Gedachten bij een lied: Straatsburg 1545/Genève 1551

In tijden van vernieuwing, van hervorming kan het gebrek aan voldoende materiaal om de vernieuwing te helpen opbouwen ons, mensen, wel eens danig parten spelen. Bij de liturgievernieuwing van de jaren zestig hebben we dat ook ervaren. En naast het scheppen van nieuwe melodieën, moest men dan ook nog al eens zijn toevlucht nemen tot het lenen van melodieën. U weet nog wel, van de vorige keer, nieuwe teksten op bestaande melodieën, de zogenaamde contrafacten. Zo ontstonden er teksten op: Comt nu met sangh, Slaet op de trommele, Allen die willen te kaperen varen, Gelukkig is het land, op spaanse engelse, franse of poolse melodieën, enz. enz…

Jubilate 23, 3 (mei 1990)

Th. Klaus

Zulke praktijken kende men reeds in de 16de eeuw, in de tijd, die wij de reformatie noemen.

Luther schrapte het latijn, ging over op de landstaal en daardoor onstond er een behoefte aan ‘tekstdragers’, aan melodieën. Ook hij ging, bij gebrek aan voldoende nieuwe composities, teksten plaatsen op bestaande gezangen. Zo gebruikte hij gregoriaanse gezangen, zoals bijvoorbeeld het Veni Sancte Spiritus, maar evengoed nam hij wereldlijke melodieën voor zijn geestelijke teksten. Zo werd het liefdeslied ‘Mein G’mut ist mir verwirret von einer Jungfrau zart’ het bekende lijdenslied ‘O, Haupt, voll Blut und Wunden’.

Luther had een uitgesproken talent voor poëzie en muziek. Hij hield ook van de rijkdommen van de liturgie. Calvijn daarentegen was veel strenger. Geen ceremonies, geen schilderijen en beelden in de kerken, zelfs het orgel werd geweerd.

Binnen het kerkgebouw werd er alleen éénstemmige gemeentezang toegestaan. En alles centreerde hij rond de psalmen. Deze werden gezongen in een strofische berijming, met andere woorden, de inhoud van de psalmen werd in de coupletvorm gevat. Ondanks, of dankzij, deze beperkingen zijn er melodieën ontstaan, die de eeuwen konden trotseren.

Tijdens zijn driejarige verbanning naar Straatsburg maakte Calvijn zijn eerste psalmberijmingen. Een groots tekstdichter was Calvijn niet en, eenmaal weer terug in Genève, kwamen er al spoedig betere berijmingen van de hand van Marot en van Beze. Voor de muziek werd Bourgois aangetrokken. Voor een deel maakte hij nieuwe composities, maar voor het grootste gedeeite gebruikte hi] bestaande geestelijke en wereldlijke melodieën.

Wel paste Bourgois deze gezangen zodanig aan dat ze waardige dragers konden worden voor de nieuwe psalmberijmingen. Ze kregen een eenvoud en een stoerheid mee, waardoor een eerlijke zegging van de teksten mogelijk werd. Op een dag kregen Calvijn en Bourgois echter onenigheid en Bourgois vertrok naar Parijs. Maitre Pierre werd aangetrokken om het werk af te maken.

Even terzijde: boven een melodie ziet u weleens staan: Straatsburg en/of Genève, dat is nu duidelijk, naar de plaats van ontstaan. Regelmatig werd er gebruik gemaakt van ‘dubbelgangers’, dat wil zeggen, men gebruikte voor meerdere teksten maar één melodie.

De hier afgedrukte melodie is daar een voorbeeld van.straatsburg_1545

Melodie

De opbouw van de melodie bestaat uit 8 zinnen, die we kunnen verdelen in twee groepen van 4.

Deel 1 bestaat uit 2 vragen en 2 antwoorden. De vragen zijn gelijk (A + A), de antwoorden hebben wel enige gelijkenis, maar dat is te verwaarlozen.

De vragen zijn min of meer in stijgende vorm gesteld, de antwoorden gaan in dalende lijn.

De eindnoot van zin 4 heeft een sterk afsluitend karakter, sterker dan de eindnoot van zin 2. Hoe dat komt? Vanwege de voorafgaande noot. De noot fis in zin 4 bevestigd het slotkarakter van de g meer dan de a in zin 2.

Deel 2 ziet er geheel anders uit, ofschoon we toch weer bepaalde grondvormen terugvinden. Zin 5 en 8 hebben een neergaande bouw, de zinnen 6 en 7 lopen eerder opwaarts. Daarbij is zin 7 een versterking van zin 6. Deze zin 6 zit nog wat tussen de neergang van 5 en de opgang van 7 in. Zin 7 daarentegen gaat resoluut omhoog.

En dan de slotzin, de herhaling van zin 4, waarmee tussen de beide delen een prachtige eenheid wordt bereikt.

Ritme

We treffen slechts twee waarden aan, de halve noot en de kwart noot en de niet te verwaarlozen halve rust.

Iedere zin begint met één halve noot en eindigt met twéé halve noten én een halve rust, uitgezonderd de beide slotzinnen. Binnen deze strenge bouw zorgen de kwart noten voor de broodnodige variatie. Deze stroom van kwartnoten ondergaat zelf ook weer enkele variaties, namelijk, in zin 2 en in zin 6 komt er tegen het einde een halve noot, terwijl in zin 5 de kwartenstroom onderbroken wordt door de twee halve noten.

Uitvoering

Bij het zingen van deze melodie moet u enkele zaken goed in de gaten houden. Ten eerste de rusten. Maak de halve rusten op het einde van iedere zin. Laat dat een gewoonte worden in uw kerk. Het is de enig juiste uitvoeringswijze van deze melodie. Ook als deze rusten ‘per abuis’ in uw uitgave zouden ontbreken, zing ze dan toch maar. Gebruik deze rusten echter nooit om daarmee iedere zin te gaan vertragen. Gebruik ze als ademrust en maak ze dus niet onnodig langer. Ten tweede het tempo. De halve noot is de ‘slagbepaler’. Neem een fris, vlot tempo, dat geeft deze stoere melodie een body. Dus niet zeuren, niet slepen. Op deze manier ontstaat er een mooie, levendige melodiestroom. Zo geeft de melodie u alle vreugde die ze in zich bergt. Dan ontstaat er een stevig gefundeerde en blijde volkszang.

