige toonformules te vinden voor korte beurtzangen. Zij worden aangegeven met de afkorting R. br. (responsorium brevis) vóór de eerste notenbalk.

Slotgebeden

Het avondgebed wordt afgesloten met de slotgebeden. Deze beginnen met korte, kernachtige voorbeden, die telkens afgesloten worden met een aanroeping door de aanwezige gelovigen. Het is bepaald niet moeilijk voor deze aanroepingen een melodie te maken:

Vespervieringen_5

 

 

 

De voorbeden worden afgesloten met het gezamenlijk gebeden (of gezongen) Onze Vader, onmiddellijk gevolgd door het afsluitend gebed volgens de liturgie van de dag.

Tenslotte besluit de voorganger de viering met de zegenbede. Als een priester of diaken voorgaat, kan hij dezelfde zegenformule zingen als aan het einde van een eucharistieviering. Gaat een leek voor, dan kan zij of hij zingen:

Vespervieringen_6