Nieuw maar toch oud met kerstmis

Wanneer de dagen korter worden krabben, veel koordirigenten en kerkmusici zich eens achter de oren met de gedachte: wat zal ik nú weer eens met kerstmis zingen?

Een bekend en begrijpelijk gevoel van onbehagen maakt zich dan van hen meester want als de tijd daar is vragen sommige koorleden, of in het ergste geval de ‘muziekcommissie’, zich af: ‘gaan we nog iets nieuws doen met Kerstmis?’

Op de keper beschouwd is het Kerstfeest een hoogfeest op midwinter met een liturgische viering op de vooravond (-nacht) en op de dag zelf. Om zo’n liturgisch feest met muziek en samenzang op te luisteren is het goed om na te denken wat de hoofd- en wat de bijzaken zijn. De hoofdzaken met Kerstmis (en alle andere vieringen overigens…) zijn, en dat zult u niet geloven, maar de concilievaders hebben er toch écht serieus over nagedacht. In de liturgische zang in eerste instantie om korte acclamaties en dialogen tussen priester en gemeenschap!

Ik hoor u denken: als je het allemaal zo goed weet vertel jij het dan maar eens wat we dan met Kerstmis moeten zingen!

Goed, ik ga deze uitdaging niet uit de weg en zal bij het begin beginnen. Overigens ‘moet’ er niks en ‘kan’ er van alles!

Advent

Eigenlijk begint het natuurlijk al bij de Advent. En dat doet me meteen denken aan dat schitterende ‘Kom tot ons, de wereld wacht’. Er zijn voor het koor zettingen voor vier-, drie- of tweestemmig koor en laat dan vooral bij het laatste couplet iedereen meezingen, zo bouw je het mooi op. Heb je alleen een vrouwenkoor dan zing je het eerste couplet éénstemmig, het tweede twee- of driestemmig, het derde als solo, het vierde weer meerstemmig en het vijfde met alle mensen samen. Zo bouw je iets moois op. Laat je de organist een mooi tussenspel spelen tussen 4 en 5, of misschien heb je wel een fluitist of een koperblazer…

‘Kom tot ons de wereld wacht’ voorbeelden en uitgaven op Kerkliedwiki.

Kerstzang voor de nachtmis

Dat brengt me overigens op het fenomeen van ‘de kerstgezangen vóór de nachtmis begint’. Ik heb dat altijd zo’n vreemd verschijnsel gevonden. Zo’n half uur vóór de viering worden de tweede-keus-kerstgezangen gezongen die niet in de mis gezongen worden! Ik zou zeggen: doe gewoon niks voor de mis en zorg voor een klinkende opening als de priester en assistenten in processie naar voren komen lopen.

En als er dan tóch gezongen dient te worden dan graag de voorkeur voor wat Adventsgezangen (want het is nog net geen Kerstmis) of een lied zoals ‘In de nacht gekomen’ Bij ons in de kerk laat ik dan vier koristen (of vier kinderen) met een kaarsje naar de kerststal lopen; dat doet het altijd wel, zingen en lopen én een kaarsje… De melodie is van Gustav Holst, ‘In the bleak midwinter’.

In de nacht gekomen, arr. Frans Bullens.

Intredezang

Maar dan wordt het snel tijd voor de intredezang. Dat kan er maar één zijn: ‘Wij komen tesamen’, Vanwege dat ‘sterreblinken’ uit de Roomse vertaling kún je het ook alleen maar zingen in de kerstnacht. Prachtig, zo’n statige melodie. Zorg ervoor dat het koor de goede meerstemmige zetting heeft, of anders dat de organist een goede en geen ‘zelfinelkaargeflanste’ versie speelt. Er gaat zoveel moois verloren als er geen goede begeleiding is!

En laat dat orgel dan ook klinken: met mixturen en trompetten; dwing de mensen om met volle borst mee te zingen en wees als organist niet zo bescheiden!

Dat brengt me meteen op een volgend punt: laat eens een trompet meespelen! Dat maakt de viering meteen anders. Nog beter een heel koperkwartet, maar dat is wellicht iets te veel gevraagd. Er is in elke gemeenschap wel een fanfare of harmonie waar een trompettist of bugellist in de kerstnacht wil spelen. Hij of zij hoeft alleen maar een voorspel of een tussenspel met het orgel mee te spelen en vooruit dan, ook het laatste couplet. Kan ie misschien een tegenstem spelen? Nog leuker. Dát maakt een viering nou nóg meer speciaal. Zo hoef je niks nieuws te zingen met koor en volk, maar maak je wát je zingt veel leuker! En heb je wel een trompettist maar geen muziek? Stuur dan eens een mailtje naar efbemusic@hetnet.nl en u krijgt alle info.

Tijdens het eerste couplet laat ik vier zangers met de intochtsprocessie meelopen (niet natuurlijk als we het bovengenoemde lied van Gustav Holst al gezongen hebben, want dan blíjven we lopen…). Het tweede zingen we met de mensen samen, het derde met het koor meerstemmig (dat kan drie- of vierstemmig zijn). Het laatste, vierde, couplet is er dan niet bij in onze Roomse vertaling. Dan moet ik weer even leentjebuur spelen bij de bundel van onze Protestantse medebroeders en -zusters en daar staan wel vijf coupletten bij dit lied (‘Komt allen tesamen…’). Nou zijn die niet allemaal even schitterend, maar dat laatste couplet is evenwel een mooie soort doxologie, een lofbetuiging aan God. Ik wil hem u niet onthouden:

Zingt aarde en hemel,
zingt nu eng’lenkoren,
– zingt alle scharen rondom de troon:
Glorie aan God en vrede voor de mensen!
Venite adoremus

Bij dat streepje moet je even wachten; bij deze zetting begint de regel op de eerste tel. Als dat niet lukt kun je ook kiezen voor:

zingt hemelse scharen rondom de troon: je kunt ook het woordje ‘en’ invoeren: en zingt alle scharen…

(overigens toch maar een vreemd woordje, dat ‘scharen’; als je eenmaal het knipwerktuig voor je geest hebt wordt het toch een hele vreemde tekst, maar dit terzijde…).