Teksten

In de loop der eeuwen heeft deze melodie velerlei teksten mogen dragen. Ook nu nog wordt dit gezang graag door onze dichters gebruikt. Ook als we ons beperken tot het Liedboek voor de Kerken en Gezangen voor Liturgie komen we nog een respectabel aantal teksten tegen bij deze ene melodie.

Breek, aarde, uit in jubelzangen — G. Kamphuis
Juioht voor de koning van de Joden — T. Naastepad
Komt ons in diepe nacht ter ore — H. Oosterhuis
Laat ieder ’s Heren goedheid prijzen — J. de Wit
Nooit kan ’t geloof te veel verwachten — H. van Alphen
Zingt een nieuw lied voor God den Here — J. Schulte Nordholt

Zettingen

Dat er voor deze melodie vele meerstemmige zettingen en bewerkingen zijn gemaakt, zal u niet verbazen.

Dat dit gezang geheel canonisch te zingen is, weet u wellicht.

De 2de partij begint dan na de drie noten g-e-d.

Wat de zettingen betreft wil ik me beperken tot de uitgave Zang en Tegenzang.

Komt ons in diepe nacht ter ore — bewerkingen O. Deden (zónder de rusten)
T 69 Voorspel T 73 2 st. S-A of T-B + orgel (de stemmen in canon)
T 83 2/3 st. S/S-A of T/T – B (a capella)
T 70 3/4 st. S-A-T-B (a capella)

Laat ieder ’s Heren goedheid prijzen – bewerkingen E. Stam (zónder de rusten)
T 218 Begeleiding T 219 Voorspel T 220 2 st. T-B (a capella)
T 221 3 st. S-T-B (a capella) T 222 4 st. S-A-T-B (a capella)

Zingt een nieuw lied voor God den Here (mét de rusten!)
T 279 Voorspel J. Valkestijn
T 280 2 st. S-A of T-B (a capella) Gerrit de marez Oyens
T 281 3 st. S-T-B + orgel Kees de Wijs en dan zonder de rusten
T 282 4 st. S-A-T-B (a capella) Maurice Pirenne

 

Gedachten bij een lied: Nu moet gij allen vrolijk zijn

In 1964 verscheen er bij uitgeverij Paul Brand in Hilversum een boekje met de titel ‘Op de dorsvloer’. Als we naar het jaartal kijken, weten we, dat we in het prille begin van onze liturgievernieuwing zitten. De auteur ervan, kapelaan Thom Naastepad, wil ons laten meedenken over de manier waarop we de landstaal zinvol kunnen inbouwen in onze liturgische diensten. Het is de neerslag van zijn zogenaamde Leerhuis, de tweewekelijkse avonddiensten in de Rotterdamse Laurenskathedraal, waarin hij poogde liturgische teksten en gezangen tot een eenheid te smeden.

Jubilate 23, 1 (januari 1990)

Th. Klaus

Zijn overtuiging daarbij was, dat er geen echte vernieuwing te verwachten is, als we niet eerst een gedegen liturgische feeling hebben verworven. Of, met zijn eigen woorden: “Die vernieuwing is een zaak van stug en veeleisend oefenen, en dat oefenen dient te geschieden in diensten van andere aard: leerdiensten, getijden, zangstonden en gebedsdiensten. Niet buiten de Eucharistie om, maar daar omheen”. En even verderop: “Er moeten rondom de Eucharistie vormen van eredienst zijn, waar geoefend en beproefd wordt, waar de kerk meer leerhuis is dan bruiloftsmaal’. (pagina 11)

Het lied, waar ik deze keer wat gedachten over op papier zet, is het Lied van het ledige graf, verschenen in bovengenoemde uitgave ‘Op de dorsvloer’.

Dit lied van Thom Naastepad is een mooi voorbeeld van een contrafact, een vorm die de laatste decennia weer veelvuldig in onze liturgie in gebruik is gekomen. Wellicht hebben velen onder u, zonder het zelf te weten, zich wel eens aan deze vorm gewaagd, bijvoorbeeld bij gelegenheid van een of andere feestelijke gebeurtenis. Want, onder contrafact verstaan we namelijk de vorm waarbij we op een reeds bestaande melodie een nieuwe tekst proberen te plaatsen. Het is een manier van werken, die al vele eeuwen oud is en waarvan we ook in onze hedendaagse bundels weer vele voorbeelden tegen komen. Zo nam ook Thom Naastepad een reeds bestaande melodie, namelijk van Nikolaus Herman (1500–1561).

De inhoud van de tekst staat bol van de rijkdom van Pasen: van het mysterie, van het nieuwe leven. Het donkere is heengegaan, de lente met zijn onvermoede kracht breekt door. Alles wordt als nieuw en vol verwondering dicht Thom Naastepad dan ook: ‘de bomen zingen in de tuin‘, en ‘de mond moet open voor een lied‘, ‘de nacht is weggevlucht’ en ‘de vogels juichen in de lucht‘, ‘de lente lost de winter af‘ en ‘de boze woorden zijn verstomd‘, ’geen vlammend zwaard verspert de weg’, ‘de windsels liggen in de hoek‘, ‘wij willen zingen dat Hij leeft’.

