Gedachten bij een lied: Straatsburg 1545/Genève 1551

In tijden van vernieuwing, van hervorming kan het gebrek aan voldoende materiaal om de vernieuwing te helpen opbouwen ons, mensen, wel eens danig parten spelen. Bij de liturgievernieuwing van de jaren zestig hebben we dat ook ervaren. En naast het scheppen van nieuwe melodieën, moest men dan ook nog al eens zijn toevlucht nemen tot het lenen van melodieën. U weet nog wel, van de vorige keer, nieuwe teksten op bestaande melodieën, de zogenaamde contrafacten. Zo ontstonden er teksten op: Comt nu met sangh, Slaet op de trommele, Allen die willen te kaperen varen, Gelukkig is het land, op spaanse engelse, franse of poolse melodieën, enz. enz…

Jubilate 23, 3 (mei 1990)

Th. Klaus

Zulke praktijken kende men reeds in de 16de eeuw, in de tijd, die wij de reformatie noemen.

Luther schrapte het latijn, ging over op de landstaal en daardoor onstond er een behoefte aan ‘tekstdragers’, aan melodieën. Ook hij ging, bij gebrek aan voldoende nieuwe composities, teksten plaatsen op bestaande gezangen. Zo gebruikte hij gregoriaanse gezangen, zoals bijvoorbeeld het Veni Sancte Spiritus, maar evengoed nam hij wereldlijke melodieën voor zijn geestelijke teksten. Zo werd het liefdeslied ‘Mein G’mut ist mir verwirret von einer Jungfrau zart’ het bekende lijdenslied ‘O, Haupt, voll Blut und Wunden’.

Luther had een uitgesproken talent voor poëzie en muziek. Hij hield ook van de rijkdommen van de liturgie. Calvijn daarentegen was veel strenger. Geen ceremonies, geen schilderijen en beelden in de kerken, zelfs het orgel werd geweerd.

Binnen het kerkgebouw werd er alleen éénstemmige gemeentezang toegestaan. En alles centreerde hij rond de psalmen. Deze werden gezongen in een strofische berijming, met andere woorden, de inhoud van de psalmen werd in de coupletvorm gevat. Ondanks, of dankzij, deze beperkingen zijn er melodieën ontstaan, die de eeuwen konden trotseren.

Tijdens zijn driejarige verbanning naar Straatsburg maakte Calvijn zijn eerste psalmberijmingen. Een groots tekstdichter was Calvijn niet en, eenmaal weer terug in Genève, kwamen er al spoedig betere berijmingen van de hand van Marot en van Beze. Voor de muziek werd Bourgois aangetrokken. Voor een deel maakte hij nieuwe composities, maar voor het grootste gedeeite gebruikte hi] bestaande geestelijke en wereldlijke melodieën.

Wel paste Bourgois deze gezangen zodanig aan dat ze waardige dragers konden worden voor de nieuwe psalmberijmingen. Ze kregen een eenvoud en een stoerheid mee, waardoor een eerlijke zegging van de teksten mogelijk werd. Op een dag kregen Calvijn en Bourgois echter onenigheid en Bourgois vertrok naar Parijs. Maitre Pierre werd aangetrokken om het werk af te maken.

Even terzijde: boven een melodie ziet u weleens staan: Straatsburg en/of Genève, dat is nu duidelijk, naar de plaats van ontstaan. Regelmatig werd er gebruik gemaakt van ‘dubbelgangers’, dat wil zeggen, men gebruikte voor meerdere teksten maar één melodie.

De hier afgedrukte melodie is daar een voorbeeld van.straatsburg_1545

Melodie

De opbouw van de melodie bestaat uit 8 zinnen, die we kunnen verdelen in twee groepen van 4.

Deel 1 bestaat uit 2 vragen en 2 antwoorden. De vragen zijn gelijk (A + A), de antwoorden hebben wel enige gelijkenis, maar dat is te verwaarlozen.

De vragen zijn min of meer in stijgende vorm gesteld, de antwoorden gaan in dalende lijn.