Van dit lied wijk ik niet af. Of er nu met het kinderen, jeugd of volwassen gezongen gaat worden: dit lied blijft overeind! Zo heeft een ieder zijn eigenaardigheden. Ik dus ook.

Eerste Kerstdag

Op Eerste Kerstdag is er weer een intochtsprocessie en dan laat ik altijd zingen: ‘In de stad van Koning David’, een letterlijke hertaling van ‘Once in Royal Davids city’.

Je vindt dat niet in de GvL, zelfs niet in het nieuwe Liedboek; eigenlijk in geen enkele bundel.

Maar ook hier biedt Kerkliedwiki uitkomst:

Tekst, voorbeelden en toelichting op ‘In de stad van koning David’

De antwoordpsalm

Ook zo’n belangrijk moment in deze twee feestelijke vieringen is de antwoordpsalm.

Die is vaak ver te zoeken. Ik hoor het ze al zeggen: ‘Het is ook geen kerstliedje hè! Het zit zelfs niet eens in de kerstmap!’ Maar de antwoordpsalmen van de kerstnacht en Eerste Kerstdag passen nu juist zo wondermooi bij de lezingen lezingen: psalm 96 ‘Heden is ons een Redder geboren, Christus de Heer’ in de kerstnacht en psalm 98 ‘Geheel de aarde aanschouwde wat onze God voor ons deed’.

Da’s heel andere koek dan ‘Midden in de winternacht’, ook mooi hoor maar het gaat nergens over, nou ja, maar over heel weinig…

En als u nu zegt: ‘ik weet niet waar ik dat moet vinden’, dan mailt u naar de medewerker kerkmuziek van het bisdom, j.schuurmans@bisdombreda.nl of naar efbemusic@hetnet.nl.

En zo zingt u inderdaad wat anders met kerstmis. Zoek het in de goede dingen, vraag het aan mensen die het wellicht nóg beter weten en leg je niet neer bij ‘De herdertjes die bij nachte lagen’. Kerkmuziek en dus ook met kerstmis, is meer en beter dan dat soort muziekjes, hoe leuk en aardig ook.

Mijn jongste dochter zou zeggen: ‘goed bezig, pa!’ En zo hoort het ook.

Frans Bullens

 

Basisrepertoire en/of volkszang

Zangdag diocesane Commissie voor Liturgische Muziek
24 februari OLV kerk Roosendaal
Inleiding door Han Akkermans

Samen kunnen zingen is in de kerk een groot goed. Het gaat er in de liturgie immers om dat we niet alleen luisterend en kijkend aanwezig zijn, maar deelnemers worden. De gezamenlijke zang is bij uitstek een middel waarin geloof wordt beleefd en gemeenschap wordt gesticht. Samenzang veronderstelt muziek die toegankelijk is en van goede kwaliteit is, zowel de tekst als de melodie. Wat dat betreft is er een grote keuze denkbaar. Welke criteria hanteren we bij de keuze van het basisrepertoire, welke plaats geven we het in onze liturgie, hoe houden we de bekende en eenvoudige gezangen fris en levendig? Deze vragen houden ons bezig tijdens de diocesane Zangdag.

Het valt op dat in de wervende folder voor deze diocesane zangdag twee termen gebruikt worden: basisrepertoire en volkszang. Vraag is of ze elkaar helemaal dekken. We zijn er in de DCLM (Diocesane Commissie voor Liturgische Muziek) niet helemaal uitgekomen. Dat hoeft ook niet. Bij wijze van grap zei een van de leden dat hij de zestiende-eeuwse Missa Papae Marcelli van Palestrina basisrepertoire vond. Dat moge zo zijn, het zal nooit volkszang worden! En wat denkt u van de Matteüs Passion: zo ongeveer basisrepertoire in onze Nederlandse muziekcultuur. Het kabinet is er op Goede Vrijdag in de Grote Kerk van Naarden bij aanwezig in een quasi-liturgische zetting. Toch ook niet echt volkszang. Hoewel, de melodieën van de koralen zouden we zo kunnen meezingen.

Men zegt wel eens dat het Tweede Vaticaans Concilie de liturgie en daarmee de kerkzang heeft teruggegeven aan het de gemeenschap, aan het verzamelde volk Gods. Vóór die tijd was de gemeenschap eeuwen lang eerder kijker en toehoorder van wat zich op het priesterkoor afspeelde. Sinds Vaticanum II is de liturgie en de kerkzang iets van en voor alle mensen in de kerk: voorganger en assistenten, lectoren en acolieten, koorzangers en niet in het minst de verzamelde gemeenschap als geheel. Maar blijft dit zo? Is dat een verworvenheid die niet meer verdwijnt of kan die weer verdwijnen.

Een voorbeeld uit de praktijk: onlangs was ik aanwezig bij de uitvaart van een priester. Een volle kerk, met veel kerkbetrokken mensen, een indrukwekkende viering. Wat gebeurde er muzikaal? De requiemmis: Introitus Requiem, Kyrie, Sanctus, Agnus dei, Lux aeterna, In paradisum , Licht dat ons aanstoot, Blijf mij nabij, Ave Maria van Schubert, Panis Angelicus van Franck, Pie Jesu van Fauré. Maar ondanks de volle kerk met veel ‘kerkmensen’ van wie een groot gedeelte vertrouwd was met het repertoire en in staat was mee te zingen, werd alles gezongen door een soliste. Prima stem en begeleiding overigens, maar er was geen enkele uitnodiging om mee te zingen. Ik ga het niet helemaal analyseren wat er gebeurde maar het gaf me wel te denken over de toekomst van de volkszang.