De melodie van ons lied kent enige verschillende versies. Je moet dus een keuze maken. Waarom kiest de Nederlandse St. Gregoriusvereniging in 1984 in haar bundel Gezangen voor Liturgie (no. 506) niet voor de eerder afgedrukte versie maar voor

nu-moet-gij-allen-vrolijk-zijn

Ik twijfel niet aan de goede redenen die men er voor gehad zal hebben. Men is ook in goed gezelschap, het Liedboek der kerken gebruikt eveneens deze laatste versie. Maar toch… mijn voorkeur zou uitgegaan zijn en gaat nog steeds uit naar de iets meer aangeklede versie. En wel, omdat Thorn Naastepad voor deze versie heeft gekozen, omdat de uitgave Zang en Tegenzang die versie ook aanhoudt. (Zang en Tegenzang is een uitgave van A. Bank ,in samenwerking met de Nederlandse St. Gregoriusvereniging), omdat zeer veel plaatselijke en regionale bundels er voor gekozen hebben. maar vooral, omdat ik vind dat de tekst in de eerst vermelde versie beter tot zijn recht komt. Juist dat goed tot zijn recht komen van een tekst vind ik van doorslaggevende aard. Maar vergelijkt u zelf maar.

Hegel 1 vro (2 noten in plaats van 1 lange)
Regel 3 zwijgt (2 noten in plaats van 1 lange)

Misschien iets vrolijker, iets feestelijker. Toegegeven, slechts een heel klein verschil. Maar dan, de accentuering in regel 2 in (2 noten in plaats van 1 noot). Daardoor géén gevaar voor lelijke, valse woordaccenten. Kijkt u ook maar eens naar de volgende coupletten.

Daar treffen we aan: a-dem, voer-de, woord ver-, uw ge-, hoor-zaamd, win-ter. Om op genoemde plaatsen goede en geen verwrongen nederlandse woordaccenten te maken, lukt naar mijn overtuiging alleen slechts door de eerste lettergreep steeds 2 noten te geven.

De melodie is geschreven in de dorische toonsoort. Meteen al in het begin wordt er kleur bekend: de sprong van tonica naar dominant. Het lied lijkt een dansend, wiegend ritme te hebben. Overdrijf daarbij niet, maar ontdek het grotere geheel, ervaar de melodie, voel hoe sterk zijn stuwing is. Zorg er voor, (zoals steeds zou moeten) dat u de melodie heel goed kent. Zing zo een melodie eerst eens een paar maal achtereen zonder tekst en ervaar dan die prachtige start op de driemaal herhaalde grondtoon, de sprong naar de dominant, de breed uitwaaierende hoge o. Maar genoeg, ik blijf te lang aan het woord. Tot slot nog even dit. In de uitgave Zang en Tegenzang vindt u: een orgelvoorspel, een orgeltussenspel en een orgelbegeleiding. Voorts een 2-st. zetting voor gelijke en voor ongelijke stemmen, een 3-st. zetting en een 4-st. zetting. (nummers 160 t/m 165). Mogelijkheden te over om de coupletten te variëren. Gemeenschap, koor en organist kunnen ieder op hun eigen manier deelnemen aan het feest. Succes en beleef veel vreugde aan deze melodie.

Gedachten rond een lied: Jezus die langs het water liep

Iemand, die we in de hedendaagse liturgie nog wel eens tegenkomen, is de dichter Ad den Besten. Hij publiceerde geestelijke liederen in de bundel ‘Loflied voor tegenstem’ en was een van de medewerkers aan de nieuwe Psalmberijming en aan het liedboek voor de Kerken. Van zijn hand is ook de tekst op de volgende bladzijde.

Jubilate 22, 3 (september 1989)

Th. Klaus

Wanneer we die tekst beginnen te lezen, zal deze ons waarschijnlijk niet meteen een ‘schok’ opleveren. We herkennen immers het verhaal over de roeping van Simon en Andreas (Matt. 4, 18–22, Marc. 1, 16 e.v.).jezus_die_langs_het_water_liep

Maar lezen we verder en komen we halverwege het couplet, dan is die ‘schok’ er wel. Zo iets dergelijks hadden we niet verwacht. We meenden met een verhaal van doen te hebben en nu plots worden de regels naar ons toegebogen. U en ik worden in het verhaal geplaatst. Of, zoals W. Barnard het zo treffend zegt:

“Plotseling lopen ginds en hier, toen en nu door elkaar. Het water van het Galilese meer begint om de hoek.”

Evenzo gaat het in couplet twee. We herkennen het verhaal over tollenaar Zachaeus, maar halverwege komt de tekst opnieuw op ons af.

Strofe drie borduurt nog even door. Het gaat over de straat, over heden, over onze aarzeling en over de ons overbekende vraag ‘tot wie zouden we anders gaan’. Totdat het bevrijdende slot komt met het woordje ‘alles’, op een onverwachte, maar o zo prachtig uitgekiende plaats.

Als we naar bovenstaande notenbeeld kijken, vallen er onmiddellijk een paar zaken op: a. het lijnenspel van stijgen en dalen, b. het rustige ritme.

a. In regel 1, 2 en 7 klimt de melodie van d naar a, van grondtoon naar dominant.
In regel 3 en 4 daalt de melodie van hoge d naar a.
In regel 5 en 6 daalt de melodie van hoge d naar e (we zijn bijna beneden, net nog niet, ’t is nog niet uit).
Regel 8 brengt ons op een spanningsvolle manier (twee halve noten!) van hoge d via de dominant terug naar de lage d ofwel terug naar de grondtoon.

Wat een eenvoud, en tevens, wat een hechte bouw.

b. De eerste regel begint vanwege het woordaccent noodgedwongen of vanzelfsprekend op de eerste tel van de maat.
Alle volgende regels hebben een opmaat en wel als volgt: regel 2 en 3 en regel 6 en 7 beginnen met een achtste noot, terwijl regel 4 en 5 met een kwartnoot aanvangen. Dat zal wel niet per ongeluk gebeurd zijn. En dan regel 8. Opvallend zijn hier de twee halve noten, die bovendien nog syncopisch zijn ook.

Een prachtige ondersteuning van de woorden. Wees er echter wel voorzichtig mee. Overdrijf niet en ga deze twee noten niet nadrukkelijk als syncope uitvoeren. Hoe natuurlijker U de woorden ‘en trouw’ ‘de rijk-’ ‘al|es’ laat klinken, hoe beter het bedoelde tot zijn recht komt.

Neem een rustig vertellend tempo en laat de tekst voor zích spreken. De laatste noot van iedere regel is een kwartnoot. Let daar goed op. Je hoort wel eens iets anders.