De eindnoot van zin 4 heeft een sterk afsluitend karakter, sterker dan de eindnoot van zin 2. Hoe dat komt? Vanwege de voorafgaande noot. De noot fis in zin 4 bevestigd het slotkarakter van de g meer dan de a in zin 2.

Deel 2 ziet er geheel anders uit, ofschoon we toch weer bepaalde grondvormen terugvinden. Zin 5 en 8 hebben een neergaande bouw, de zinnen 6 en 7 lopen eerder opwaarts. Daarbij is zin 7 een versterking van zin 6. Deze zin 6 zit nog wat tussen de neergang van 5 en de opgang van 7 in. Zin 7 daarentegen gaat resoluut omhoog.

En dan de slotzin, de herhaling van zin 4, waarmee tussen de beide delen een prachtige eenheid wordt bereikt.

Ritme

We treffen slechts twee waarden aan, de halve noot en de kwart noot en de niet te verwaarlozen halve rust.

Iedere zin begint met één halve noot en eindigt met twéé halve noten én een halve rust, uitgezonderd de beide slotzinnen. Binnen deze strenge bouw zorgen de kwart noten voor de broodnodige variatie. Deze stroom van kwartnoten ondergaat zelf ook weer enkele variaties, namelijk, in zin 2 en in zin 6 komt er tegen het einde een halve noot, terwijl in zin 5 de kwartenstroom onderbroken wordt door de twee halve noten.

Uitvoering

Bij het zingen van deze melodie moet u enkele zaken goed in de gaten houden. Ten eerste de rusten. Maak de halve rusten op het einde van iedere zin. Laat dat een gewoonte worden in uw kerk. Het is de enig juiste uitvoeringswijze van deze melodie. Ook als deze rusten ‘per abuis’ in uw uitgave zouden ontbreken, zing ze dan toch maar. Gebruik deze rusten echter nooit om daarmee iedere zin te gaan vertragen. Gebruik ze als ademrust en maak ze dus niet onnodig langer. Ten tweede het tempo. De halve noot is de ‘slagbepaler’. Neem een fris, vlot tempo, dat geeft deze stoere melodie een body. Dus niet zeuren, niet slepen. Op deze manier ontstaat er een mooie, levendige melodiestroom. Zo geeft de melodie u alle vreugde die ze in zich bergt. Dan ontstaat er een stevig gefundeerde en blijde volkszang.

Teksten

In de loop der eeuwen heeft deze melodie velerlei teksten mogen dragen. Ook nu nog wordt dit gezang graag door onze dichters gebruikt. Ook als we ons beperken tot het Liedboek voor de Kerken en Gezangen voor Liturgie komen we nog een respectabel aantal teksten tegen bij deze ene melodie.

Breek, aarde, uit in jubelzangen — G. Kamphuis
Juioht voor de koning van de Joden — T. Naastepad
Komt ons in diepe nacht ter ore — H. Oosterhuis
Laat ieder ’s Heren goedheid prijzen — J. de Wit
Nooit kan ’t geloof te veel verwachten — H. van Alphen
Zingt een nieuw lied voor God den Here — J. Schulte Nordholt

Zettingen

Dat er voor deze melodie vele meerstemmige zettingen en bewerkingen zijn gemaakt, zal u niet verbazen.

Dat dit gezang geheel canonisch te zingen is, weet u wellicht.

De 2de partij begint dan na de drie noten g-e-d.

Wat de zettingen betreft wil ik me beperken tot de uitgave Zang en Tegenzang.

Komt ons in diepe nacht ter ore — bewerkingen O. Deden (zónder de rusten)
T 69 Voorspel T 73 2 st. S-A of T-B + orgel (de stemmen in canon)
T 83 2/3 st. S/S-A of T/T – B (a capella)
T 70 3/4 st. S-A-T-B (a capella)

Laat ieder ’s Heren goedheid prijzen – bewerkingen E. Stam (zónder de rusten)
T 218 Begeleiding T 219 Voorspel T 220 2 st. T-B (a capella)
T 221 3 st. S-T-B (a capella) T 222 4 st. S-A-T-B (a capella)

