De uitspraak van het kerklatijn

In de voorgaande afleveringen van Jubilate is nogal eens gesproken over de uitspraak van het kerklatijn. En dat vooral in de praktijk van de Gregoriaanse zang. Maar de standpunten leken niet helemaal met elkaar overeen te komen. Zo zou verwarring in de zangerswereld kunnen ontstaan.

Daarom in dit artikel een aantal zaken op een rijtje gezet.

Lees verder

Gregoriaans en orgelmuziek

Door de eeuwen heen heeft het gregoriaans voor veel inspiratie gezorgd bij componisten van orgelmuziek. De oorsprong is terug te vinden in het feit dat de eerste zelfstandige orgelstukken ter afwisseling met het koor gespeeld werden; de z.g. alternatim-praktijk Bij het alternatimspel omspeelde de organist de gregoriaanse melodieën, terwijl een zanger de bijbehorende tekst hardop uit sprak of zong.

Jubilate 26, 3 (september 1993)

Flip Veldmans

Een prachtig voorbeeld hiervan is de Ricercare con obligo di cantare la Quinta parte senza toccarla (ricercare, waarbij men de 5e stem kan zingen zonder haar te spelen) in ‘Fiori Musicali‘ van Girolamo Frescobaldi (1583–1643):

Uitgave bijv. Peters 45l4 of Bärenreiter 2205. Een tekst hiervoor is niet gegeven maar zou kunnen zijn:

In deze bundel vindt u eveneens verschillende orgelstukken die aansluiten bij de 11e gregoriaanse mis (Orbis factor) en de 4e mis (Cunctipotens Genitor Deus). Met name voor gebeds- en/of (advents-)vesperdiensten is het te overwegen deze alternerende vorm van koor en orgel in ere te herstellen!

Ook bij Sweelinck zien we invloeden van het gregoriaans, bijv. in het variatiewerk: Christe qui lux est et dies (uitgave: Vereniging voor Nederlandse Muziekgeschiedenis Amsterdam, Opera Omnia Vol. I, band 2). De oorspronkelijke gregoriaanse versie heb ik nergens kunnen vinden, wie kan me hieraan helpen?

Ook bij Bach zien we duidelijk de weerslag van de gregoriaanse invloeden in de Reformatorische melodieën, zie bijv. zijn grote en kleine Orgelmis. Aangezien deze stukken alleen voor de zeer geoefende spelers geschikt zijn; de manualiterstukken zijn overigens iets gemakkelijker, maak ik een grote stap naar de vorige eeuw. In ‘Petites Fleurs Musicales‘ opus 66 van Charles Tournemire (1870–1939) uitgave bijv. Universal l7465, vinden we prachtige eenvoudige stukjes die schitterend aansluiten bij het gregoriaans. Tournemire heeft deze stukjes in de eerste plaats bedoeld voor het harmonium, een in die tijd zeer populair instrument, vele bekende componisten hebben hiervoor geschreven, zoals César Franck, Louis Vierne, Marcel Dupré. Toch zijn deze stukjes voor orgel ook uitermate geschikt. In de huidige liturgie wordt weleens geklaagd over het ontbreken van mystieke sfeer, deze stukjes (mits goed gespeeld, met de juiste registratie) roepen deze sfeer gegarandeerd op:

Fijne muziek vindt u ook in ‘Le Tombeau de Titelouze’ opus 38 van Marcel Dupré geschreven als eerbetoon aan Jean Titelouze (1563–1633), uitgave Bornemann, Paris Hieruit het Creator alme siderum:

Tenslotte zoeken we het wat dichter bij huis. De bekende Belgische organist en componist Flor Peeters heeft een cyclus geschreven van 30 koraalpreludes over gregoriaanse hymnes opus 76, verschenen in 3 deelties bij Peters resp. 6088, 6089 en 6090. Ter illustratie een regeltic uit het Adoro te devote uit band 2, opgedragen aan zijn vriend Albert de Klerk. De melodie moet met uitkomende stem worden gespeeld. Als suggestie geeft Flor Peeters voor de solostem het cornetregister, voor dc begeleiding fluit 8‘ en prestant 4‘, en op het pedaal een zachte 16‘ en 8’:

Nu we het toch over Albert de Klerk hebben, wist u dat er een schitterend vriendenboek over hem is uitgegeven ter gelegenheid van zijn 75e verjaardag, getiteld Klerke-Werk. Daar vindt u o.a. een prachtig verhaal van Nico Wesselingh over de contacten van de familie Wesselingh met Albert de Klerk met name in de oorlog. Het boek, wat alleszins de moeite waard is te lezen, is verkrijgbaar via de boekhandel, ISBN nr.: 90–304–0686–0. Aansluitend hierop mijn laatste muziekvoorbeeld over het Ave Maris Stella van Albert de Klerk, uitgegeven in deel 2 van de serie Cantantibus Organis, uitgave Wed. Van Rossum, Utrecht, en afkomstig uit ’Octo Fantasiae super themata gregoriana‘. Of het nog verkrijgbaar is weet ik niet, informeer bij de uitgeverij Herman Zengerink te Utrecht, tel. 030–930685.

Ik ben me bewust van een slechts zeer summiere kennismaking met orgelstukken over gregoriaanse melodieën, denk bijv. aan de diverse Magnificats, Ave Maria, orgelmissen, Pange lingua, en niet te vergeten het Te Deum. Moge bovenstaand artikel een uitnodiging zijn aan de echte liefhebber, om mede door middel van orgelstukken het gregoriaans levendig te houden.

Hoe omgaan met beurtzangen in gregoriaanse stijl?

Onder deze titel wil ik graag met u wat nadenken over hoe je de in Gezangen voor Liturgie voorkomende Beurtzangen-Gregoriaanse-stijl moet uitvoeren.

Jubilate 26, 3 (september 1993)

Fr. Nico Wesselingh O.S.B.

Sommigen, die bij het openslaan van GvL dat merkwaardige notenbeeld van een aantal Beurtzangen uit Psalmen zien, zijn geneigd om meteen verder te gaan, op zoek naar een ander genre. Want die losse bolletjes zonder stokken, en die notenbalken zonder maatstrepen, dat is iets ongewoons. En als je niet goed weet hoe je daar mee om moet gaan, dan kun je beter iets anders zoeken, menen ze. En dat is jammer. Want daarmee laat je een genre liggen, dat om meerdere redenen goed bruikbaar is in de liturgie, en dat, ook in zijn eenstemmigheid, een goede afwisseling kan vormen met metrische, ev. meerstemmige gezangen.

Gregoriaans of niet?

We gaan het in dit artikel niet hebben over de waarde van de teksten van deze Beurtzangen, maar beperken ons tot het beantwoorden van dc vraag: voer je deze gezangen uit alsof ze Gregoriaans zijn? Of anders gezegd: wat is het verschil en wat de overeenkomst tussen het ‘echte’ Gregoriaans en deze Gregorianiserende gezangen?

Misschien is het goed eerst in theorie het onderscheid en de overeenkomsten aan te geven tussen die twee.

Gregoriaans is eenstemmige vocale muziek, gedacht zonder begeleiding, op Latijnse telsten, die een verdere ontwikkeling vormt van de oudste kerkmuziek, en zijn bloeiperiode heeft gekend van ongeveer de zesde tot dc twaalfde eeuw. Gregoriaans is gekenmerkt door zijn intense verhouding tussen tekst en melodie, en door zijn modale structuur.

Gregorianiserende composities zijn eveneens eenstemmig gedacht maar hoeven niet op Latijnse teksten te zijn geschreven. Ze zijn ontstaan in latere tijd, omdat in de bloeiperiode alleen Latijn in de liturgie werd gebruikt. De meeste zijn, zeker in ons taalgebied, ontstaan na het Tweede Vaticaans Concilie. toen ook de landstaal als liturgische taal mocht worden gebruikt. Evenals in het Gregoriaans, is ook hier het nauwe verband tussen tekst en melodie een van de hoofdkenmerken. Het zijn vooral de monniken die zich met het componeren van deze melodieën bezig houden. Ze zijn degenen die het meeste behoefte hebben aan zulke composities, nu vele contemplatieve communiteiten hun Getijdengebed in dc landstaal zingen. Langs deze weg proberen zij dezelfde gebeds-sfeer in hun diensten te behouden. En waar zij b.v. een keer in de veertien dagen allec Psalmen zingen en tientallen Beurtzangen, vinden zij in het bestaande, door anderen uitgegeven repertoire, te weinig om hun Getijdengebed mee te ‘stofferen’. Dus moeten ze zelf aan het werk.

De praktijk

Aan de hand van een voorbeeld, genomen uit GvL, willen we nu een beetje duidelijk maken hoe deze melodieën, of beter: hoe deze teksten en melodieën, het bestee tot hun recht kunnen komen.

Vooraf twee opmerkingen. Ten eerste: als het om uitvoering van het Gregoriaans gaat, kan moeilijk gesproken worden over de uitvoeringswijze van het Gregoriaans. De inzichten en praktijk hiervan zijn nogal verschillend, naar gelang van de inzichten van de uitvoerenden. Het spreekt vanzelf, dat de schrijver van dit artikel daarbij in zijn achterhoofd heeft, hoe hij meent dat het Gregoriaans het beste kan worden uitgevoerd, niet zozeer door monniken, maar ook door parochiekoren.