Vertraag ook niet naar ieder regel-eind toe. Maak van regel 3 en 4 een mooie eenheid. En vergeet niet dat er uitstekende orgelbegeleidingen bestaan, alles maar daarover vertelt een ander U alles.

Gedachten bij een lied: ‘Uit uw hemel zonder grenzen’

In dit ‘edel brabants land’ woont een componist die, naast toppers als Hertog Jan en Dubbele Jan, een groot aantal melodieën heeft geschreven, waarmee wij onze liturgische vieringen kunnen aankleden en opluisteren. Dan doel ik naast de Markusmis op vele andere mogelijkheden. Je kunt met zijn melodieën een viering openen, maar eveneens afsluiten; je kunt op zijn melodieën je schuld belijden, het eucharistisch gebed inluiden en het Onze Vader zingen. Deze rijkdom aan mogelijkheden en nog zoveel meer (wie kent niet ‘Niemand leeft voor zichzelf’) staat op naam van Pastoor Floris v.d. Putt, de vroegere seminarieleraar en als Cantor van de Bossche Sint Jan de voorganger van Maurice Pirenne.

Jubilate 21, 3 (september 1988)

Th. Klaus

Op zijn lied ‘Uit de hemel zonder grenzen’ is deze keer mijn keus gevallen. De tekst daarvan is gedicht door Huub Oosterhuis. Een tekst zo geladen, zo vol beelden, dat, ook al gebruiken we dit lied vele malen, we er steeds weer nieuwe gedachten, nieuw voedsel uit kunnen opdiepen. Ik zet voor U wat woorden, wat gedachten, naast elkaar:

tastend en weerloos
als een kind, als een schaduw, als een nacht.

Maar ook:

als een vuur, als een ster, als een bron, als een woord.

Naast:

als een mens in de woestijn

komen we tegen:

als een pijn die ons geneest

en

als een nieuw begin van leven.

Het mysterie van God en Mens wordt in allerlei beelden over ons uitgestort. Een wondervolle tekst. Te vol om in een keer te verwerken. Gelukkig maar! Want spaar ons voor de vieringen met de lege ulevellen-teksten.

Bij zo’n tekst een melodie schrijven is geen eenvoudige opgave en het getuigt van vakmanschap en inspiratie daarin te slagen. Ik meen te mogen zeggen dat Floris v.d. Putt ook deze keer een goede inval heeft gehad. De melodie bestaat uit twee zinnen. De eerste buigt zich naar beneden om rustig op te klimmen naar de mediant. De tweede zin begeeft zich naar een iets hogere reciteertoon en keert via een kleine waaier terug naar de grondtoon.

Een heel eenvoudige en rustige melodie dus, geheel syllabisch met één uitzondering nl. in de voorlaatste maat. Daar treffen we plotseling op één lettergreep een groepje noten aan. Deze doorbraak veroorzaakt een haast tastbare geladenheid. Een vondst! Dat u bij een dergelijke melodie zeker geen losse noten moet gaan zingen, dat weet U. Ook weet U dat U de melodie spankracht mee moet geven. De melodie moet gaan leven op Uw ademstroom. Maak geen verkeerde klemtonen en maak noten niet te lang of te kort. Maar… n.a.v. dit lied wil ik graag nog een paar gedachten kwijt over tempo.

Iemand die zich bezig houdt met het op muziek zetten van teksten, in ons geval voor hedendaagse liturgische vieringen, zal, als hij zijn vak goed verstaat, zeer wel rekening houden met de dictie, de zegging, van een tekst. Het tempo van de compositie zal zodanig gekozen worden, dat aan de tekst recht wordt gedaan.

Hebben we dus een geladen tekst, zoals hierboven, dan zullen we een niet te snel tempo mogen nemen. Niet te snel, maar ook niet te langzaam. De gulden middenweg. Ga daar maar aan staan als dirigent. En toch is dat gekozen tempo heel essentieel. Een melodie kan er door ontkracht worden, maar er ook glans door krijgen. In de praktijk komen we nogal eens een ‘slecht gekozen’ tempo tegen. (Als het gekozen is). Neem als dirigent, thuis en ruim van te voren, de tekst en de melodie goed in U op. Laat het geheel rijpen. Niet denken: het is maar een liedje, dat gaat zo wel. Daarmee begint de ellende al.

Laat de organist in zijn inleidend spel ook duidelijk zijn. Niet zomaar wat ‘noten friemelen’. Hoe krijgen koor en volk dan een duidelijk beeld van het tempo. Ook daarvoor is de dirigent de eerst verantwoordelijke.

En maak er zeker nooit een hardloopwedstrijd van tussen koor en volk. Er is niets zo hinderlijk als een voortjakkerend koor. Voorkom ergernissen tijdens een viering. Draai U als dirigent ook eens naar het goedwillend kerkvolk. Geef ook hen leiding. “Ja maar… die mensen in de kerk, die…”. Zeker waar, maar niet alles tegelijk. Zorg eerst voor dat verantwoorde tempo. Het is de moeite waard.

Gedachten rond een lied: Zeven was voldoende

Onlangs draaide ik op een rustig moment weer eens een plaat van de Amsterdamse Nocture-groep. Het was de plaat ‘Laetare’, waarop o.a. het Lied ‘Zeven was voldoende’ voorkomt. Al kijkend naar de tekst op de hoes verraste het mij dat het alweer dertig jaar geleden is, dat dit lied geschreven werd. Misschien een beetje vanwege dit dertigjarig jubileum, maar nog meer nog omdat ik het een geslaagd lied vind, wil ik u er iets over vertellen. Het lied is op een heel speciale manier ontstaan, nl. in 1958 tijdens één van de werkbijeenkomsten over liturgie. Werkbijeenkomsten die onder meer dienden om Nocture-diensten voor te bereiden.