Uit de eerste eeuwen van het christendom weten we dat met name het zingen van hymnen en liederen als heel waardevol werd beleefd. Van Ambrosius, bisschop van Milaan (eind vierde eeuw), weten we dat hij teksten schreef die op eenvoudige melodieën gezongen werden en een krachtig middel waren voor catechese en gemeenschapsvorming. Er zijn verhalen dat het gezang zo indrukwekkend was dat passanten buiten de kerken ervan onder de indruk waren. Een aantal van die melodieën zingen we nog : ‘Wij treden biddend in uw licht’ (GvL 558). De oudste stukken van het Gregoriaanse repertoire zijn ook bedoeld en geschikt om makkelijk mee te zingen (Kyrie eleison!). We zullen daar vanmiddag bij stilstaan.

In de loop der eeuwen werd de actieve deelname aan de liturgie meer en meer geconcentreerd op het priesterkoor. Dat was vaak nog afgeschermd door een groot koorhek. De mensen in het schip mochten kijken en luisteren, knielen, staan en zitten en, heel soms, meezingen, misschien bij de litanieën (ora pro nobis, Te rogamus audi nos). Naast de liturgie ontstond er wel een genre geestelijke volksliederen: Marialiederen, Kerstliederen, ook Passie- en Paasliederen. Maar die werden buiten de eigenlijke liturgie gezongen, in preekdiensten, bij processies, bedevaarten, misschien ook thuis. De Reformatie herontdekte het belang en de kracht van de samenzang, de volkszang.

In de Lutherse traditie ontstond er een rijk kerkmuzikaal leven: volkszang, koorzang, cantates, liturgische orgelmuziek. In de calvinistische traditie was het een en al soberheid: aanvankelijk geen orgelmuziek, geen liederen, alleen maar psalmen die traag gezongen moesten worden. Het orgel raakte ook in deze kerken ingeburgerd in de eredienst, maar de zang beperkt vaal tot traag, onritmisch psalmgezang op hele noten.In de katholieke kerk kwam er op het einde van negentiende eeuw verandering in de waardering van de kerkmuziek.

De muziek in de grote kerken en kathedralen was in de achttiende en begin negentiende eeuw steeds meer gaan lijken op operamuziek (concertmissen): met veel instrumentalisten en solisten. Muzikaal heeft dit prachtige producten opgeleverd, denk aan de missen van Haydn, Mozart en vele anderen.
Maar vanaf ca. 1900 werd meezingen steeds belangrijker geacht. Ik denk dat de verbetering van het onderwijs hierin een grote rol heeft gespeeld. De kerkgangers waren immers geen alfabeet meer en wilden met een missaal in de hand de Mis meevieren en ook wel meezingen.

Het is interessant te zien dat de kerkboeken zich van 1850 tot 1920 ontwikkelen van meditatie- en gebedenboeken tot echt liturgische boeken. Aanvankelijk stonden er meditaties die je kon gebruiken tijdens de verschillende onderdelen van de Mis (voorbereidende gebeden, Gloria, de lezingen, de offerande, de Canon, de communie van de priester, etc.) Vanaf 1880 komen er in Duitsland zogenaamde volksmissaals op de markt, aan het begin van de twintigste eeuw in België (Affligem, Brugge). Die laatst worden ook in Nederland gebruikt. Die Missaals waren een populair cadeau bij de plechtige communie. Later kwamen er missaaltjes voor de eerste communicanten, vaal geïllustreerd met foto’s of tekeningen. Mettertijd kwamen er in die Missaals ook delen met muzieknotatie. Dit alles met het doel om de kerkgangers actief te betrekken bij de viering van de Mis. Deze beweging door liturgische vorming in de parochies: met name de Norbertijnen, maar ook hier in Roosendaal in deze Redemptoristenkerk was een actief liturgisch apostolaat. Er werd gestimuleerd dat de gemeenschap de vaste gezangen zong. Pater Haagh CssR (bekend van zijn Ave Maria) heeft hier gewerkt en de liturgische functie van de koor- en volkszang gestimuleerd.

Muzikaal gezien werd de actieve deelname aan de liturgie inderdaad bevorderd door de herleving van het Gregoriaans. Het klinkt misschien vreemd, maar de ‘herontdekking’ van het Gregoriaans rond 1900 heeft de actieve rol van de gewone kerkganger als zanger bevorderd. De kerkkoren vonden dat aanvankelijk benden hun waardigheid, ze bleven het liefst hun Missen in operastijl uitvoeren, waaraan de gemeenschap part nog deel had. Dankzij de vaste gezangen in het Gregoriaans die vanaf het begin van de twintigste eeuw ook door het volk werden meegezongen, werd er niet meer alleen gezongen aan het altaar door de priester en op het oksaal door het koor, maar ook in het schip door de verzamelde gemeenschap.

Ik herinner me dat in een eenvoudige dorpskerk van mijn jeugd, met een middelmatig herenkoor (de plaatselijke boeren met het hoofd van de meisjesschool als dirigent-organist) de zondagse kerkgangers verschillende Gregoriaanse missen kenden, de eerste mis (de Paasmis), uiteraard de 8e , maar ook wel de 11e en de 15e en niet alleen Credo 3 maar ook Credo 1. Dat was ons basisrepertoire. Met de vernederlandsing van de liturgie vanaf 1965 werd dat basisrepertoire snel uitgebreid. Er kwam een gemengd koor, een jongerenkoor. De liederen en psalmen van Huub Oosterhuis getoonzet door Bernard Huijbers, gingen er in als koek. Iedere week was er iets nieuws en daarmee ontstond in de loop van enkele jaren een muzikaal basisrepertoire dat heel breed gekend en gezongen werd.