Ten tweede: schrijven over deze zaken heeft altijd het nadeel, dat je niet tot klinken kunt brengen wat je precies bedoelt. Je zou het willen voorzingen. En dat kan wel, maar niemand hoort het als ik dat op mijn kamer ga doen. Er wordt dus veel overgelaten aan het inzicht en het artistieke aanvoelen van de dirigent. En eerlijk gezegd: het kan op meerdere manieren goed gebeuren.

Beurtzang naar Psalm 85

Nu naar de praktijk. Als eerste voorbeeld geef ik dc Beurtzang naar Psalm 85, op blz. 116 van GvL. Eigenlijk is de titel die erboven staat niet geheel juist. Er is niet sprake van de hele psalm, maar van een gedeelte. Rechts, boven de eerste regel, staan gelukkig de verzen van de psalm aangegeven die worden gebruikt.beurtzangen-1

Deze Beurtzang stel ik voor, omdat Psalm 85 zo bijzonder geschikt is voor de Advent, en het duurt niet zo lang meer of we zijn weer zover. Het keervers is gewoon de Nederlandse vertaling van het Latijnse: Ostende nobis, Domine, misericordiam tuam, et salutare tuum da nobis.

Minimum en maximum

Een van de meest gebruikte teksten in de Advent. De melodie van dit keervers geeft meteen een duidelijk voorbeeld van de werkwijze: met een minimum aan middelen een maximum aan expressie bereiken. Lopen we eerst de tekst na: Doe ons, Heer, uw genade aanschouwen, laat komen uw heil over ons. De gecursiveerde woorden zijn de kernwoorden van dit vers. Lees ze maar eens goed over. Als tekst en melodie samen-op-gaan, moet dat in de melodie ook tot uitdrukking komen. Tegenover het recitatiefje (op één toon zingen) van de woorden “Doe ons, Heer”, staat de opgevulde kwint naar omhoog op: “uw genade aan-”. Dat laatste woord wordt afgesloten met terugval op de grondtoon, die hier ook de begintoon is. De halve deelstreep deelt het Refrein duidelijk in tweeën. Begin en einde van het tweede deel staan weer op die grondtoon. Maar nu gaat de kwart op “komen” de melodie opheffen naar grotere hoogte. Het woord “heil” krijgt zijn nadruk door de groep van drie noten. Let op, dat nergens in deze compositie, ook niet in de verzen, een groep van drie noten voorkomt. Dat geeft aan dit woord, mits bewust gezongen, een speciale kleur.

Doe ons, Heer,

Bijzondere aandacht vragen de eerste drie woorden van het Refrein. U denkt misschien: dat gaat op één toon, dat is dus simpel. Vergis u niet. Als u deze drie woorden met evenveel of even weinig nadruk zingt, is de sfeer van dit keervers verknoeid. Bovendien betreft het hier drie eenlettergrepige woorden. Typisch voor onze taal. Dat maakt het nog harder nodig enige nuancering aan te brengen. Hoe moet het dan? Het woord “Doe” heeft een zeker melodisch steunpunt, maar is verder kon. Het woord “ons” heeft dat steunpunt niet, wordt dus licht gezongen. Maar “ons” heeft twee medeklinkers, die om ruimte in de uitvoering vragen. Ze moeten goed worden uitgesproken, en dat vraagt om iets meer tijd. Bovendien staat achter “ons” een komma, als inleiding op de interjectie “Heer”. Ook dat vraagt dus om een licht losmaken van de klank. “Heer” heeft zijn verbreding door de twee noten, waardoor ook de komma achter “Heer” tot zijn recht komt.

Denk nu niet, dat ik met dit soort opmerkingen vergrootglaswerk zit te plagen. Het heeft gewoon alles te maken met de dictie van de tekst. Spreek maar eens hardop de tekst van het Refrein, liefst meerdere keren. Let op de optimale zeggingskracht door de goede uitspraak van de medeklinkers. En als u dan denkt, dat de schrijver over iets aan het zeuren is, dat hijzelf heeft uitgedacht, dan wijs ik u erop, dat de nieuwe inzichten in het Gregoriaans nu juist alles te maken hebben met het tot zijn recht laten komen van de tekst. Waar in het oude Gregoriaans de melodie een stapje terug doet, (zoals ook in het recitatiefje op Doe ons, Heer,), is dat alleen om de tekst optimaal te laten spreken. Wie wat meer in het Gregoriaanse repertoire thuis is, voelt met mij mogelijk de verwantschap aan met een van de mooiste antifonen die we hebben op het feest van Sint Caecilia, die ook met zo’n recitatiefje begint: Est secretum…beurtzangen-2
Merkt u, hoe na zo’n kort recitatief de opgevulde kwint die erop volgt ineens beweging geeft? Het geheel staat echt op de fis, die fundamenteel is. Daarboven en daaronder gaat het uiterst bescheiden spel van de intervallen zijn gang. Alles bijelkaar heeft dit refrein een ambitus van een septiem. Dat komt overigens vaak voor in dit soort composities: een septiem en geen octaaf.

De verzen

De verzen gaan wat meer hun eigen gang. Ze zijn tenslotte voor de voorzang bedoeld. De eerste woorden van alle drie de verzen zijn kernwoorden (Gij koos, Heer / Zij ontmoeten elkaar / Overvloed / Glorie). De melodie begint dan ook op de dominant. Elk vers heeft vier leden. Daarom is de kernmelodie gemakkelijk op de verzen toepasbaar. In tegenstelling tot het Refrein hebben de verzen de omvang van een octaaf. Er is een mooie tegenstelling tussen het eind van de verzen en het begin van het Refrein, dat weer de rust en de smeking herneemt.

Ik wens u veel zangvoldoening met deze Beurtzang. En alvast een bijzonder goede Adventstijd.

Gregoriaans, hoe nu? Slot

Met deze aflevering besluiten wij deze cyclus, die toch al veel langer geworden is dan in beginsel was gepland. U krijgt in dit slot een soort sleutel om in de praktijk met de verworvenheden van de hedendaagse inzichten om te gaan vanuit uw gewone Graduale.

Jubilate 24, 3 (september 1991)

fr. N. Wesselingh

Inlegvel

Op de volgende pagina‘s vindt U een soort schema. Als dat schema goed in de druk van Jubilate is opgenomen, kunt U die pagina‘s uitknippen en in uw Graduale leggen. Zo kunt U bij de repetities altijd even controleren of u met aan te brengen nuanceringen te maken hebt, zoals bijvoorbeeld groepenscheidingen.

Download het Gregoriaans spiekbriefje hier.

Uit de praktijk

Dit schema is niet voor deze gelegenheid gemaakt. Het is ontstaan vanuit de praktijk. Al vele jaren voel ik, dat er veel mensen zijn die best wat willen met de vernieuwde inzichten van het Gregoriaans. Maar het is zo moeilijk om ermee te beginnen. Hoe moet je dat aanpakken? Zelf heb ik dat in onze communiteit als volgt gedaan. Eerst heb ik mijn oren goed de kost gegeven als ik in Solesmes in het koor stond (waar ik gemiddeld jaarlijks een week de kans voor krijg). Vanuit de nuanceringen die zij toepassen (U weet toch dat ‘Solesmes’ al lang niet meer zingt zoals vijftig jaar geleden? Ze passen een bescheiden mate van nuanceringen toe.), probeerde ik te achterhalen wat nu eigenlijk hun systeem daarvoor is. Als je daar in Solesmes naar vraagt, blijkt dat ze dat niet in een systeem hebben samengevat. Evenals Pere Cardine hebben ze een soort schrik voor systemen. Ook het ‘Systeem Mocqereau’ hebben ze daar nooit toegepast. Wie goed oplet merkt echter dat er wel degelijk een lijn in zit, die met wat ‘handgrepen’ toch is te vinden.

Huiswerk

Zo ontstond op de duur dan het schema dat hier is afgedrukt. Het betekende uiteraard wel wat huiswerk, nadenken en op een rijtje zetten. Bij ons in de Abdij passen we dit nu toe, en ik moet zeggen: zonder moeite. Iedereen, ook de minder muzikalen, zien nu vanuit het notenbeeld de nuancering aankomen. In het begin moet je het schema nog wel eens raadplegen, maar later heb je daar geen behoefte meer aan. Ik vind het prettig dit schema U te kunnen aanreiken. Het is dus in de praktijk getoetst en deugdelijk bevonden. Trouwens: als men het in Solesmes ook zo doet, zijn we in goed gezelschap.

Niet alles ineens

Toch waarschuw ik U nog voor een klein gevaar: U moet niet al deze regels ineens gaan doorvoeren. Dan wordt het voor de zangers een soort breuk met de vertrouwde zangwijze, en daardoor te ingewikkeld en te ongewoon. Het beste is, gewoon met een onderdeel te beginnen, en als men dat onder de knie heeft weer iets anders. Mogelijk dat dat een jaar of een paar jaar gaat duren, maar dat is niet erg. Het Gregoriaans is al zo oud, dat er geen haast bij hoeft te zijn.