*Jubilate 21, 2 (mei 1988)

Th. Klaus

Nocture-diensten waren experimentele ofwel vernieuwings-diensten, die op regelmatige tijden werden gehouden in de Amsterdamse Maranathakerk. In de werkgroep, die zo’n genoemde avonddienst mee voorbereidde, treffen we behalve litugisten, ook dichters en musici aan. We komen er b.v. de namen tegen van Ds. Overbosch, Ds. Barnard en van cantor Mehrtens. Vakmensen dus. Deze bijeenkomsten kregen de fraaie naam mee van ‘kweekplaats’.

In deze liedtekst van Barnard naar aanleiding van de bekende evangelietekst over de broodvermenigvuldiging komt naar voren:

  • het bijbelse getal zeven (vijf broden en twee vissen)
  • de verbondenheid met elkaar (als de kring gesloten is – samen rond de Tafel)
  • het delen in Zijn Brood (Gij verzadigt allen met Uw offerdood)

Het lijkt allemaal zo eenvoudig; zo maar enkele zinnetjes; ’n paar simpele woorden voor een diep geheim. Eenvoudig maar met een grote eerbied voor het wonder “langs de heuvels van de zee” én voor het wonder “alle dagen van ons leven”.

Deze tekst nu kreeg de cantororganist van Oosterbeek, Piet van Aalten, tijdens genoemde bijeenkomst onder ogen. En deze, helaas te jong gestorven componist (op 37 jarige leeftijd) wist er plotseling raad mee. De vonk van het woord sprong over!

Het werd een melodie in mineur, het werd een ‘blijde’ melodie.

En hierbij wil ik graag iets opmerken. Er zijn nog steeds mensen die er ’n merkwaardige, maar hardnekkige mening op na houden, de mening nl. dat majeur altijd opgewekt, en mineur altijd droevig is. Hoeft echt niet zo te zijn, ook niet in de uitvoering dus. Maar dit ter zijde.

De vonk van het woord sprong over. Er ontstond een melodie, heel verhalend, gebouwd op de tekst, met een duidelijke aandacht (langere noten) voor: vijf en twee (in de volgende coupletten: brood en vis, toen en nu, rond alom.).

De melodie kent een drie-deling:

  • de eerste zin gaat niet ver van huis, blijft in de buurt van de grondtoon.
  • de tweede zin gaat naar de dominant.
  • de derde zin komt trapsgewijs uit de diepte weer terug bij de grondtoon.

Zing het lied licht, in een niet te snel tempo. Denk de zinnen in een tweemaat. Maak de lange noten niet langer dan bedoeld. Behandel de eerste noot van de derde zin omzichtig, geen tik op z’n kop, denk daarbij alvast aan de derde noot. En… houdt alles mooi gebonden. Anders gezegd: maak de stroming van de melodie nergens stuk door onnodige verlengingen en zeker niet door onnodige adempauzes. Je haalt daarmee de kracht uit de melodie, de glans gaat er af.

Hoewel het lied op de eerste plaats gedacht is als evangelielied, is het in de praktijk ook goed te gebruiken als communiezang.

Men zou het lied kunnen zingen samen met alle kerkzangers, men zou ook kunnen denken aan een kinderkoor. Ook kan men het afwisselend laten zingen: dames/kinderkoor couplet 1 en 3, mannenstemmen couplet 2 en 4 en couplet 5 samen.

Nog een laatste bijzonderheid. Tijdens de bovengenoemde werkbijeenkomst bleek plotseling dat er ook een canon in verborgen zat. Dit was ook voor de componist zelf een onverwachte mogelijkheid, een verrassing. Als groep twee na de eerste vier noten begint te zingen, komt er een heel redelijk klinkende canon te voorschijn. De eerste partij laat de eindnoot doorklinken.

Persoonlijk zou ik de canon altijd laten uitvoeren door ongelijke stemmen, dan klinkt ’t het beste. Bovendien zou ik er voor willen pleiten niet alle coupletten in canonvorm te zingen, maar deze canonvorm te bewaren voor het laatste couplet. Anders gaat er wellicht te veel van de tekst verloren én de verrassing is te vroeg opgesnoept.

Gedachten rond een lied: Het lied van het lam en de herder (GvL 413)

Voor mij ligt een lied voor de veertigdagentijd, en, in tegenstelling tot het vorige lied, niet uit een ver verleden, maar van enkele tientallen jaren terug. Het lied van het lam en de herder is van nog vrij recente datum, nl. uit de vijftiger jaren.

Jubilate 21, 1 (januari 1988)

Th. Klaus

Het is ontstaan, zoals we al eens bij een vorig lied zijn tegengekomen, uit de vruchtbare samenwerking tussen dichter Barnard en cantor Mehrtens. En dan weet U intussen ook dat de tekst bij hen even belangrijk en voornaam is als de melodie.

Daarom ook deze keer, zoals U van mij kunt verwachten: “Kijk eens naar de tekst uit de eerste Petrusbrief” (hfdst. 2, v. 21 e.v.)

En leg daar de eerste zes strofen van dit lied naast. Of wellicht nog beter, laat de dirigent (of misschien zelfs de pastor wel) deze tekst tijdens de repetitieavond eens aan U voorlezen, terwijl U zelf de tekst van het lied in handen heeft. En misschien zegt U nu: “Het is toch nederlands, en dat verstaan we heus wel.” Natuurlijk verstaan we allen onze eigen taal, maar hoe gemakkelijk zingen we niet met veel overgave de noten, de melodie, terwijl we wat weinig aandacht voor de woorden hebben. Bovendien heb ik er nog een andere reden voor, maar daarover straks.

Wanneer Frits Mehrtens een melodie schrijft, zien we vaak een heel verrassende opbouw. Hij durft, of hij is in staat, van de geëffende paden af te wijken, hij kan van vaste maatpatronen afstappen, zonder gewild of gezocht over te komen.

Evenals in andere liederen, zoals in Jubilate en in Zingt voor de Heer, laat hij ook hier de tekst spreken en plooit daar ritme en melodie naar toe. Wat zal cantor Mehrtens de tekst vaak herlezen hebben.