Dat kon ook omdat er toen nog en zeer regelmatige kerkgang was van jong en oud. Men hoorde ieder weekend kerkmuziek en dat werd snel eigen. Daarnaast werden veel oude melodieën uit de Reformatie en uit de oude volkszang voorzien van teksten van hedendaagse dichters: denk aan ‘Christus, Gij Heer van alle dingen’, melodie Lyon 1548 of ‘Gedenken wij dankbaar de daden des Heren’ op een Nederlandse melodie melodie van Valerius’ Gedenkklank ‘Wilt heden nu treden’. Daarmee is in een bestek van naar schatting een tiental jaren (1965-1975) een flink basisrepertoire opgebouwd, waaruit we nog steeds putten.

Ik heb de indruk dat die ontwikkeling van een basisrepertoire, geschreven en uitgevoerd voor koor en kerk (Huijbers: ‘voor podium en zaal’) op een geven moment wel dunner geworden is. Ik vroeg me af wat daarvan de oorzaken zijn. Ik noem hier een paar elementen die de praktijk van de volkszang bedreigen en belemmeren:

  • Verminderde kerkgang: die is sinds 1965 dramatisch teruggelopen. Gevolg is dat de kennismaking met het kerkelijk repertoire fragmentarisch is geworden. Men wordt er niet meer vertrouwd mee gemaakt.
  • De rol die de koren voor zichzelf opeisten. Volkszang vinden ze vaak niet interessant. Er is ook kerkmuziek geschreven, die ook in het Nederlands, behoorlijk wat oefening vereist en boven het niveau gaan van een gemiddeld kerkkoor.
  • Wellicht is ook het idee van een viering waar iedereen, van jong tot oud aan deelneemt, losgelaten. Er is een waaier van vieringen: gezinsvieringen (in vele gevallen kindervieringen), jongerenvieringen, seniorenvieringen, Latijnse Hoogmis, Gregoriaans Mis.

Daarnaast zijn er elementen die de rol van de volkszang kunnen bevorderen en die we daarom moeten stimuleren en waar we attent op moeten zijn:

  • Eerst de hand in eigen boezem steken. Zingt de voorganger zelf mee? Of is hij met andere dingen bezig: het tellen van de kerkgangers, zijn papieren aan het ordenen voor het volgende onderdeel van de liturgie? Verwijst de voorganger in zijn openingswoord of overweging naar teksten die gezongen zijn? Kijkt hij of zij naar de dirigent als die probeert de gemeenschap in beweging te krijgen?
  • Verwaardigt de dirigent zich naar de gemeenschap te keren en nodigt hij door mimiek en gebaren uit om te zingen?
  • Is de organist in staat de zang van de gemeenschap goed te begeleiden, te steunen en te stimuleren, zonder die te overstemmen?
  • Is de plaats van het koor zo dat het een zichtbaar deel van de gemeenschap is of staat het koor boven of tegenover de gemeenschap. (De plaatselijke omstandigheden van het gebouw zijn uiteraard verschillend). Laat het koor zien dat ook het luistert en meebidt en daarmee tot de gemeenschap behoort, maakt het koor de bewegingen mee van de gemeenschap of heeft het een eigen orde van dienst, waarmee het zich onderscheidt van het volk in het schip: denk aan staan en zitten.
  • Heeft de gemeenschap toegang tot de tekst en eventueel de muzieknoten? Is er goed materiaal: zangbundels, liturgieboekjes.
  • Maakt de dirigent van de gelegenheid gebruik om 5 minuten vóór de viering even te oefenen. Als ik een suggestie mag doen: van 10 tot 5 minuten vóór aanvang van de viering samen zingen, daarna enkele minuten rustige concentratie eventueel met mooi orgelspel (dat toch meer wil zijn dan muzikaal behang!)

We gaan vandaag veel zingen. Daarom houd ik op met praten en al helemaal niet met het geheven vingertje. Dat laat ik aan de dirigent over!
Han Akkermans

‘Amen’ en andere acclamaties in de liturgie

We zeggen of zingen het zo vaak: ‘Amen’. Wat betekent dat woord eigenlijk? De ‘Dikke van Dale’ schrijft:

  1. (oorspr.) dat is zo, dat zij zo, zeker
  2. (thans) slotwoord van gebeden, preken …<Hebr. Amen
    (waarlijk, zeker).

‘Amen op iets zeggen’ betekent: ‘ermee instemmen’, ‘erin toestemmen’ en is, volgens van Dale, ontleend aan Deuteronomium 27,15–26, waar het volk twaalfmaal de formule uitsprak.

Het woord komt voor in de drie grote godsdiensten: Jodendom, Christendom en Islam. Op de doxologieën in de synagogale eredienst antwoordt het volk met ‘amen’. In de christelijke liturgie werd het woord onvertaald overgenomen. Het volk reageert met ‘amen’ op het eind van de canon die door de bisschop luid werd voorgedragen, zo lezen we bij Justinus rond het jaar 150. En de H. Hiëronymus verhaalt, omstreeks het jaar 400, hoe het amen door de Romeinse basiliek dreunt als een hemelse donderslag!