In tweeën

De twee pagina’s van het schema zijn onderverdeeld in A, B en C. A heeft te maken met groepenscheidingen (coupures) die je zo vanuit het notenbeeld kunt achterhalen. B is een heel ander hoofdstuk: het gaat over de interpretatie van toegevoegde tekens die we al lang kennen, zoals de punt, het liggend episema enzovoort. C heeft te maken met noten die in de uitvoering speciale aandacht vragen. Hier staan enkele basisregels in over het ritme. Zeer belangrijk! Dat het ene A en het andere B heet, heeft niets te maken met belangrijk of minder belangrijk; het is gewoon een gemakkelijk onderscheid. Elk onderdeel wordt geïllustreerd met een notenvoorbeeld, willekeurig genomen uit het Graduale. De noten waar het in de voorbeelden om gaat, zijn voorzien van een klein kruisje. Zo kan er geen vergissing ontstaan.

Altijd weer de tekst

Heel veel van de regels uit het schema hebben te maken met de tekst. Daar heb ik in de artikeltjes ook vaak op gewezen. Toch doe ik het hier nog eens, omdat het gevaar op de loer ligt dat we, door zo op de melodische nuances te letten, vergeten dat het eigenlijk om de tekst gaat. Een voorbeeld: Bij B. 1a (non timebit) zou je je best kunnen doen om de noot waar het kruisje boven staat licht verbreed te zingen, zonder dat je in de gaten hebt dat het eigenlijk om de afsluiting van het woord ‘non’ gaat, en speciaal om de uitgangs-n. Dus altijd op de tekst letten, tenzij men te maken heeft met een melisma.

Nuttig?

Zo komen we dan aan het einde van een hele serie artikelen. Velen hebben er waarschijnlijk moeite mee gehad om ze te lezen en te begrijpen. Helaas, de materie is nu eenmaal niet eenvoudig, en de oude handschriften zijn wonderbaarlijke ritmische notatiesystemen, met een hoeveelheid aan fijne nuanceringen waar wij nog nauwelijks raad mee weten. Dat U met het hier gegeven schema niet alle kneepjes kunt uitvoeren, zal U duidelijk zijn, maar het geeft een verantwoorde aanzet. Als U vele jaren met dit schema gewerkt hebt, komt U misschien ook wel een andere nuancering toe, die U bijvoorbeeld uit het Graduale Triplex kunt halen. Maar dan hebt U inmiddels wel veel gemak gehad van dit schema. Ik wens U veel succes!

Oosterhout
september 1991
Sint Paulusabdij

Gregoriaans, hoe nu? Groepen van drie noten (vervolg)

Afronden

Vorige keer hebben we de groepen van drie noten behandeld, en daarbij twee groepen bewust overgeslagen: de Scandicus en de Salicus. Dat had een speciale bedoeling. Waar we bij de uitvoering van de andere groepen wel op de goede weg zitten met de gebruikelijke interpretatie, zitten we bij de Salicus eigenlijk goed fout. En omdat de Scandicus veel op de Salicus lijkt in zijn vorm, behandelen we deze twee samen in een apart artikeltje.

Jubilate 24, 2 (mei 1991)

Fr. Nico Wesselingh 0.S.B

Scandicus

De Scandicus is een groep van drie opgaande noten, soms meer. In de Handschriften staat hiervoor het volgende teken:groepen_drie_noten1

Hieruit blijkt al iets van de interpretatie die de groep moet krijgen. De twee punten duiden op lichte noten, waarvan de tweede schuin boven de eerste staat. De derde is een Virga, een accentteken, dus niet alleen hoger dan de tweede, maar ook de noot met de meeste nadruk.

Alleen in samenstelling

Het teken voor de Scandicus zoals hierboven weergegeven, komt alleen voor in samenstellingen, dus: als er op dezelfde lettergreep ook nog andere noten aan de Scandicus voorafgaan en/of volgen. Als de Scandicus losstaand voorkomt, zijn er altijd één of meerdere noten van de Scandicus verbreed. Bijvoorbeeld:

groepen_drie_noten2of:groepen_drie_noten3

Hieruit mag worden geconcludeerd, dat de Scandicus in een samengestelde neum veelal een lichte groep is. De noten worden als in het voorbijgaan genomen. Waarbij de laatste van de drie, de Virga, duidelijk de belangrijkste is. Overigens: herinnert u zich nog, dat we het al vaker zijn tegengekomen, dat de bovenste noot van een groep de belangrijkste is? Het is goed deze lijn in het Gregoriaans in de gaten te houden. Voorbeeld 1 geeft een passage weer met een ‘gewone’ Scandicus in een samengestelde groep.

Voorbeeld 1: Alleluia, eerste modus.

Voorbeeld 1: Alleluia, eerste modus.

Intervallen

Als de Scandicus alleenstaand voorkomt, is er dus altijd iets meer aan de hand dan drie lichte noten. Dan krijgt een van de drie wat meer reliëf dan de anderen, of twee van de drie, of worden alle drie belangrijk. Dat belang moet dan worden gerealiseerd op het terrein van ritmische intensiteit of van verlenging. Ook hier weer geldt: nooit overdrijven. Het zijn altijd lichte nuances. Verder merken we op, dat, als de twee onderste noten worden weergegeven door puntjes of horizontale streepjes (tractulus), die twee gewoonlijk maar een kleine interval hebben. Als de interval groter wordt dan een terts, wordt de hele vorm van de Scandicus gewijzigd, Ook in onze gedrukte boeken.

Enkele voorbeelden zullen dat duidelijk maken:

Voorbeeld 2: De bovenste noot verlengd (Grad. Rom. p. 273)

Voorbeeld 2: De bovenste noot verlengd (Grad. Rom. p. 273)

groepen_drie_noten6

Voorbeeld 3: De eerste noot wordt verlengd (Grad. Rom. p. 231)

groepen_drie_noten7

Voorbeeld 4: De drie noten worden verlengd (Grad. Rom. p. 201)

Interval van meer dan een terts; de vorm van de groep verandert:

groepen_drie_noten8

Voorbeeld 5: Aanhef Introitus Statuit (Grad. Rom. p. 445)

groepen_drie_noten9

Voorbeeld 6: Graduale Exsurge, Domine (Grad. Rom. p. 150)

Voor wat de Scandicus met grote interval aan het begin betreft (dus de laatste twee voorbeelden) wordt ook de uitvoeringswijze anders. In deze gevallen krijgt de tweede noot de grootste waarde. (Men verbreedt hem gewoonlijk). In de Handschriften zie je duidelijk dat er ruimte is gemaakt tussen de tweede en de derde noot. Groepenscheiding dus. En de vaste regel is, dat de noot vóór de scheiding dan verbreed wordt.

Het komt ook voor dat de copist de eerste noot van de volgende scheidt. Dan wordt de eerste noot verbreed. En wel zo, dat de twee volgende er uit voortvloeien. Dus twee en drie zijn dan veel minder belangrijk dan de eerste. Als voorbeeld de aanhef van de communio van Sint Stephanus:

Voorbeeld 7 (Grad. Rom. p. 635)

Voorbeeld 7 (Grad. Rom. p. 635)

Helaas staat in dit soort gevallen vaak een streepje onder de tweede noot. Als zanger of dirigent denk je dan, dat het een Salicus is en ga je de tweede noot verbreden. Fout dus. Voor zulk soort gevallen moet de dirigent gewoon z’n Triplex raadplegen. De handschriften zijn in deze duidelijk en niet moeilijk te lezen, als je het scheidingsprincipe aanhoudt.

Voorbeeld 7a: Nog zo'n voorbeeld (Grad. Rom. p. 132)

Voorbeeld 7a: Nog zo’n voorbeeld (Grad. Rom. p. 132)

En, zult u zich misschien met een zucht afvragen, wat moet ik nu met die groep, die zo eenvoudig lijkt maar zo verschillend kan zijn, terwijl ik geen Graduale Triplex gebruik? Er een aanschaffen, zou het laconieke antwoord kunnen zijn. Als u dat teveel vindt, dan lijkt een goede handleiding: Houd de Salicus binnen een groep meestal licht, alle drie de noten. Zeker als de beweging ook na de Scandicus nog verder naar boven gaat. Is de laatste noot van de Scandicus tevens topnoot van een passage, dan die laatste zeker de nodige intensiteit geven. Als de laatste noot van de Scandicus samenvalt met de afsluiting van een lettergreep, dan zal hij vaak goed enige ‘ruimte’ kunnen krijgen. Staat de Scandicus aan het begin van een lettergreep, dan zal de eerste noot vaak het belangrijkste zijn. En voor de rest moet u vooral uw muzikale smaak laten werken.

De Salicus

In onze gedrukte boeken verschilt de Salicus alleen van de Scandicus door het staand episema, dat door de monniken van Soiesmes indertijd onder de tweede noot is toegevoegd. Dat was nog aan het begin van de restauratie van het Gregoriaans. De bedoeling was, dat de tweede noot als de belangrijkste zou worden gezien, en daarom zou worden verlengd. Men kwam vanuit de schrijfwijze in de handschriften zo ongeveer tot de volgende redenering: De notatie van de Salicus lijkt op die van de Scandicus.