De opbouw van de melodie

de eerste twee zinnen ontstaan als het ware rustig en zonder moeite uit de tekst, de derde zin gaat naar het hoogtepunt (de kwint), maar wordt heel fijntjes even afgeremd door een langere noot (de kwart), waardoor de declamatie van de tekst aan kracht wint, de slotzin beweegt zich weer rustig rond de grondtoon, met een uitloop naar de twee laatste (langere) noten. Zo eenvoudig eigenlijk, maar kom er maar eens op.

Hoe kun je dit lied het beste zingen?

Gewoon eenvoudig, vanuit de tekst. Vandaar mijn hint om de tekst samen eerst goed te bekijken.

Zing alle coupletten die U in de komende dienst nodig heeft en niet steeds alleen maar het eerste couplet alle aandacht geven. U loopt dan gevaar dat het lied bij een ander couplet in elkaar zakt.

Houdt een rustig tempo aan, zodat alle woorden hun waarde krijgen en vergeet daarbij niet dat de noten samen een geheel, een melodie moeten vormen. Bouw de melodie rustig op naar het hoogtepunt en neem van daaruit de spanning weer geleidelijk aan terug. Denk eens aan de manier waarop U een gregoriaanse hymne zingt of zong. Zorg voor voldoende ademsteun, zodat U deze mineur-melodie niet laat wegzakken en laat verworden tot een wat slappe brei.

Ingehouden zingen is óók zingen en zingen kan nooit zonder innerlijke veerkracht.

En, wat U al weet: maak niet op het eind van iedere regel een adempauze. Tenslotte, zorg er voor dat de allereerste noot niet langer wordt dan de bedoeling is. (Zouden we hier wellicht nog te maken hebben met een oude protestantse zangtraditie? Is het om iedereen de kans te geven aan te haken?) Geen gemakkelijk lied om U eigen te maken. Maar… ‘onbekend maakt onbemind’ en de ‘aanhouder wint’.

Gedachten bij een lied: Nu zijt wellekome

Eerst even terug naar het vorige lied. Jammer, maar het zetduiveltje is wel heel vervelend geweest. Het gaat over pag. 12 van Jubilate no. 2.

Daar staat dat de dichter van de liedtekst voorzitter was van de Rabobank te Amsterdam. Een mooie reclame, dat wel, maar dat stond niet in mijn ingeleverde tekst. Waarom was Dhr. Verdaasdonk zo goed vertrouwd met… omdat hij voorzitter was van de rechtbank te Amsterdam. Wel even anders dus.

En nu ons volgende lied. Als ik er een titel zou moeten zetten, zou dat bv. kunnen worden: ‘Een lied uit een ver verleden’.

Jubilate 20, 3 (september 1987)

Th. Klaus

En een ver verleden heeft dit prachtige lied zeker. We hebben hier te maken met een lied dat thuishoort bij de groep die men ‘leisen’ noemt (in regel 2 van het 2e couplet wordt er over gerept). Een leis heeft zijn naam te danken aan de tekst waarmee geëindigd wordt, nl. Kyri(e) eleis(on).

En dat is o.a. ’n reden waarom we van een ver verleden kunnen spreken. Bronnen-onderzoek brengt ons naar de 13e eeuw, maar de grote volksliedkenner Florimond van Duyse plaatst dit lied v.w. het Kyrieleisrefrein in de 11e eeuw. De eigenlijke betekenis van Kyrie eleison, nl. een smeekbede, een roep om ontferming zien we bij dergelijke leisen vaak verloren gaan en veranderen in de zin van een instemmen van allen met hetgeen we vieren of van zomaar een slotformule.

Veel geestelijke volksliederen (bedoeld voor allen!) kregen tijdens de vieringen een liturgische functie toebedeeld, zo bv. als antwoord op de preek of als volkse variant op een zo juist gezongen koorgezang.

Een voorbeeld dat u allen kent: de sequentia van Pasen Victimae Paschali Laudes werd gevolgd door het Paaslied Christus is opgestaan (G.v.L. no. 414).

Tussen haakjes, ook bij dit Paaslied vindt men in oude lezingen nog Kyrie als afsluiting i.p.v. Alleluia.

De inhoud van ons lied is heel eenvoudig en duidelijk. Het is een echt welkomstlied. Strofe 1: Wees welkom “hier al in dit aardrijk”.
Strofe 2: Wees blij en uit dat door samen te zingen over Jezus die geboren is uit een “Maged reine die hoog moet zijn geacht”.
Strofe 3: Een zinspeling op het verhaal van de herders. Bovendien herinnert men ons er aan, dat Bethlehem ‘de’ stad is, reeds eeuwen voorzegd.
Strofe 4: Een verwijzing naar het verhaal van de Wijzen. En dat allemaal ter ere van het Kind, dat voor alles en allen zorg draagt.

Vanwege deze brede inhoud is het lied geschikt voor een groot deel van de Kersttijd. Van een lied hoeft u natuurlijk niet steeds alle coupletten te zingen. Neem wat het beste in een bepaalde dienst past.

Als we de melodie bekijken, zien we vier zinnen, die heel evenwichtig zijn van opbouw. Het is een spel van stijgen en dalen, een spel van afwisseling en orde.

Toevallig? ls Kyrieleis ook nog het spiegelbeeld van ‘Nu zijt wellekome’. Een lied om samen en met enthousiasme te zingen. Doe het met een zekere vaart.

Neem als dirigent het lijnenspel goed in u op en dirigeer deze melodie beslist niet in vieren, u maakt er de melodie mee stuk. Echt in tweeën dirigeren, ook al lijkt het volk wat moeilijk mee te krijgen. Bovendien heeft u ook nog een meewerkende organist.

Gedachten bij een lied: Heer, herinner u de namen

Dit maal een lied waarbij ik speciaal gedacht heb aan hen die regelmatig rouwdiensten verzorgen. In G.v.L. staat op blz. 609 een register op het liturgisch jaar. Geheel onderaan vindt u een aantal gezangen die bestemd zijn om gezongen te worden bij een Uitvaart. Na enig aarzelen heb ik gekozen voor lied no. 453. Ik zeg U er echter meteen bij dat dit lied niet een van de gemakkelijksten is. Toch bied ik u het lied ‘Heer, herinner u de namen van hen die gestorven zijn’ aan, omdat ik het spijtig zou vinden als dit lied ongebruikt zou blijven.