Zingt een nieuw lied voor God den Here (mét de rusten!)
T 279 Voorspel J. Valkestijn
T 280 2 st. S-A of T-B (a capella) Gerrit de marez Oyens
T 281 3 st. S-T-B + orgel Kees de Wijs en dan zonder de rusten
T 282 4 st. S-A-T-B (a capella) Maurice Pirenne

 

Gedachten rond een lied: Jezus die langs het water liep

Iemand, die we in de hedendaagse liturgie nog wel eens tegenkomen, is de dichter Ad den Besten. Hij publiceerde geestelijke liederen in de bundel ‘Loflied voor tegenstem’ en was een van de medewerkers aan de nieuwe Psalmberijming en aan het liedboek voor de Kerken. Van zijn hand is ook de tekst op de volgende bladzijde.

Jubilate 22, 3 (september 1989)

Th. Klaus

Wanneer we die tekst beginnen te lezen, zal deze ons waarschijnlijk niet meteen een ‘schok’ opleveren. We herkennen immers het verhaal over de roeping van Simon en Andreas (Matt. 4, 18–22, Marc. 1, 16 e.v.).jezus_die_langs_het_water_liep

Maar lezen we verder en komen we halverwege het couplet, dan is die ‘schok’ er wel. Zo iets dergelijks hadden we niet verwacht. We meenden met een verhaal van doen te hebben en nu plots worden de regels naar ons toegebogen. U en ik worden in het verhaal geplaatst. Of, zoals W. Barnard het zo treffend zegt:

“Plotseling lopen ginds en hier, toen en nu door elkaar. Het water van het Galilese meer begint om de hoek.”

Evenzo gaat het in couplet twee. We herkennen het verhaal over tollenaar Zachaeus, maar halverwege komt de tekst opnieuw op ons af.

Strofe drie borduurt nog even door. Het gaat over de straat, over heden, over onze aarzeling en over de ons overbekende vraag ‘tot wie zouden we anders gaan’. Totdat het bevrijdende slot komt met het woordje ‘alles’, op een onverwachte, maar o zo prachtig uitgekiende plaats.

Als we naar bovenstaande notenbeeld kijken, vallen er onmiddellijk een paar zaken op: a. het lijnenspel van stijgen en dalen, b. het rustige ritme.

a. In regel 1, 2 en 7 klimt de melodie van d naar a, van grondtoon naar dominant.
In regel 3 en 4 daalt de melodie van hoge d naar a.
In regel 5 en 6 daalt de melodie van hoge d naar e (we zijn bijna beneden, net nog niet, ’t is nog niet uit).
Regel 8 brengt ons op een spanningsvolle manier (twee halve noten!) van hoge d via de dominant terug naar de lage d ofwel terug naar de grondtoon.

Wat een eenvoud, en tevens, wat een hechte bouw.

b. De eerste regel begint vanwege het woordaccent noodgedwongen of vanzelfsprekend op de eerste tel van de maat.
Alle volgende regels hebben een opmaat en wel als volgt: regel 2 en 3 en regel 6 en 7 beginnen met een achtste noot, terwijl regel 4 en 5 met een kwartnoot aanvangen. Dat zal wel niet per ongeluk gebeurd zijn. En dan regel 8. Opvallend zijn hier de twee halve noten, die bovendien nog syncopisch zijn ook.

Een prachtige ondersteuning van de woorden. Wees er echter wel voorzichtig mee. Overdrijf niet en ga deze twee noten niet nadrukkelijk als syncope uitvoeren. Hoe natuurlijker U de woorden ‘en trouw’ ‘de rijk-’ ‘al|es’ laat klinken, hoe beter het bedoelde tot zijn recht komt.

Neem een rustig vertellend tempo en laat de tekst voor zích spreken. De laatste noot van iedere regel is een kwartnoot. Let daar goed op. Je hoort wel eens iets anders.

Vertraag ook niet naar ieder regel-eind toe. Maak van regel 3 en 4 een mooie eenheid. En vergeet niet dat er uitstekende orgelbegeleidingen bestaan, alles maar daarover vertelt een ander U alles.