De tweede noot heeft in de handschriften een andere vorm, lijkt belangrijker dan het ‘puntje’ in de Duitse Handschriften, dus zal dat wel de belangrijkste noot zijn. Dus lijkt het verantwoord die tweede noot te verbreden. Dat verschil tussen Scandicus en Salicus moeten wij in de boeken met een hulpteken aangeven, want aan de vorm van de groep zelf kun je dat niet zien.

Laten we hier eerst beide notengroepen in hun eenvoudige vorm afdrukken met de bijbehorende handschrifttekens:

Voorbeeld 8: Scandicus en Salicus

Voorbeeld 8: Scandicus en Salicus

Op het verkeerde been gezet

De ‘afwijkende’ noot in de Salicus heet Oriscus. Studie van de handschriften in al hun variëteit wat betreft de Salicus. leert ons dat die oriscusnoot alleen maar een lichte siernoot kan zijn, die tendeert naar de volgende noot. Hoe die siernoot precies is uitgevoerd in de oudheid, weten we niet. In elk geval niet als een zware noot. Bovendien leidt een vergelijking van de oriscus in zijn oudste vorm en in zijn gereduceerde vorm met de derde noot tot de conclusie dat het schrijven van de Oriscus eerder iets beweeglijks heeft dan de staande virganoot van de Salicus. En zo zitten we dan met de gebakken peren: boeken die onjuiste aanwijzingen geven, en koren die op vasthoudende wijze die verkeerde tekens als uitgangspunt gebruiken. Wat nu?

Luisteren naar melodie en tekst

De beste manier om de verschillen tussen de traditionele uitvoeringswijze en de oude goed te horen of te laten horen, is ze een aantal keren op beide wijzen (voor) te zingen. Uit de tientallen, goede voorbeelden daarvan kies ik er drie. Eerst op blz. 20 van uw Graduale. Daar staat op tweede regel van het Offertorium ‘Deus’ het woord plebs.

Voorbeeld 9: Graduale Romanum blz. 20 en 21

Voorbeeld 9: Graduale Romanum blz. 20 en 21

Zing deze groep (en ook de noten ervoor en erna) nu eens hardop. Verbreed eerst de tweede noot van ‘plebs’. Een beetje veel mag zelfs, want met overdrijven hoor je soms beter het verschil. Klinkt best goed, denkt u misschien nog. Maar doe het nu eens opnieuw, en zing naar die derde noot van plebs toe en verbreed die. Merkt u nu, dat die verbreding eigenlijk nodig is om de bijbehorende medeklinkers uit te spreken. Het zijn er nogal wat: de b en de s en de t als overgang. Hoeveel meer recht doet u aan de tekst, als u de derde noot verbreedt en ruimte maakt voor die medeklinkers! Probeer het nog eens op de ‘oude’ manier. Merkt u, dat de laatste noot eigenlijk een beetje bij de volgende groep en de volgende lettergreep wordt getrokken? Onrecht aan de tekst! En daar waren de oude Gregorianisten zo gevoelig voor. Al gewonnen voor dit nieuwe (!) inzicht?

Zo niet, probeer het dan eens met zo’n zelfde groep op de volgende bladzijde, Uit de Introitus Gaudete. Op de tweede regel staat het woord ‘modestia’. Zing maar weer eens op beide manieren. En neem dan tegelijk ook de groep mee op ‘vestra’. Voelt u dat ook daar de laatste noot ruimte vraagt voor de medeklinkers? De handschriften geven daar dan ook speciale tekens. Als u daarna nog niet bekeerd bent, moet u eens naar onze roemruchte Introitus Requiem gaan.

Voorbeeld 10: Graduale Romanum p. 669

Voorbeeld 10: Graduale Romanum p. 669

Het tweede woord ‘aeternam’ heeft op de eerste lettergreep een Salicus. En na die Salicus een hele mooie samengestelde groep op de lettergreep ‘ter’. Als je nu de Salicus naar de derde noot toezingt, de letter r goed uitspreekt en dan delicaat met de volgende groep begint, dan merk je hoe zo’n Salicus ook invloed heeft op de volgende notengroep.

Genoeg

Ik hoop dat dit voldoende is om u enig inzicht te verschaffen in deze twee notengroepen. Ik wijs er nog op, dat zowel de Scandicus als de Salicus vormen kent van meer dan drie noten, maar het principe blijft hetzelfde. En let erop, dat de groepen van de Salicus die een losse eerste noot in de handschriften hebben (ik sprak er hierboven over) een verbrede eerste noot moeten hebben, Als u in uw koor met een ombuiging naar de nieuwe uitvoeringswijze wilt beginnen, zeg dan niet gewoon: ‘Vanaf volgende week voeren we Salicus anders uit’, maar repeteer daar vooral de eerste tijd wat met de zangers mee. Want het klinkt toch nogal wat anders en sommigen raken misschien al zingende in de war. Ik wens er u veel sterkte bij en ook esthetisch genoegen.

Uit de orgelhoek: Omgaan met kerktoonladders 1

In de vorige aflevering van Jubilate heb ik beloofd net een en ander over de orgelbegeleiding in kerktoonladdlers te vertellen, dit naar aanleiding van de werkwinkel voor organisten op de Kontaktdag van dit jaar te Etten-Leur.

Jubilate 23, 2 (september 1990)

Flip Veldmans

Allereerst is het van belang de karakterverschillen van de diverse toonladders te onderscheiden. Speel eens de toonladder van C groot (majeur) en daarna de toonladder van a klein (mineur). Speel in de mineur-ladder in plaats van een g een gis, omdat we bij mineur in de regel uitgaan van de harmonische kleine terts toonladder, dat wil zeggen de zevende toon wordt verhoogd en heet leidtoon. De leidtoon is geen ‘vaste’ verhoging aangegeven na de sleutel, maar moet steeds worden genoteerd.kerktoonladders1_1

Zie de verschillen in hele en halve tonen.

Het spelen van majeur en mineur moet in de meest gangbare toonsoorten moeiteloos toegepast kunnen worden om een goed inzicht te hebben van de tonen die gebruikt worden, en het aantal kruizen of mollen, dus de voortekens, die erin voorkomen. U hoort hopelijk ook duidelijk het karakterverschil tussen majeur en mineur.

Deze verschillen gelden nog sterker voor de kerktoonladders. Elke reeks heeft zijn eigen ‘karakteristiek’ waarvan gebruik gemaakt kan worden in de begeleiding en die mede de kleur bepaalt van de toonreeks. De eerste kerktoonladder is de dorische ladder, als volgt opgebouwd:kerktoonladders1_2

Let weer op de opeenvolging van hele en halve tonen. Als we d-dorisch vergelijken met d-mineur dan zien we dat met name de zesde toon verschilt:kerktoonladders1_3

(de leidtoon laat ik voor het gemak even buiten beschouwing). Het karakteristieke interval d – b staat bekend als de ‘dorische sext’ en geeft kleur aan de dorische toonladder.

De volgende kerktoonladder is de frygische ladder:kerktoonladders1_4

Gemakshalve ga ik steeds uit van de natuurlijke tonen van de toonladder, we hebben dan geen ‘last’ van verhogingen en verlagingen en de opeenvolging van hele en halve tonen komt duidelijker naar voren. Ook nu weer maken we een vergelijking met de mineur-toonladder:kerktoonladders1_5a

Onmiddellijk bij de tweede noot valt een verschil te bemerken. Deze sekunde heet de ‘frygische sekunde’ en draagt weer bij aan de eigen kleur van deze reeks.

Nu volgt de lydische toonladder:kerktoonladders1_6

Bij de dorische en frygische ladder maakten we een vergelijking met een kleine terts toonladder, deze reeks en ook de volgende ladder kunnen we het beste vergelijken met een grote terts toonladder, vanwege de afstand van de eerste naar de derde toon:kerktoonladders1_7

Ziet u de ‘lydische kwart’?

Dan volgt de vijfde reeks, metals karakteristiek de ‘mixolydische septiem’:kerktoonladders1_8

Tenslotte zien we dat een aeolische toonladder praktisch overeenkomt met de kleine terts toonladder:kerktoonladders1_9

Bij het bepalen van de toonsoort kijken we steeds naar de slotnoot in kombinatie met de voortekens. Vraag steeds af of het majeur of mineur is, zoniet, dan kijken naar de kerktoonladders. Bij dorisch is het verschil een sekunde; d-dorisch heeft de voortekens van C, e-dorisch de voortekens van D, enzovoort, Bij frygisch is het verschil een grote terts; g-frygisch heeft de voortekens van Es, b-frygisch de voortekens van G, enzovoort.

Lydisch, het verschil is nu een reine kwart, g-lydisch voortekens van D, c-lydisch voortekens van G. U begrijpt het systeem al?

Mixolydisch, verschil een reine kwint; e-mixolydisch voortekens van A. Vaak staat een gehele melodie niet in dezelfde toonsoort.

Voorbeeld GvL 306:kerktoonladders1_10

Het begin staat in a, op Jezus gaan we naar d-dorisch, waarbij we het a-akkoord kunnen beschouwen als dominant van d, ‘wij verkondigen uw dood’ gaat naar F, het einde staat in e-frygisch, waarbij e weer de dominant is van het beginakkoord a. U ziet, voordat je begint te spelen en te harmoniseren eerst de melodie goed analyseren.