Het is onze cultuur niet zo’n gewoonte om als kerkvolk massaal ‘amen’ uit te roepen. Er is meestal slechts sprake van wat onduidelijk gemompel en – in navolging van de gewoonte in veel protestantse kerken – is het vaak de voorganger zelf die het gebed ‘beaamt’. Een gezongen amen zou beter zijn, maar dat werkt alleen goed na een gezongen gebed, of minstens een gezongen slotformule, al is het slechts op één toon:

Met name het Eucharistisch Gebed vraagt om een overtuigende instemming van alle aanwezigen. Als de priester de doxologie ‘Door Hem en met Hem’ zingt, zal het volk zeker niet achterblijven bij het amen. Het koor kan daar nog als ‘coda’ een feestelijke toonzetting van een meervoudig amen aan toevoegen. In het Freiburger Chorbuch zijn daarvan een aantal fraaie voorbeelden te vinden. Maar ook onze Haarlemse kerkmusicus Jan Valkestijn heeft ooit een ‘Amen’ geschreven dat meerstemmig eindigt.

 

Op de website van Doorgeven, het tijdschrift van de NSGV Haarlem-Amsterdam, leest u in de rubriek In taal en teken meer over de achtergronden van het Amen en de mogelijkheden om deze acclamatie te zingen.

Met toestemming overgenomen uit Doorgeven Nieuwsbrief nr. 2, juli 2012.

Het eucharistisch gebed: deelname van de gelovigen

Traditie

Vanouds werd het stil, als de priester de prefatie had gezongen en het sanctus had geklonken. Men knielde onder het eucharistisch gebed en werd extra eerbiedig voor het moment dat Christus’ komen in de viering realiteit werd. Voor sommigen wekt het nu de indruk dat die stilte en attentie voor wat aan het altaar gebeurt de aandacht wat doet verslappen, de levendigheid van de viering wat doet inzakken. Vanuit die gedachte is men ertoe gekomen om sommige gedeelten van het eucharistisch gebed met alle aanwezigen samen te zeggen.

fr. Nico Wesselingh o.s.b.

Jubilate 31, 3 (september 1998)

We weten dat dat eigenlijk niet de bedoeling is. Het hogepriesterlijk gebed komt aan de priester toe, volgens de liturgische richtlijnen. Dat brengt een soort dilemma mee. Is er dan werkelijk geen enkele deelname aan dit gebed door de gelovigen? Kunnen we daar een redelijke oplossing voor vinden?

Acclamaties

Om te beginnen moeten we die momenten in het eucharistisch gebed die juist speciaal voor de gelovigen zijn bestemd niet verwaarlozen. Dat zijn met name het heilig en de acclamatie na de consecratie. Ja, ook het heilig is een onderdeel van het eucharistisch gebed. Want ook de prefatie behoort daartoe. Deze twee, het heilig en de acclamatie na de consecratie zouden altijd gezongen moeten worden. De zang heft hier de deelname op tot een klankrijk en kleurrijk element. In de hoeveelheid gesproken woorden door de priester (wie zingt zo nu en dan het eucharistisch gebed, geheel of ten dele?) geven deze gezongen woorden een apart cachet.

Voor velen is dat niet genoeg, en men wil de hier en daar gegroeide praktijk van het meezeggen van een gedeelte van het eucharistisch gebed niet loslaten. Jammer, want er zijn andere, betere mogelijkheden.

Interjecties

In plaats van een gedeelte van de tekst die voor de priester is bestemd door de gelovigen te laten zeggen, kan men de tekst onderbreken door een gezongen acclamatie. En die acclamatie een aantal keren herhalen. Cantor of koor kan die acclamatie (de eerste keer) voorzingen, en de gemeenschap herhaalt dat. Als u denkt dat hiermede iets nieuws wordt ingevoerd, dan vergist u zich. Kijk eens in GvL onder de nummers 735 tot 737. Daar staan drie eucharistische gebeden voor kinderen, door Rome goedgekeurd, met acclamaties. En de meeste van die acclamaties zijn getoonzet. Onmiddellijk bruikbaar. En sommigen zijn goed geschikt voor volwassenen. Een goede acclamatie hoeft niet strijdig te zijn met het karakter van het eucharistisch gebed. Integendeel. Als op de goede plaatsten de priester het gebed onderbreekt (goed die plaatsen kiezen, en goed afspreken met de celebrerende priester) zou men dit inspirerende tussenvoegsels, interjecties kunnen noemen. Men tast hiermee niet het eucharistisch gebed aan, men voegt er iets zinnigs aan toe.

Welke?

Zijn alle acclamaties voor dit doel bruikbaar? Volgens mij niet. Er moet gekeken worden naar de tekst vooral. Eucharistie betekent: dank brengen, Gods goedheid voor ons bezingen. Daar moet de tekst bij aansluiten. Bidden om barmhartigheid en vergeving lijkt me daar niet juist. De teksten moeten iets jubelends hebben. Zo zou b.v. een halleluja-keervers goed kunnen dienen. Vooral in de paastijd. Wie in GvL kijkt onder nummers 240 tot 260 vindt er ruime keus. (Op deze plaats alleen het refrein, niet het vers zingen). Maar onze onvolprezen GvL geeft nog vele andere, naar ik vermoed nog te weinig gebruikte mogelijkheden.

Tussen 301 a en 310 e (in de nieuwe uitgave van 1996) staan maar liefst vijftien acclamaties voor onder het eucharistisch gebed vermeld. Daar moet dan wel een onderscheid gemaakt worden, want sommigen zijn bedoeld als acclamatie na de consecratie (Als wij dan eten… etc.). En die zouden eigenlijk voor dat moment bewaard moeten worden. Maar daarnaast zijn er goed bruikbare. Bij voorbeeld: 301a, 307 en 310a.

En wie daarmee nog niet zijn keuze kan maken, zij gewezen op de acclamaties die staan onder de nummers 391 tot 400 b, met name 391 en 393.

En wie het onderste uit de onvolprezen (nieuwe) GVL wil halen, kan ook nog terecht bij de Psalmen. Heel geschikt zijn de beide keerverzen bij Psalm 8: Heer onze Heer… Of de drie keerverzen bij Psalm 23: De Heer is mijn herder. Ook Psalm 50 geeft een goede mogelijkheid: Dankbaarheid zij uw offer aan God… En tussen Psalm 145 en 150 is nog het een en ander te vinden.