Auteursrecht

Kopiëren mag niet. Dat is het simpelste antwoord op alle vragen rond auteursrechten. En in de meeste gevallen is het ook het juiste antwoord. Componisten en uitgevers hebben inspanningen verricht om muziek te componeren en uit te geven. Daarvoor moeten ze worden beloond. Wie daarvoor niet betaalt, maakt zich schuldig aan een misdrijf. Zo simpel is dat.

Toch zijn er veel misverstanden rond auteursrechten. Misverstand nr. 1: Het recht om te kopiëren is afgekocht door de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland. Dat klopt niet. Wél zijn heeft de kerkprovincie een licentie voor het uitvoeren van muziek van componisten die bij Buma/Stemra zijn aangesloten. Hun muziek mag dus zonder meer uitgevoerd worden binnen de eredienst van de R.K. Kerk in Nederland. Zingen mag dus wel, kopiëren niet.

Wie er bij Buma/Stemra zijn aangesloten? Dat valt moeilijk te zeggen. Uit steekproeven blijkt dat slechts de helft van de componisten van kerkmuziek of hun erfgenamen is aangesloten bij Buma/Stemra. Maar als muziek in een bundel als ‘Gezangen voor Liturgie’ staat of in de misboekjes van Berne of Gooi & Sticht, dan mag u ervan uitgaan dat de uitvoeringsrechten geregeld zijn. Feitelijk is dat niet altijd het geval, maar dit is moeilijk na te gaan.

Misverstand nr. 2: auteursrecht vervalt zeventig jaar na de dood van de componist en dus mag zijn werk naar hartelust gekopieerd worden. Nee: Giovanni Pierluigi da Palestrina is al meer dan vier eeuwen niet meer onder ons en nog mag zijn werk niet onder het kopieerapparaat. Ook de uitgever van zijn werken heeft namelijk recht op een vergoeding. Die heeft het handschrift van Palestrina immers gezet en gedrukt, zodat het voor ons leesbaar is.

Wel is het toegestaan de originele handschriften van Palestrina te kopiëren of over te schrijven. Wie dat wil, kan de handschriften vinden in de bibliotheek van het Vaticaan. En wat voor Palestrina geldt, gaat op voor alle andere componisten van Bach en Händel tot Huijbers en Löwenthal. Dood of levend: hun uitgegeven werk mag niet gekopieerd worden.

Internet heeft veel veranderd op het gebied van auteursrecht. Veel auteurs, fotografen, componisten en vele anderen die zich op een creatieve wijze uiten, willen juist dat de verspreiding van hun producten niet wordt gehinderd door het auteursrecht. Dit is bijvoorbeeld het geval met het Klein Graduale. De auteur geeft zelf aan dat u er vrij gebruik van kan maken. Vaak wordt dit aangegeven met de aanduiding CC (Creative Commons). Dit is een veel flexibeler vorm van auteursrecht dan het wettelijk vastgelegde recht.

Uitgaven waar geen auteursrecht op rust, behoren tot het zogeheten publieke domein. Een overzicht van bladmuziek en teksten in het publieke domein is te vinden op ChoralWiki

Inderdaad: muziek en teksten. Want heb je eenmaal de rechten voor de muziek geregeld, dan wil dat nog niet zeggen dat zulks voor de teksten ook het geval is. Nota bene wij als Gregoriusvereniging hebben dat moeten ondervinden toen de bladmuziek van de prefaties en oraties van de landelijke site verwijderd moest worden. Op de teksten rust namelijk auteursrecht.

Illegaal kopiëren is meer regel dan uitzondering en de ‘pakkans’ is klein. Handhavend optreden hiertegen is net zo’n onbegonnen werk als het bekeuren van Amsterdamse fietsers die zich niet aan de verkeersregels houden. Maar dat betekent niet dat het nooit gebeurt. Daarom: steek uw hand uit als u afslaat, rij geen voetgangers van het trottoir en betaal voor uw bladmuziek.

Uitvoeriger informatie over auteursrecht en bladmuziek is hier te vinden:
NSGV
Annie Bank