In een volgende aflevering zullen we aan de hand van een aantal voorbeelden het begeleiden in kerktoonladders gaan bekijken.

Gregoriaans: hoe nu? Groepen van drie noten

Om maar met de deur in huis te vallen: die zijn er vijf: de torculus, de porrectus en de climacus. De scandicus en de salicus vormen een paar apart. We zullen deze groepen elk afzonderlijk onder de loep nemen.

Jubilate 23, 3 (september 1990)

Fr. Nico Wesselingh O.S.B

Torculus

Als u zich nog herinnert van het vorige artikel hoe het handschriftteken voor de podatus en voor de clivis eruit zag, dan weet u ook hoe dat teken voor de torculus er uit ziet: het is gewoon een combinatie van die twee tekens: Podatus:drie_noten_1

+

clivisdrie_noten_2

= torculusdrie_noten_3

De oude schrijvers hadden er weinig behoefte aan nieuwe tekens uit te vinden. Daarom namen ze gewoon twee bestaande tekens, die in elkaar geschoven werden.

Maar daarmee is niet alles gezegd. Er is geen groep die zoveel verschillende schrijfwijzen kent als de torculus. Er zijn er twaalf bekend in de Duitse Handschriften. Ik geef ze u hier alle twaalf.

Voorbeeld 1: Twaalf verschillende schrijfwijzen van de torculus.

Voorbeeld 1: Twaalf verschillende schrijfwijzen van de torculus.

Als u denkt dat die twaalf tekens willekeurig door elkaar werden gebruikt, dan vergist u zich. Elke schrijfwijze heeft zijn eigen betekenis en dus ook zijn eigen aanwijzingen voor de uitvoering. Er zijn dus minstens twaalf manieren om de torculus uit te voeren. Eigenlijk meer, want ook de letters voor ritmische nuancering: t(enete) en c(eleriter), met al hun combinaties, komen veelvuldig voor. We gaan hier niet al die uitvoeringsverschillen behandelen. Dat kun je eigenlijk alleen maar goed voorzingen. En zingen achter mijn tekstverwerker is wel leuk, maar u schiet er niets mee op. Op één verschijnsel wil ik u wel wijzen: no. 3 van deze tekens geeft een torculus weer die in zijn geheel verbreed is. Dit tegenover teken no. 1, waarvan alle drie de noten licht zijn. Als u die twee tekens probeert te schrijven, dan merkt u dat u voor no. 3 meer tijd nodig hebt. Precies: dat heeft te maken met de verbreding.drie_noten_5

Het woord torculus gaat terug op het latijnse torqueo: draaien, wenden. Hier volgens mij het beste vertaald met: slingerlijn.

De opbouw is eenvoudig: laag – hoog – laag. Hoevéél hoger en lager, daar maakten de schrijvers zich geen zorgen over: de melodie moest je toch ten naaste bij uit het hoofd kennen, Er is een uitzondering: teken 2 heeft een lange ‘staart‘ naar beneden. Dit teken werd alleen gebruikt, als de laatste noot van de torculus meer dan een terts naar beneden ging. (Zie voorbeeld 2). In de afbeeldingen 9 – 12 is de eerste nooit onverbreed, de andere twee zijn verbreed. Soms wordt dat nog versterkt door de letter t (vertragen), waarbij de streep van de t over de tweede en derde noot wordt uitgestrekt:

Voorbeeld 3: Dubbel verbrede torculus: door schrijfwijze en toegevoegde t.

Voorbeeld 3: Dubbel verbrede torculus: door schrijfwijze en toegevoegde t.

Helaas komt deze notatiewijze in onze boeken niet voor. Het spreekt vanzelf dat een lichte torculus midden in een jubilus een andere uitvoering krijgt dan een verbrede torculus in een eindcadens. Bij de eerste gaat de melodie verder, passeert als het ware de torculus, terwijl in het tweede geval door die torculus de slotnoot wordt voorbereid. Ook hiervan een voorbeeld.

Voorbeeld 4: Salutare: passagegroepen. Eius: Verbrede cadenstorculus.

Voorbeeld 4: Salutare: passagegroepen. Eius: Verbrede cadenstorculus.

Porrectus

Eigenlijk is de porrectus een omgekeerde torculus. Geeft de torculus een beweging laag – hoog – laag aan, bij de porrectus is dat: hoog – laag – hoog. Ook hier geven de handschriften als teken dezelfde combinatie als bij de torculus, maar nu niet in de volgorde podatus-clivis, maar andersom: clivis-podatus.

Clivisdrie_noten_8

+

Podatusdrie_noten_9

= Porrectusdrie_noten_10

Het clivis-teken is duidelijk herkenbaar, maar de ronding aan het begin van het podatus-teken is weggevallen door de manier van schrijven. Jammer dat in de schrijfwijze van onze moderne boeken de samenstelling van clivis en podatus is verloren geraakt.

Vaak is de laatste noot van de drie verbreed met een liggend streepje.drie_noten_11

Soms zijn de eerste en de tweede noot verbreed, waarbij dan de twee onderdelen vaak weer worden losgemaakt.drie_noten_12

Veel mensen hebben in het begin moeite met het lezen van deze groep. De dikke streep, soms erg lang, voortkomend uit de latere schrijfwijze, heeft op zich geen betekenis, ook al valt die streep het meeste op. Alleen het begin en het einde, die geven de eerste en de tweede noot aan.

Voorbeeld 5: Begin en einde van de dikke streep geven de twee eerste noten aan.

Voorbeeld 5: Begin en einde van de dikke streep geven de twee eerste noten aan.

Het woord porrectus heeft iets te maken met die vorm, ook puur taalkundig. Je zou het het best kunnen vertalen met: uitgerekte notengroep.

Climacus

Ook de klank van dit woord heeft verband met de betekenis van het overeenkomende Nederlandse woord. Climacus houdt verband met het Griekse woord voor ladder. Het klimakterion was de ‘gevaarlijke’ ladder. De leeftijd van 7, 14, 21 jaar enz. gold als gevaarlijk. Dat waren de sporten van de levensladder. U hebt het al begrepen: Climacus en klimmen heeft iets met elkaar te maken. (Johannes Climacus is de naam van een middeleeuwse monnik, die bekend geworden is, omdat hij een boek schreef over de ladder van deugden waarlangs de monnik naar de hemel kon klimmen. De titel van het boek: Hemelse ladder, heeft hem zijn bijnaam bezorgd. Wij zouden zeggen: Jan Ladder).

De vorm van de notengroep heeft iets van een ladder, ook nog in huidige boeken. Ze bestaat uit een virga (sterke noot) met daarachter minimaal twee, soms wel vijf dalende noten. Heel vaak gaan deze noten in secundeschreden naar beneden. Vaak zijn deze noten licht, soms is er een of zijn er enkele verbreed. (Zo een verbreding wordt in de handschriften aangegeven door het puntje te veranderen in een horizontaal streepje.) Als in onze boeken een staand episema onder zo een ruitnoot staat, heeft men daarmee vaak willen aangeven dat die noot in de handschriften verbreed is. Licht uiteraard.drie_noten_14

Er zijn ongeveer negen schrijfwijzen van de climacus. Ik zal ze u besparen.

Eind goed

Het lijkt me een goede zaak, om er aan het einde van dit artikeltje nog eens op te wijzen, dat de laatste noot ook van de hier besproken groepen-van-drie in veel gevallen om extra aandacht vraagt. Dat heeft weer te maken met de afsluiting van woorden en/of lettergrepen. In het vorige artikel heb ik daar uitvoerig over gesproken, dus ga ik dat hier niet herhalen. Ik wil er hier alleen nog eens op wijzen, omdat wij in onze uitvoeringspraktijk ook bij de groepen van drie te vaak de eerste noot benadrukken ten koste van de tweede en derde. Welnu, soms vraagt de derde noot meer aandacht dan de eerste, en soms de tweede en de derde. En dat alles natuurlijk zonder overdrijving, maar altijd uitgaande van de dictie van de tekst, het afsluiten van het woord of van de lettergreep, zeker als daar stemhebbende medeklinkers aan te pas komen. Hier dreig ik weer te gaan zingen om het u te laten horen…

In het vat
Sommigen onder u zal het vast wel opvallen, dat er twee groepen van drie noten nog niet aan bod zijn gekomen: de scandicus en de salicus. U hebt gelijk, maar die worden niet vergeten. De scandicus en de salicus hebben in hun verschijningsvorm veel met elkaar gemeen, maar vragen om een verschillende uitvoering. Daarom komen we daar in een volgend artikel apart op terug. Het zou nu te lang worden. Tot dan.

Sterretjes, maar niet van Bethlehem

Wie in het oude Graduale Romanum of in het Liber usualis kijkt, en ziet hoeveel sterretjes er in de zangstukken staan, zal mogelijk sterretjes voor zijn ogen gaan zien. Soms staan er zelfs twee sterretjes naast elkaar. Wie de oude met de nieuwe boeken vergelijkt, kan constateren dat er veel minder sterretjes staan in de nieuwe. Waarom? En wat moet je met die sterretjes? Betekenen ze allemaal hetzelfde? Daarover gaat dit artikeltje.