De conclusie zal eenvoudig zijn: niemand moet nog menen dat er geen mogelijkheden zijn voor acclamaties tijdens het eucharistisch gebed. Doorbreek het alsmaar spreken met een levendige tekst en melodie. Het zal de hele viering ten goede komen. Misschien een raad: begin met een of enkele acclamaties. Laat de mensen eraan wennen. Na verloop van tijd kan men het aantal uitbreiden, en voor de sterke tijden eigen acclamaties nemen.

Lofzingen: de Paastijd

Ook nu neem ik de nieuwe GvL bundel weer ter hand, waarbij opvalt dat er in de nieuwe bundel voor de paastijd meer dan 50%, voor hemelvaart 25% en voor pinksteren zelfs meer dan 65% aan liederen zijn toegevoegd.

Rinie van der Leer-Stamer

Jubilate 31, 2 (mei 1998)

Een aanwinst voor de Paastijd is o.a. het loflied ‘Ere zij God de Zoon’, Gezang 602, een strofisch lied, dat wil zeggen: opeenvolgende coupletten.

Gezang 602 is deels proclamerend, deels verhalend. Het lied is zeer geschikt om het volk mee te laten zingen en de uitbundige aanhef nodigt daar ook beslist toe uit.

Als een trompetsignaal klinken de eerste regels, waarin do, mi, so en la de proclamerende sfeer meteen treffen. De volgende twee regels zijn verhalend, hetgeen ook in de melodie merkbaar is.

De volgende twee regels zijn elkaars evenbeeld, behalve dat de tweede ervan een toon hoger staat. Nog steeds jubelt het lied en wijst ons naar de slotregels, die van boven neerdalen naar de uiteindelijke slotnoot (Die slotnoot is niet terug te vinden aan het eind van de voorgaande regels, zodat je na elke regel wel door méet zingen!)

De melodie heeft een echt Engels karakter, en gezien de naam van de componist, G.J. Elvey (1816–1893), is dat dan ook niet verwonderlijk.

De inhoud van het lied heeft in alle drie coupletten eenzelfde opbouw: proclamerend en verhalend in de eerste helft van het couplet en een conclusie/belofte in de tweede helft.

Een loflied rond hemelvaart is gezang 521: ‘Ten hemel opgevaren’, waarbij de paasklank in het ‘halleluja’ aan het eind van iedere regel nog duidelijk aanwezig is.

Korte, tweeregelige strofen, waarvan de (17e eeuwse) melodie in de eerste regel stijgt: een prachtige symboliek voor een hemelvaartslied! Een lied om in wisselzang te zingen, bijvoorbeeld tussen koor en volk, of ook nog mogelijk: afwisselend mannen en vrouwen. Zelfs een kinderkoor kan hier die functie mede vervullen!

In de nieuwe GvL bundel is Gezang 628 als Pinksterlied toegevoegd, een lied met zeven coupletten. Het lied is in de bundel opgenomen met twee verschillende melodieën. 628a geeft de melodie van Joh. Seb. Bach weer, die in de protestantse kerken sinds het begin van deze eeuw gezongen wordt, en aldaar een geliefde melodie is geworden. Oorspronkelijk is het een als sololied bedoelde melodie, maar de ervaring heeft echter geleerd, dat het geen beletsel hoeft te zijn om dit met het volk te zingen. Een koor én een goede begeleiding(!) zijn daarbij natuurlijk een onontbeerlijke steun.

Naar alle waarschijnlijkheid heeft de theoloog Valentin Ernst Löscher (1673–1749), die de tekst van dit lied gemaakt heeft, gedacht aan de melodie van ‘Nun danket alle Gott’ (GvL 415) of ‘Gross ist, o grosser Gott’ (Liedboek voor de Kerken, gezang 287).

De melodie van gezang 628b (van de IWVL) sluit daarom goed aan op de oorspronkelijke bedoeling van de dichter. De toonsoort lijkt het karakter van C majeur te hebben, met een enkele modulatie naar G, maar m.i. heeft de melodie een mixolydisch karakter, waarbij de G de centrale noot is.

Belangrijk voor de begeleider van dit lied is om dan geen fis, maar een f te gebruiken in het overgangsakkoord naar het slotakkoord (G) van regel 3 en 8.

De oneven regels dienen steeds te worden doorgezongen naar de even regels (dit geldt eveneens voor melodie 628a).

Andere gezangen als antwoord na de Eerste Lezing

Vorige keer zijn we geëindigd met u te zeggen dat er, vooral in de sterke tijden ook nog andere mogelijkheden zijn als antwoord no de eerste Lezing. Daar gaan we het dus nu over hebben.

fr. N. Wesselingh o.s.b.

Jubilate 30, 3 (september 1997)

Advent

Een van de meest geliefde gezangen uit de Gregoriaanse traditie is het Rorate. Hoewel het een laat gezang is, pas enkele eeuwen oud, is de melodie goed modaal, en de tekst is een wonderbaarlijke combinatie van allerlei teksten uit Jesaia. In het keervers worden de hemelen en de wolken opgeroepen om de heiland naar beneden te laten komen in dauw en regen. In de verzen wordt God zelf aangesproken. Onze schuld wordt erkend, en God wordt gesmeekt ons te komen verlossen. Aan het eind komt het antwoord van God: Consolamini… Troost toch, mijn volk… spoedig zal uw heil komen. Prachtige opbouw met hoop en verwachting.

De vorm is responsoriaal, zoals ook de Antwoordpsalmen die het Lectionarium opgeeft; Keervers voor allen en verzen voor de voorzang. Ik heb wel eens liederen op deze plaats in de Advent gehoord die minder toepasselijk zijn.