Jubilate 20, 2 (mei 1987)

Th. Klaus

Ik zei u zo juist dat ik wel even geaarzeld heb bij het kiezen van dit lied. Mijn aarzeling ligt niet alleen bij de moeilijkheidsgraad van de melodie, maar ook bij de inhoud van de tekst.Heer_herinner_u

Als u aandachtig en op uw gemak de tekst doorleest, zoudt u bij de eerste twee strofen kunnen opmerken: Is het zo erg met ’n mens gesteld? Is het niet wat erg donker aangezet? Weet dan dat de dichter M. Verdaasdonk (1918–1966) in het dagelijks leven als voorzitter verbonden was aan de Rabobank te Amsterdam, m.a.w. hij wist uit dagelijkse ervaring hoe een mensenleven in elkaar kón zitten met, naast het vele schone en goede, ook zijn pijn zijn lijden en zijn eenzaamheid. In strofe drie wordt echter al verwezen naar de vergeving – Maria Magdalena en de rover aan het kruis – en in strofe vier wordt terecht gevraagd: “Waarheen zuilen wij anders gaan.” Een tekst dus die, ondanks het wat donker lijkend begin, vol warmte zit, de warmte van het geloof, van de hoop, van de genade.

(DRUKFOUT: in regel 7 van de eerste strofe moet u NA veranderen in NAAR.)

De melodie van Herman Strategier richt zich geheel naar de tekst; rustig declamerend helpt zo’n melodie de tekst te ondersteunen en te verhevigen.

Gaan we de melodie van wat dichterbij bekijken dan merken we dat er van de acht regels maar twee aan elkaar gelijk zijn (regel 1 en 3). Zit er dan verder geen houvast in de melodie? Jawel, maar anders dan ik u in een vorige Jubilate wel eens heb laten ontdekken. De componist werkt hier met een soort kleine kernen. Ik kan u dat het beste laten zien aan de hand van het volgende: b.v. een drietal dalende noten zoals -e-d/g-f-e/a-g-f in regel 5 en 6 (dit dalende motief komt reeds in regel 2 voor) of een drietal stijgende noten zoals a-b-ois/b-cis-d in regel 7 (ook dit motief is al in regel 4 aanwezig). Zo iets noemt men sequenzen; eenzelfde motief hoger of lager herhalen. Maar genoeg gewerkt met het ontleedmes. Ofschoon ik er van overtuigd ben, dat u een melodie beter gaat zingen, als u iets van de opbouw begrijpt.

Ik vraag nog wel uw aandacht voor het begin van regel 4 en vooral voor heel regel 7. Studeer deze passages zeer zorgvuldig in, anders blijft u er altijd mee sukkelen.

Zing bij elkaar wat bij elkaar hoort en draag de tekst rustig voor. Rustig voordragen wil echter niet zeggen ‘saai’ of zonder ‘leven’. Er mag best een zekere gloed in deze melodie doorklinken, dus beslist geen weke, slappe klaagzang.

Maak wat van de smekende aanhef, buit de sequenzen uit, gebruik de chromatisch stijgende stuwing, zing de regels twee aan twee als een eenheid. Houdt de noten zeer gebonden met de juiste klemtonen in de tekst. En let tenslotte op de plaats van komma’s en punten. Zo wordt het een waardige en waardevolle melodie, die past in een verzorgde uitvaartliturgie.

Gedachten rond een lied: Filippenzen 2, 6 – 11

Een fragment uit de brief van Paulus aan de Christenen van Filippi is voor twee hedendaagse dichters uitgangspunt geweest een liedtekst te schrijven. leder heeft op heel eigen wijze de verzen 6 – 11 uit het tweede hoofdstuk van genoemde brief verwoord.

Jubilate 20, 1 (januari 1987)

Th. Klaus

De inhoud van de verzen zou je kort zo kunnen samenvatten:

a. de vernedering van Christus door de menswording en de kruisdood (v. 6 – 8)
b. God heeft Hem verheven en Hem gegeven een Naam boven alle namen (v. 9 – 11).

In het ‘Lied van de deemoed’ heeft Huub Oosterhuis de woorden van Paulus vrijwel op de voet gevolgd. Legt U de teksten maar eens naast elkaar, dan ziet U een frappante gelijkenis. De melodie, welke Bernard Huijbers bij de tekst van Oosterhuis componeerde, heeft een heel vrije, losse vorm, waarbij je soms even aan een gregoriaanse hymne denkt. De melodie is in twee delen gedacht: een voorzang voor de cantor of het koor en een antwoord voor de hele gemeenschap. De voorzang is stijgend, uitnodigend; vertrekt op de grondtoon en golft soepel naar de dominant. Deze dominant is als het ware een uitnodiging voor de gemeenschap om de melodie over te nemen, af te ronden, namelijk weer rustig dalend naar de grondtoon.

De melodie mag vlot lopen, zonder gejaagd te lijken. Maak geen rusten waar ze niet staan. Zorg dat de melodie eerst heel eigen wordt, begin bijvoorbeeld zonder tekst, zingend op noe en laat de melodie zo tot leven komen, zodat ook de syncope als vanzelfsprekend in het geheel past, zonder forceren, zonder wringen, zonder een harde tik. Daarna past de tekst als vanzelf.