Jubilate 23, 1 (januari 1990)

Fr. Nico Wesselingh O.S.B.

Intonatiesterretje

Aan het begin van een Gregoriaanse compositie staat, na een of na enkele woorden, in de tekst een sterretje. Die eerste frase kan worden gebruikt om door één of enkele mensen te laten zingen als intonatie. Daarmee wordt dan aangegeven: de toonhoogte, het tempo en eventueel het karakter van het te zingen stuk. Het intoneren (aanheffen) van een Gregoriaans stuk is dus meer dan zomaar een kans voor een solist om te schitteren. Wat na het sterretje volgt is zó met het voorgaande verbonden, dat het niet verantwoord is daarvan een zelfstandig iets te maken. Dat is niet zomaar een vinding van mij. In het vernieuwde Graduale staat een duidelijke opmerking in dit verband: Het sterretje dient als een aanwijzing, zoiets van: tot hier kun je de intonatie laten zingen. Je mag het ook anders doen. Letterlijk staat er: “Men kan de aanhef ook korter of langer maken, of, nog beter, het gezang met allen tegelijk beginnen.” Met een goede dirigent voor een schola moet dat mogelijk zijn.

Langer of korter

Ter verduidelijking een paar voorbeelden uit het Graduale. Op blz. 108 staat de Introitus Laetare * Ierusalem. Het sterretje staat achter Laetare, maar wie die eerste woorden zingt merkt dat het woord Jerusalem zo omhoogschiet uit het woord Laetare, dat je je bijna moet inhouden om niet ook het woord Jerusalem meteen erachter te zingen. Hier zou je de aanhef dus eerder langer maken.sterretjes1

Ook een voorbeeld van de mogelijkheid om de intonatie korter te maken Op blz. 202 staat de introitus van dinsdag in de Paasweek: Aqua sapientiae. * Hier zou het intonatie sterretje gemakkelijk, en ik denk zelfs beter, achter Aqua kunnen staan. Merk trouwens op, dat deze verkorte aanhef sterk lijkt op die van de Dagmis van Kerstmis: Puer *sterretjes2 .

Verplaatste sterretjes

Op een aantal punten in ons Graduale zijn de sterretjes verplaatst. Wie in een oud Graduale kijkt ziet b.v. bij Pinksteren de Communio-aanhef als volgt aangegeven: Factus est *. In ons nieuwe Graduale is dat geworden: Factus est repente. Hoewel de aanhef melodisch op die van Kerstmis lijkt en op de hier afgedrukte ‘Aqua’, heeft men er toch de voorkeur aan gegeven om het sterretje te verplaatsen. En terecht. Want in de andere voorbeelden loopt de melodie gewoon verder. Bij deze Communio wordt na ‘repente’ een melodische frase afgesloten. Bij ‘de caelo’ begint iets nieuws. Ik heb ze nooit geteld, maar ik denk dat zeker enkele tientallen sterretjes zijn verplaatst.sterretjes3

Aansluiten

Op veel koren probeerde men met veel zorg, en vaak met wisselend resultaat, om geen ruimte te houden tussen de aanhef en het vervolg door het koor.

Het leek dan wel of het koor in de startblokken stond om de fakkel van de voorzangers over te nemen als in een estafetteloop. Het resultaat was vaak onrustig en ook wat schichtig: geen echte koorinzet. Daarom denk ik dat het overweging verdient om alle intonaties door allen te laten zingen, hoezeer ik ook voor afwisseling ben in de uitvoering van het Gregoriaans. Veel koren zouden ermee winnen als men de aanhef met allen tegelijk zong en het vers achter de introitus-antifoon en ook de verzen van Graduale en Alleluia met slechts een of enkele zangers.

Verdwenen sterretjes

Het lijkt wel het verhaal van de Drie Koningen: in het nieuwe Graduale zijn nogal wat sterretjes verdwenen die in het Oude Graduale wel voorkwamen. Allereerst zie je in het oude Graduale in elk Alleluia een sterretje staan. Tot zover zongen de voorzangers, waarna het koor het overnam. Over dit sterretje hoeven we niet te praten. Het voorwoord van het Graduale geeft twee mogelijkheden aan: Of de zangers zingen het Alleluia in zijn geheel, dus met Jubilus, voor en het koor herhaalt het. Of het hele koor zingt eenmaal het Alleluia met Jubilus. Het sterretje is daar dus geheel overbodig geworden.

Dan zijn er nog: de sterretjes die in Graduale, Alleluia en Tractus aan het eind van het vers of van de verzen stonden. Bedoeling hiervan was, dat het koor daar de zang van de voorzangers overnam en het gezang tot het einde vervolgde. Aangezien we nu wat meer de rolverdeling in de gaten houden, is de regel dat de voorzangers:

het vers van het Graduale helemaal afzingen, waarna dan het koor het Graduale van voren af aan kan hernemen, waarbij dus het intonatiesterretje niet in acht wordt genomen;

het vers van het Alleluia geheel afzingen, en het koor het Alleluia herneemt;

of de anderen, die het laatste vers van de Tractus zingen, dat laatste vers tot het einde toe zingen en daarmee de zang van de Tractus besluiten.

Nog meer sterretjes

Om volledig te zijn: Er zijn behalve de genoemde sterretjes nog twee andere soorten, die echter weinig aandacht vragen.

In psalmodie staat steeds een sterretje om de pauze tussen de z.g. halfverzen aan te geven. Zie b.v. p. 690 en p. 856 van het Graduale Romanum. Deze pauze, mediant genoemd, vraagt bij Psalmodie extra aandacht, maar valt hier buiten beschouwing.sterretjes4

Dan zijn er nog de sterretjes, die voorkomen in sommige slot-kyrie’s uit het Kyriale (Zie voorbeeld 5). Als het slotkyrie drie incisies telt, wordt tussen de eerste en de tweede incisie (vaak een herhaling van het voorgaande stukje melodie) één sterretje geplaatst, tussen de tweede en de derde incisie (de afsluiting) een dubbel sterretje. Bij deze sterretjes kan men een ‘ro|verdeling’ toepassen, als de slotfrase maar door allen gezongen wordt en niet door een paar zangers alleen.sterretjes5

Tot zover dit verhaal over sterretjes. Ik hoop dat u nu geen sterretjes voor uw ogen gaat zien, maar gewoon de schoonheid van het Gregoriaans dient met een duidelijk inzicht en een goede toepassing van de sterretjes.

Over gregoriaans: groepen van twee noten

In een vorig artikel hebben we gezien, hoe de enkelvoudige noot boven één lettergreep een zeer voornaam, om niet te zeggen het voornaamste melodie-element is in het Gregoriaans, omdat die ene noot alles moet doen om die lettergreep tot zijn recht te doen komen. Nu gaan we zien naar de groepen van twee noten. Er zijn er twee: de podatus en de clivis. Bij de podatus ligt de tweede noot hoger dan de eerste, bij de clivis ligt de tweede noot lager. Bij de podatus staan de twee noten recht boven elkaar, bij de clivis ligt de tweede noot er schuin onder. De overgang van de eerste naar de tweede noot moet in beide gevallen soepel verlopen. Er mag geen breukje tussen ontstaan. Verder leerden we dan nog, dat de eerste noot van deze groepen het ritmisch steunpunt kreeg, en dus ritmisch belangrijker was dan de tweede. Tot zover hebben we het over algemeen bekende zaken.

Jubilate 23, 2 (mei 1990)

Fr. Nico Wesselingh O.S.B.

Anders dan vroeger

Veel studie en ook de verschijningsvorm van de handschrifttekens voor deze twee groepen hebben de laatste jaren duidelijk gemaakt, dat niet de eerste noot de belangrijkste is, maar de tweede. We gaan dat eerst met praktische voorbeelden aantonen, om daarna nog te laten zien hoe dat in de Handschriften al wordt aangegeven. We nemen als praktisch voorbeeld een Communio waarin onze twee notengroepen podatus en clivis veel voorkomen, en wel de Communio ‘Circuibo’, te vinden in uw Graduale op blz. 297. We drukken die hier af, met de Handschrifttekens, omdat dat later van pas komt.twee_noten1

Als u kijkt naar de woorden ‘in tabernaculo’, dat ziet u daar een podatus en een clivis, waarvan de laatste noot een wat andere vorm heeft en ook kleiner is. Die kleinere nootjes betekenen niet dat de noot minder belangrijk is, maar integendeel, dat die noot belangrijker is dan de voorgaande. Belangrijker vanwege de melodie? Niet op zich, want de bewuste noot kan op elke willekeurige plaats staan. Maar wel vanwege de tekst. Want als u ziet wat voor tekst er onder die groepen staat, dan ziet u medeklinkers: de n van ‘in’ en de r van ‘taber’. Je zou het zo kunnen stellen, dat de eerste noot van die beide groepen voor de bijbehorende klinker is bedoeld, en de tweede voor de bijbehorende medeklinker. Dat wisten de oude zangers natuurlijk wel, maar de schrijvers vonden het goed uitspreken zo belangrijk, dat ze daar aparte tekens voor hebben uitgedacht. Voor een deel zijn die in onze boeken overgenomen, maar lang niet allemaal, helaas. Deze notenvorm is dus een soort politieagent, die een aanwijzing geeft over de uitspraak: verwaarloos deze medeklinker(s) niet, wil hij eigenlijk zeggen.