Kersttijd

De traditie kent een aantal gezangen voor de kersttijd die niet in het Graduale staan, maar wel goed bruikbaar zijn. Ik noem er u enkele, te vinden in het Liber Cantualis: Ecce nomen Emmanuel (p. 84).

Minder bekend, maar zeer geschikt is de beurtzang: Puer natus in Bethlehem (p. 91). Melodie ook van latere tijd, maar goed bruikbaar. Helemaal syllabisch, dus per lettergreep één noot. Het keervers: In cordis jubilo Christum natum adoremus cum novo cantico (Laten wij van harte Christus, die geboren is, aanbidden met een nieuw lied), is eigenlijk een juweeltje voor volkszang. Uit de 14 strofen kan uiteraard een keuze worden gemaakt. Wel de eerste 5 altijd zingen, want die geven het geboorteverhaal.

Veertigdagentijd

Naast het Attende Domine (p. 71, GvL 844) voor de hele veertigdagentijd, waarvan de melodie wel vragen oproept, staan er in het Liber Cantualis nog enkele gezangen voor de Goede Week: Gloria laus et honor (p. 85) voor Palmzondag, Ubi caritas (p. 108) voor Witte Donderdag en Ecce Lignum Crucis (p. 84) voor Goede Vrijdag. In het Gloria laus en in het Ubi caritas is een rol te vinden voor volkszang.

Pasen

Waarom zou je in de Paasweek niet het Victimae Paschali laudes (p. 62, GvL 845) na de eerste lezing zingen? Vroeger zaten Sequenties vast aan het Alleluia. Nu zijn ze er eigenlijk van losgemaakt. Het voorgaande Alleluia heeft meestal melodisch geen enkele verwantschap meer met de Sequentie.

Week voor Pinksteren

Het accent van de viering lag vroeger op de beide Pinksterdagen en de rest van het octaaf. Nu richt de aandacht van de liturgie zich vooral op de negen dagen tussen Hemelvaart en Pinksteren, toen de leerlingen in de bovenzaal bijeen waren om de Geest af te smeken. In diezelfde dagen is er geen beter gezang denkbaar dan het Veni sancte Spiritus (p. 63, GvL 846) of het misschien meer bekende Veni Creator (GvL 847).

Sacramentsdag

Dit feest geeft ons allerlei kansen om sommige van de vroegere lofgezangen nog eens te hernemen. Jesu dulcis memoria (p. 87) of Pange lingua (p. 100, GvL 838) in hun verschillende melodieën.

Mariafeesten

Ook hier liggen verschillende mogelijkheden. Bij voorbeeld de hymne Ave maris stella (p. 74) of enkele verzen uit het Magnificat, met een eenvoudige antifoon. De traditionele Maria-antifonen (Salve Regina, Ave regina caelorum etc.) lijken door hun vorm minder geschikt als antwoord op de lezing.

Conclusie

Onze zoektocht naar geschikte Gregoriaanse gezangen die op de plaats van de Antwoordpsalm zouden kunnen worden gezongen, heeft, dunkt me, nogal wat opgeleverd. Het spreekt vanzelf dat veel van deze gezangen, misschien wel alle, ook op andere momenten in de liturgie goede diensten zouden kunnen bewijzen. Met name kan ik me voorstellen, dat in niet-eucharistische vieringen een aantal van deze gezangen kunnen helpen om een eigen karakter aan die diensten te verlenen. je moet wel even zoeken en misschien wat creatief zijn, maar het loont de moeite om het te proberen. Succes ermee.

Lofzingen

Wij kunnen Gods lof op meerdere manieren bezingen dan alleen met het Gloria. In de bundel ‘Gezangen voor Liturgie’ (GvL) staan heel wat lofliederen, strofische, maar ook met refreinen voor het volk. Wist u dat er in deze bundel zeker minimaal een twintigtal lofpsalmen te vinden zijn?

Lees verder

Zang bij de communie

Als medewerkers aan de verschillende liturgische vieringen is het wel noodzakelijk om enige kennis te hebben van de opbouw van de viering waaraan we bijvoorbeeld als koor, dirigent of organist onze medewerking verlenen. In de categorie ‘Zang in de liturgie’ brengen wij de verschillende momenten onder de aandacht die door een koor gezongen kunnen worden. In deze aflevering ‘de communiegang’.

We bekijken de Algemene Inleiding op het Altaarmissaal, een onmisbare leidraad, en in artikel 56 worden regels gesteld en suggesties gedaan betreffende de communieritus. Naast het Gebed des Heren en de Litanie bij de breking van het Brood (Lam Gods) worden er twee momenten genoemd waarop gezongen kan worden.

Allereerst de zang die het ‘ter communie gaan’ van de aanwezigen begeleidt: “Terwijl het heilig Sacrament door de priester en de gelovigen genuttigd wordt, zingt met het gezang bij de communie, dat tot doel heeft(…) te getuigen van de innerlijke vreugde en het ontvangen van het Lichaam van Christus nog meer tot iets gemeenschappelijks te maken.”

Naast deze begeleidingszang onder de communie is er ook nog een zelfstandig gezang mogelijk na de communie: “Als de communie uitgereikt is, bidden de priester en de gelovigen eventueel enige tijd in stilte. Ook kan heel de gemeenschap, als men hieraan de voorkeur geeft, een lofzang, een psalm of aan ander loflied zingen.”

Zowel onder als na de communie kan er dus gezongen worden. De keuze zal een zorgvuldige, weloverwogen keuze zijn. Het gaat hier in de viering om een hoogtepunt.