O ja, de kwartnoot in regel 7 moet natuurlijk een achtste noot zijn, maar dat had U al gemerkt.filippenzen

De tekst van Willem Barnard ‘Naam van Jezus die ten dode’ moet men aandachtiger bekijken om de gelijkenis met de paulustekst te ontwaren. Maar evenals de vorige tekst is ook deze van Barnard geïnspireerd op Paulus en de moeite waard om er eens rustig en op uw gemak naar te kijken. Trouwens eerst samen een tekst doornemen en dan pas gaan zingen is een heel goede gewoonte. Maar, zult U opmerken, de tekst van Oosterhuis kan ik in Gezangen voor Liturgie wel terug vinden, maar de tekst ‘Naam van Jezus die ten dode’ niet. U heeft gelijk, laatstgenoemde tekst staat er niet in. Wel zult U aantreffen: ‘Naam van Jezus nu verheven’. G.v.L. heeft volgens mij een kans voorbij laten gaan. De kans namelijk om beide teksten, welke Barnard geschreven heeft en die op dezelfde melodie te zingen zijn, af te drukken. Dat vind ik jammer. Vandaar dat ik U de beide mogelijkheden naast elkaar aanbied.filippenzen2filippenzen3

De melodie, die Theo Cockx hierbij schreef, is zeer de moeite waard om te zingen, maar ook om hem eens op de ontleedtafel te leggen. Kijkt u maar eens naar het volgende schema:

regel 1 = regel 3
regel 2 = regel 4
2e helft regel 5 = regel 6
regel 7 = bijna regel 2.

Bovendien beweegt de melodie zich zonder grote sprongen, er zijn alleen secunde- en terts-afstanden gebruikt. En ofschoon het ritme veel vrijer lijkt door zijn afwisseling van twee- en driedelig, zit er ook in die schijnbare vrijheid een flinke regelmaat. Bij het instuderen kan de dirigent wellicht dankbaar gebruik maken van het bovenstaande. Op allerlei manieren kan er een ‘voor- en nazing’ spel ontstaan en men kan meteen een stem- of inzing-oefening inlassen. Spelenderwijs krijgt U zicht op de onderdelen. Maar… dan komt de melodie weer als geheel. Zing regel 1 en 2 als een eenheid; dat geldt eveneens voor regel 3 en 4 en voor regel 5 en 6. En maak dan met regel 7 een mooie afsluiting. Haal tussen regel 6 en 7 even adem, zonder een gat te laten vallen. Het tempo laat U bepalen door de tekst, dat wil zeggen een fris en niet zeurderig tempo, maar met de nodige rust om toch de tekst zijn kansen te geven.

Gedachten rond een lied: O kom, o kom, Immanuel

Dit keer een lied voor de Advent: O kom, O kom, Immanuel. Misschien een wat onbekend gezang, maar ik wil er u graag eens kennis mee laten maken. Wellicht herinnert u zich nog het zingen van de O antifonen tijdens de laatste zeven dagen voor Kerstmis. Steeds beginnend met de uitroep O en gevolgd door de Bijbelse Messiastitel.

Jubilate 19, 3 (september 1986)

Th. Klaus

Elke dag een nieuwe naam voor de komende Verlosser. We zullen ze ter herinnering nog eens voor u op een rijtje zetten.

Sapientia Wijsheid
Adonaï Heer
Radix Jesse Wortel van Jesse (lsaï)
Clavis David Sleutel van David
Oriens Opgaande Zon (Orient)
Rex gentium Koning der volkeren
Emmanuel God met ons

Als we nu de beginletters van de latijnse tekst van beneden naar boven lezen, vormen zich de woorden ero cras d.w.z. ‘Morgen zal Ik er zijn’. Anders gezegd: morgen vieren we de geboorte van Christus. De speelse en vindingrijke geest van de Middeleeuwers komt in het bovenstaande verrassend om de hoek kijken. Dichter Willem Barnard, die zo vaak met onze rijke romeinse liturgie bezig is geweest en zo’n uitstekende feeling voor en kennis van de Bijbel aan de dag legde, kneedde ook deze oude latijnse antifonen onder zijn dichtershanden en vormde een prachtige, inhoudsvolle adventstekst, met bovendien nog een duidelijke verwijzing naar Paulus. “Weest blij, weest blij, ik zeg het nogmaals, weest blij”. (Fil. 4)

Heeft u dat ook wel eens dat u schrikt van een tekst. En dan bedoel ik niet vanwege zijn smakeloosheid of vanwege de prietpraat, maar omdat de tekst zo vreemd en zo moeilijk lijkt (en vaak ook wel is). En toch… als we er dan eens rustig naar kijken, de tekst aandachtig lezen, er eens over willen nadenken, merken we dat zo’n tekst (ook deze van Willem Barnard) vol verrassingen zit, inhoud heeft, deugdelijk voedsel is.

De herkomst van de melodie is niet meer exact te achterhalen. In Gezangen voor Liturgie staat dat T. Helmore de toondichter is. Deze Engelse predikant en musicus heeft de melodie wel op een bepaalde manier genoteerd (in 1854), maar niet gecomponeerd. De melodie is vrij oud en men veronderstelt dat deze melodie zelfs terug zou kunnen gaan op een oude gregoriaanse kyrie-zang. Hoe dan ook, één ding is in ieder geval duidelijk: de uitvoeringswijze. De melodie mag niet ‘in vieren gehakt’ worden. Kijk door de notatie heen. Als u nog regelmatig gregoriaans zingt of als u het gregoriaans nog in uw bloed heeft zitten, zult u met deze melodie zeker raad weten. Vergeet de maatstrepen dan ook maar en laat de melodie stromen. En let eens op de twee melismen (notengroepjes) die u regelmatig tegenkomt. Het eerste groepje op Im-manuel, herhaald in regel 4 en 5, het tweede groepje op Is-rael, herhaald in regel 6.

Breng een zekere vaart in de melodie zonder te overdrijven. Geef steeds extra aandacht aan de melismen, zodat ze blijven ‘leven’ en niet ontaarden in een dreun. Probeer de melodie zo natuurlijk mogelijk te houden, geen zware accenten, maar licht en blij, want morgen is het zover, dan vieren we het feest van Zijn komst.

En dan nog dit. De eerste vier regels zouden we kunnen zingen als couplet (koor of cantor), de laatste twee regels als refrein (volk). Laat dan wel geen grote opening vallen tussen regel 4 en 5, dat doen we bij de andere regels toch ook niet. Alle goeds met dit adventslied.

o_kom_immanuel