Bovendien speelt ook de volgende lettergreep mee. Die begint dan met een medeklinker. Het heeft dus altijd te maken met een opeenvolging van medeklinkers. In ons voorbeeld is dat: in tabernaculo. Die twee medeklinkers achter elkaar, al of niet tot hetzelfde woord behorend, vragen extra aandacht van de zanger.

Als u deze woorden zingt, merkt u wel: bij ‘in’ gaat de melodie een kwart omlaag. Wii die laatste noot drager van de n zijn en in de ruimte nog goed te horen, dan moet je hem de ruimte geven, meer nog dan de eerste noot. De uitspraak van die medeklinkers vraagt tijd. En daarmee is de tweede belangrijker dan de eerste noot. Bij de groep op ‘taber’ wordt de melodie als het ware opgeheven tot de hoogte van de volgende lettergreep en dan afgesloten met de medeklinker.

Geen lettergrepen

Er speelt ook nog iets anders mee: de teksten in het Gregoriaans zijn geen losse lettergrepen, maar zinnen en woorden. Welnu, de afsluiting van een woord of een lettergreep (eind-articulatie wordt dat genoemd) moet ruimte krijgen, om te voorkomen dat in ons geval wordt gehoord ‘inta’. Bij ‘tabernaculo’ is hetzelfde aan de hand. Het betreft hier echter niet de afsluiting van een woord doch van een lettergreep, maar ook dat is belangrijk. Wie dat goed wil horen, moet deze passages eigenlijk eens voor zichzelf zingen.

En exact onder de passage waarover we het nu hebben vindt u op de volgende regel dezelfde notenvormen op ‘cantabo’ en ‘et psalmum’. Ja, want ook de t gold voor de oude Gregorianisten als heel belangrijk. Zeker als achter die t, zoals in ons geval, nog twee medeklinkers komen. En een eindarticulatie vindt u ook nog op het woord ‘psalmum dica’. We hebben nog niet gezegd hoe dit soort notatie heet. Deze noten heten liquescentes, liquescens in het enkelvoud. De juiste vertaling is: vloeinoot.

Moeilijk of niet zichtbaar

Er zijn in de Handschriften heel wat meer liquescerende noten dan wij in onze boeken zien. Ik wijs er u een aan die in onze boeken niet is weergegeven: de losse noot op ‘im’ van immolabo. Als u naar de tekens boven de notenbalken hebt gekeken bij de twee woorden waar het ons in eerste instantie om ging, dan ziet u onmiddellijk de overeenkomst met de losse noot op ‘im’. Helaas kennen we in onze boeken dat liquescens-teken niet voor losse noten. In het Antphonale Monasticum komt het al vanaf 1932 voor en in het boek waar Solesmes het meest vernieuwend in is geweest wat de notatie betreft, het Liber Hymnarius, staan er velen.

Er zijn ook liquescenten die wel in onze boeken staan, maar nauwelijks zichtbaar. Kijkt u eens naar het eerste woord op de tweede regel: ‘eius’. De twee ruitnootjes van de samengestelde groep, de twee ‘wybertjes’ om het duidelijk te zeggen, zijn kleiner gedrukt dan op de regel daaronder bij het woord ‘dicam’. Je moet er wel zo ongeveer een loep voor hebben om het te kunnen zien, maar ze zijn echt kleiner, en dat is bewust gedaan. Let op: hier staat maar één medeklinker, maar die I of J tussen twee klinkers krijgt dezelfde behandeling.

Alleen de tweede

De eerste noot van een podatus of clivis kan ook belangrijk zijn. Daar hebben de Handschriften dan ook speciale tekens voor, maar de eerste noot kan nooit een liquescens zijn. Dat is voorbehouden aan de afsluitende noot van een groep die tevens het einde van een lettergreep is.

Een podatus of een clivis heeft maar op sommige plaatsen de vorm van een liquescens. Vraag kan dus gesteld worden, of in geval van een ‘gewone’ podatus of clivis ook de tweede noot belangrijker is dan de eerste? Het antwoord hierop moet zijn: ja. En de reden ligt eigenlijk in dezelfde lijn als hierboven vermeld: het heeft heel vaak te maken met woordafsluiting. En ook als er dan geen of weinig medeklinkers staan die om een liquescens vragen, het blijft toch een woord- of lettergreepafsluiting. De tekens van de handschriften geven het trouwens aan. Hier eerst de tekens voor gewone podatus en clivis, en dan de ‘verbrede’ versie. De ronde vorm kun je snel schrijven, de andere vorm vraagt meer tijd. Zo is het verband tussen de geschreven tekens en de uitvoering.twee_noten2

En de uitvoering dan?

Je hoort nu zangers of dirigenten denken: Moet het nu allemaal andersom? Wat vroeger de belangrijkste noot was is dat nu niet meer, en wat vroeger de lichtste noot was is nu de belangrijkste? Daar zit veel waars in. Toch is voorzichtigheid geboden. Je kunt ook overdrijven in de goede richting. Ga voorlopig bijvoorbeeld niet verder dan de zogenaamde eindarticulatie: sluit het woord of de lettergreep af met een duidelijke uitspraak. Zeker als er een liquescens staat. Zonder te overdrijven uiteraard. Het moet allemaal wel natuurlijk blijven. In de andere gevallen zeker niet de eerste benadrukken ten koste van de tweede. Naar mijn gevoel kan het goed helpen, als je de noot die op de afsluiting van de podatus of clivis volgt, in de expressie betrekt. Een goed voorbeeld daarvan is de aanhef van de Communio ‘Ego clamavi’, Grad. Rom. p. 287.twee_noten3

De laatste noot van de podatus op ‘E’ staat op dezelfde hoogte als de eerste van ‘go’. Hetzelfde herhaalt zich met de lettergrepen ‘go cla’. Als je ze zingt en bewust van de ene groep naar de andere gaat, hier dus zonder interval, hef je als het ware de melodie omhoog als voorbereiding op wat komt. Het is als het opheffen van je voet voor je hem op een nieuwe traptrede plaatst. Wie even op de Handschrifttekens let, ziet meteen dat onze notatie niet helemaal juist is. Het Duitse teken voor een podatus is:twee_noten4Het Franse overeenkomende teken is:twee_noten5In de hier afgedrukte communio ziet u dit teken maar één keer: op ‘inclina’. Al de andere keren (6x) geven de Duitserstwee_noten5a:en de Fransen:twee_noten6Dat is het teken voor een podatus waarvan de tweede verlengd is. Vooral uit de Franse schrijfwijze blijkt dit: twee losse noten, waarvan de tweede ‘langer’ is dan de eerste, en dus ook meerwaarde heeft. Bij de Duitsers noteert men een pes quadratus (hoekige podatus). Alle reden dus om meer aandacht aan de tweede dan aan de eerste noot te besteden. Je voelt bij het zingen ook goed aan hoe op het hoogtepunt van de melodie het accent op ‘inclina’ door de podatus prachtig wordt geplaatst. Het mooiste voorbeeld in dit verband is misschien wel de aanhef van de Dagmis van Kerstmis: ‘Puer…’. In onze boeken staat een gewone podatus, maar in de Handschriften een quadratus. Als je de melodie een quint opheft en dan delicaat de tweede lettergreep neerzet, heb je de tweede noot al verbreed.twee_noten7

Verbredingen

Hoe nu te werken met de liggende streepjes op podatus en clivis? Hier moet wel even goed worden opgelet. Vooral de clivis kan ons op het verkeerde been zetten, wanneer namelijk de verbreding alleen op de eerste noot staat aangegeven (Hier bijvoorbeeld op ‘exaudi’). Wie naar het Duitse teken voor de verbrede clivis kijkt, zal inzien dat het streepje eigenlijk niet alleen voor de eerste noot kan gelden. De tweede noot ‘valt er ook onder’. Altijd. Zeker bij het hierboven genoemde woord is het goed de tweede noot meerwaarde te geven: afsluiting van een woord. En wie even naar de tekens aan het begin van onze Communio bekijkt, ziet meteen dat ons Graduale ten onrechte de eerste vier podatussen onverbreed aangeeft, waar de beide handschriftenfamilies ze alle vier met een verbrede tweede noot geeft. Er valt aan ons hooggeëerde Graduale nog wel wat te verbeteren.

Beste vrienden, tot zover dit verhaal. Probeer eens iets met deze gegevens. Jammer dat ik u niet kan voorzingen via Jubilate, hoe ik meen dat deze zaken in de zang het beste tot klinken kopen. In dat opzicht is ons goede blad ook maar beperkt. Misschien dat er nog wel eens een gelegenheid komt om ’wat met geluid te doen’. Voor nu lijkt het me ruim voldoende.