Een kijkje in het verleden

Van de gezangen bij de communie heeft de zang tijdens het communiceren de oudste papieren. Van de drie traditionele processiegezangen uit de Romeinse ritus: introïtus, offertorium en communio, is deze laatste het oudst. Kennelijk heeft men altijd al aangevoeld dat een plechtig moment om een begeleidende zang vraagt. Met zekerheid is het gebruik van deze zang terug te voeren op de vierde eeuw. Ze heeft dan nog de zuiver responsoriale vorm. Een voorzanger draagt de psalmverzen voor en de aanwezigen nemen aan de zang deel door een steeds terugkerend refrein. Twee psalmen blijken, gezien de getuigen uit het verleden, op deze plaats in de viering erg geliefd te zijn. En koos graag voor psalm 34 en wel met name om vers 9a: ‘Ervaart het, ziet: mild is de Heer’ (zie GvL 34).

Ook psalm 145 blijkt hier populair te zijn geweest en wel om het vijftiende vers. Het gaat in deze psalm om de kern van de eucharistie: ‘Aller ogen wachten: op U die het voedsel geeft, altijd weder’ (zie GvL 145 I).

Aanvankelijk namen de communicanten zelf deel aan de communiezang, van lieverlee neemt het koor deze zang over. De melodieën worden rijker en de teksten uitgebreider. In verschillende tradities laat men de psalm vallen en worden eigen gecomponeerde hymnen gezongen. De Romeinse Liturgie houdt echter de psalm vast tot hij in de elfde eeuw in onbruik raakt. Van de omvangrijke communiezang blijft alleen de antifoon over, die in de dertiende eeuw de naam ‘communio’ krijgt.

De communio verliest wat de tekst betreft ook aan karakter als communiezang. Zelden nog is de thematiek eucharistisch gekleurd. De tekst sluit van dan af meer aan bij het evangelie van de dag of bij het feest dat wordt gevierd. Op de Zondagen na Pinksteren (dus de ordening van voor Vaticanum II) worden eenvoudige verzen uit de psalmen 9 tot en met 118 gekozen.

De liturgievernieuwing van Vaticanum II heeft heel duidelijk de communiezang willen herstellen. De eerste aanzet daartoe was al gegeven in 1958 (instructie ‘musica sacra et sacra liturgia): “De antifoon bij de Communio moet als regel gezongen worden terwijl de celebrant het Allerheiligste Sacrament nuttigt. Indien echter de gelovigen te communie gaan, wordt het zingen van dezelfde antifoon ingezet…”

De praktijk van nu

Er is geen onderdeel in de viering dat zoveel ruimte laat en zoveel variatie biedt als de communiegang. De Inleiding op het Altaarmissaal: “Men kan of de tekst uit het Romeins graduale gebruiken (met of zonder de psalm) of de tekst uit het graduale simplex, of een ander passend gezang. Het wordt door het koor alleen gezongen, ofwel door het koor dan voorzanger samen met het volk”. Men kan dus Latijn of Nederlands zingen, een psalm of een passend gezang.

Wanneer men kiest voor de antifoon uit het Graduale Romanum zal de deelname van allen aan de zang niet mogelijk zijn. Wanneer men daar wel op uit is, kan men beter een eenvoudige communiezang kiezen uit het Graduale simplex of uit het Liber cantualis (uitgave Solesmes 1978) met volkszang gregoriaans.

Ook in een viering met Nederlandse gezangen zal een deelname van allen slechts mogelijk zijn wanneer de communicerenden instemmen met een eenvoudig en/of bekend refrein. We mogen echter niet uit het oog verliezen dat er mensen zijn die zingend ter communie gaan storend en niet passend ervaren. De voor de hand liggende praktijk is dan, dat er tijdens het uitreiken van de communie iets wordt gezongen door het koor alleen of dat de organist (of een andere instrumentalist) een stemmig muzikaal intermezzo verzorgt. Het bekende lied van het brood (GvL 457) met zijn orgelversetten is in deze uniek. De tijd tijdens de communiegang biedt het koor dus de gelegenheid, om iets in het Latijn (of een andere vreemde taal) te zingen. Bij de keuze moet zorgvuldig te werk worden gegaan want er zal rekening gehouden moeten worden met de thematiek van de viering en/of de liturgische tijd. Het is niet verantwoord slechts af te gaan op wat het koor graag zingt, met als voorwendsel dat mensen toch geen Latijn verstaan.

Na de communie

Of er na de communie gezongen wordt hangt natuurlijk nauw samen met wat er onder de communie is gebeurd. Heeft heel de vierende gemeenschap (voorzangers, koor, orgel en volk) aan de zang onder de communie-uitreiking deelgenomen, dan zal er aan het zingen na de communie weinig behoefte meer zijn.

De Inleiding op het Altaarmissaal spreekt van een ‘lofzang, een psalm of een ander lied’. De praktijk leert dat er andere keuzes gemaakt kunnen worden wanneer het gezang na de communie, qua thematiek refereert aan de communie die ontvangen is. Een duidelijk voorbeeld is bijvoorbeeld het lied ‘Nu het brood gebroken is’ van Henk Jongerius en Jan Raas.

Koorkring Zeeuws-Vlaanderen

In ecclesiis benedicite Domino: Graduale

In de vorige aflevering hebben we gezien dat er problemen kunnen ontstaan als (Gregoriaanse) koren iedere zon- en feestdag het Graduale zingen. De aard en de lengte van sommige Gradualia maken het de zangers lang niet altijd gemakkelijk. En zulke stukken moeten goed worden gezongen willen ze de kerkgangers blijven boeien. In het vorige artikel heb ik al een begin van een oplossing voor dit probleem gegeven, door op enkele Gradualia te wijzen die niet lang en niet zo moeilijk zijn. En vooral: de teksten van deze Gradualia zijn algemeen bruikbaar. Zie zo nodig naar de vertaling van deze zangstukken in het Gregoriaans Missaal.Lees verder