Conclusie

Het is zonder meer opvallend, te zien hoe de schrijvers van de oude handschriften, en ten dele ook onze boeken, alsmaar bezorgd zijn dat we de tekst optimaal tot haar recht laten komen en er zelfs geen medeklinker van verwaarlozen. Niets was hun teveel om in hun melodisch zo onvolmaakt beeld, ritmische aanduidingen te geven als het om de tekst ging. Ik hoop dat u het met me eens is: als je zo over de schouder van zo’n schrijver hebt mogen meekijken en je hebt zijn zorg begrepen, dan kun je toch niet meer gewoon doen alsof er niets aan de hand is? Je kunt dan toch zijn zorg niet opzij schuiven en gewoon je eigen gang weer gaan en de tekst van het Gregoriaans tekort doen? Als u in de toekomst nog eens meekijkt over zijn schouder bij het schrijven, zou hij zich misschien wel eens kunnen omdraaien en zijn hoofd schudden. Spreken zal hij dan wel niet, en als hij het zou doen, zou u hem waarschijnlijk toch niet verstaan. Maar zijn bedoeling lijkt me maar al te duidelijk. Sterkte er mee.

De enkelvoudige noot in het Gregoriaans: simpel, maar belangrijk

Wie een Gregoriaans stuk gaat zingen dat hem nog onbekend is, zal om te beginnen willen zien of er veel noten staan. Hoe meer noten, hoe moeilijker, is de gedachtengang. Wanneer er dan veel notengroepen op de balken staan, wanneer, zoals een zanger het eens noemde, “het er uitziet als duur krentenbrood”, dan hebben we te maken met een moeilijk stuk, en zal er driftig gerepeteerd moeten worden. Heeft daarentegen elke lettergreep maar één of een paar noten, dan denken we er gemakkelijk mee klaar te komen.

Jubilate 22, 2 (mei 1989)

Fr. N. Wesselingh O.S.B.

Misvatting

Dat is een pure vergissing. Weliswaar zal het aantal te zingen noten bij een syllabisch (= een noot per lettergreep) gezang minder zijn, en is de melodie gemakkelijker te overzien, maar daarmee ziet men over het hoofd dat de tekst en de melodie bij zo’n gezang zeer nauwe banden heeft. En die banden moeten te hóren zijn.

De enkelvoudige noot is het eenvoudigste, maar tevens het belangrijkste melodie-element in het Gregoriaans.

Waarom belangrijk?

Bij grote groepen noten (= melismen) op een lettergreep, speelt de melodie de hoofdrol. De melodie kleurt de lettergreep, door er lang mee bezig te zijn, uit te wijden. De volgende lettergreep komt dan als het ware uit de melodie voort. Maar als er slechts één noot boven de lettergreep staat, dan wordt het verband tussen deze lettergreep en de vorige en de volgende lettergreep belangrijker. De melodie doet als het ware een stapje terug omwille van de tekst. Die ene noot moet dan alles doen. We zien dat vooral bij psalmodie. Neem maar het vers van de eerste de beste Introitus. De losse noten hebben allemaal dezelfde vorm, maar de woorden eronder vormen tesamen een zin, die weer te onderscheiden is in twee halfzinnen, in frasen, in woorden en in lettergrepen. En dat moet dan allemaal duidelijk gemaakt worden met die enkelvoudige noten. Ze moeten dus zeer genuanceerd worden gezongen, omwille van de tekst.

Lettergreep en lettergreep

Laten we dat eens van nabij gaan zien, beginnend met het kleinste element: de lettergreep. Een lettergreep is een samenstel van klinkers en medeklinkers. Tot zover zijn ze allemaal hetzelfde. Maar er is een onderling verband tussen die lettergrepen. Dat verband betreft niet alleen het gegeven dat vaak meerdere lettergrepen één woord vormen en dus bij elkaar horen, maar ook dat binnen dat ene woord er beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen zijn.

Laten we voor het gemak, en ook om het concreet te houden, hieronder een kleine antifoon afdrukken: de intrede-antifoon van 2 februari, vroeger O.L.Vr.Lichtmis, en tegenwoordig Opdracht van de Heer in de Tempel genoemd. U vindt deze antifoon ook in uw Graduale Romanum, op blz. 539.

enkelvoudige_noot

Accenten en Nevenacenten

De ziel van het woord is het accent. Wilt u die in een compositie in het Graduale achterhalen, dan kijkt u gewoon de woorden aan. in elk drie-lettergrepig woord staat boven de accent-klinker een accent-teken. Alle twee-|ettergrepige woorden hebben zo’n teken niet. Hoeft ook niet, want deze woorden hebben altijd hun accent op de eerste lettergreep. Eénlettergrepige woorden hebben geen accent.

Lange woorden hebben de behoefte om nog verder te worden ingedeeld. Ze moeten nevenaccenten krijgen. Een soort aanloopjes naar het accent toe. Dat is niet moeilijk om te doen. Eenvoudig vanaf het accent telkens twee lettergrepen naar voren, en u hebt de juiste plaats gevonden. Zo wordt het woord beatitúdinem met hulpaccent geschreven: beátitúdinem. Generationem wordt: géneratiónem. Vaak merk je bij het zingen, dat de melodie mede op die nevenaccenten is gebouwd. Het is goed in de gaten te houden, dat eenlettergrepige woorden geen accent hebben en dus vaak (niet altijd) minder belangrijk zijn. Vooral woorden die andere woorden regeren (ad Deum, a Domino, ex integro) zullen melodisch op minder belangrijke plaatsen staan.

Welke middelen?

Hoe ziet de melodie nu kans om die accentlettergrepen er wat uit lichten? Daar zij globaal vier middelen voor:

  1. De melodie gaat op het accent omhoog.
  2. De syllabische gang wordt onderbroken: er komt een groepje noten.
  3. De acccentnoot wordt licht verbreed
  4. De zanger geeft wat extra waarde aan die lettergreep, zingt hem intensiever en werkt met de medeklinker(s) die aan het accent voorafgaan.

We gaan dat nu even bezien in de antifoon die hierboven is afgedrukt Dóminus: podatus. Virtúte: melodie omhoog. Véniet: melodie omhoog. lllúmiet: melodie omhoog. Oculos: melodie omhoog. Servórum: groepje. Suórum: melodie gaat niet omhoog, geen groepje, zingen met intensiteit en beetje verbreden.

Woordafsluiting

Nu we toch met de antifoon Ecce Domincus noster bezig zijn, wijs ik u op een ander element dat de nodige aandacht krijgt in de composities en dat wij maar al te veel verwaarlozen: de laatste lettergreep van veel woorden. Kijk even naar het woord Dóminus in de antifoon. De tweede en derde lettergreep hebben geen accent. De enkele noot op elk van deze lettergrepen staat even hoog als de andere. Toch is de tweede veel belangrijker dan de eerste: hij sluit het woord af.

Noster: hoort bij Dominus (onze Heer). Vandaar dat de s van Dominus wel duidelijk wordt uitgesproken maar de klinker niet wordt verbreed. Bij elkaar zien te houden wat bij elkaar hoort. Accent van nóster intensiveren, opgooien. De afsluiting van dit woord heeft in onze boeken, en ook in de handschriften, een verbreding: woordafsluiting en tevens afsluiting van een frase. Regel in het Gregoriaans is: als er enkele noten achter elkaar staan, dan krijgt de noot die het woord afsluit meer waarde dan de anderen en mag lichtelijk worden verbreed. Moet dat niet gebeuren, dus wijkt men van de regel af, dan geven de handschriften dat aan. Let op: achter de woorden ‘illuminet’ en ‘oculos’ ziet u in de handschriften de letters st staan.

Dat betekent: statim (= doorgaan). Uitzondering op de regel. Ziet u de kleine horizontale nootjes op: illuminet oculos. Dat kan ook duiden op woordafsluiting. Servorum sluit af met weer zo’n horizontaal streepje. Suorum maakt er een groepje van. Een woord afsluiten doe je vooral met de medeklinkers (hier: t, s en m).

Praktijk

Misschien vindt u dat meer priegelwerk. Is het misschien ook wel, maar wie wat langer met het Gregoriaans bezig is zal ontdekken, dat dit toch basisgegevens zijn die als een soort rode draad door alle composities lopen. En het zou onrecht zijn tegenover het Gregoriaans om dat maar te blijven verwaarlozen. En vergeet niet: dit uitpluizen heeft alleen maar zin als je de details en de onderdelen weer netjes bij elkaar zet en er dan weer een antifoon van maakt. Het liefst door hem te zingen. Ook een Rolls Royce mag prachtige onderdelen hebben: als je hem uit elkaar hebt gehaald wordt het pas weer een auto als hij weer is gemonteerd.

Wat jammer dat ik via papier deze antifoon niet kan laten klinken. Moet u zelf doen. Daarbij, ook voor werken met een koor, de volgende raadgevingen om de genoemde zaken in praktijk te brengen:

  1. Vertaling van de tekst spreken, met de betekenis van elk belangrijk woord.
  2. De Latijnse tekst een aantal keren spreken, zodat de zangers met de klanken en met de woorden vertrouwd raken. ook de zangers de tekst laten spreken.
  3. Laten zien en laten horen hoe de zin verdeeld wordt in grotere en kleinere elementen. Zodoende hebben de zangers de antifoon al enkele malen gehoord en wordt het instuderen gemakkelijker.
  4. En vooral: niet overdrijven. De onderdelen mogen belangrijker zijn; de melodische lijn van het geheel mag niet verstopt raken onder details.

Volgende keer iets over groepjes van twee noten.