Klankverbeterend werken bij stemfouten

Het kan voorkomen dat een (koor)zanger(es), bijvoorbeeld van een dirigent of van iemand anders in haar/zijn omgeving te horen krijgt dat haar/zijn stem zo schel, donker, hees, nasaal, etc., kortom, onaangenaam klinkt. Niet dat men zich veel moet aantrekken van een enkele opmerking, maar als van verschillende kanten (en goedbedoeld!) u zulke dingen ter ore komen, dan zal er best een kern van waarheid in de opmerkingen aanwezig zijn. Een schelle, een te donkere, een hese of een te nasale stem valt namelijk in het totaal van de koorklank onaangenaam op en laat zich moeilijk mengen in de klank van uw stemgroep.

Het is voor veel koordirigenten soms moeilijk een goed advies te geven hoe een en ander te verbeteren is, zeker als u al jaren zingt en de gewoonte om zo te zingen al lang is ingeslepen. Hoewel er nogal wat koordirigenten zijn met kennis van de menselijke stem, zou in feite een zangleraar u toch het beste kunnen helpen. Maar ook een zanglera(a)r(es) is geen wonderdokter en voor degene die u zangles zal gaan geven is het vaak ook een hele opgave. De oorzaak is namelijk vaak erg complex, de gewoonte heeft zich bovendien dikwijls zo lang ingeslepen, en, om het maar ronduit te zeggen: u bent zelf zo gewend aan uw eigen geluid! Wellicht denkt u zelf dat u toch best goed zingt! Ja zelfs… als u heel eerlijk durft te zijn: u bent zelfs een beetje ‘verliefd’ op uw eigen vertrouwde ‘mooie’ geluid!

In dit artikel over stemvorming kunt u de hoofdzaken lezen die degenen met een te schelle of een te donkere stem zich ter harte zouden moeten nemen. Tevens wat oefenmateriaal ter verbetering. In een volgend artikel komen dan andere stemproblemen op dezelfde manier aan de orde.

De oefeningen (in C genoteerd) kunt u het best op een voor u gemakkelijk zingbare hoogte doen. Van nogal laag tot, telkens een halve toon hoger, tamelijk hoog. Echt hoog moet het niet worden!

Dominante stemmen

Iemands stem klinkt erg schel en doordringend. Zeker in de hoogte is het geluid erg dominant en het is moeilijk om in de hoogte zacht te zingen. Het is een euvel dat (vooral) bij hoge stemmen voorkomt. In het bijzonder tenoren kunnen er ‘last’ van hebben, maar ook bij sopranen komt het voor.

Heel in het algemeen: te schel zingen is vaak het resultaat van té veel energie in het zingen stoppen. Nogal eens wordt – onbewust – de klank van een briljant zanger(es) geïmiteerd, maar dan wel op de verkeerde wijze. Het voorhoofd gaat naarmate de tonen hoger worden mee omhoog, de tong perst zich te veel naar voren in de mond en daarmee komt ook het strottenhoofd omhoog: de tong zit namelijk vast aan het strottenhoofd. Het hoofd staat verkrampt (en te hoog opgericht) op de romp. Wellicht duwt ook nog een te hoog gesteunde adem het strottenhoofd opwaarts.

Hoofd, tong en halsstreek zijn te gespannen bij het zingen.

Als therapie zou ik deze persoon aanraden veel oefeningen te doen op de klinkers oe en uu. Want van nature zit de belangrijkste spanning van de tong bij deze klinkers namelijk achter in het tonglichaam en zo wordt de te grote spanning vóór in de tong verminderd: Bovendien: hoe hoger we zingen hoe meer het voorhoofd (een beetje) naar beneden gaat. Ter ontspanning is het bijvoorbeeld bij wijze van oefening aan te bevelen om langzaam ‘nee’ te schudden tijdens het (hoog) zingen.

Laag ademen is bovendien een noodzaak. Denkt u maar: ‘de adem stroomt door de navel naar binnen’. Het gevolg daarvan is dat uw buikwand naar voren komt; zo hoort het. Het verheffen van de schouders en/of van het borstbeen bij het ademen is absoluut nooit goed!

A1

Oefening 1

 

Oefening 2

Oefening 2

Iemands stem klinkt te donker, c.q. niet helder. Het is een euvel dat vooral bij lage stemmen, alten en bassen, voor kan komen. Ook hier wordt – onbewust – een briljant zanger geïmiteerd, maar dan ook nu weer op de verkeerde wijze. Men wil als het ware een beetje al té ‘gekunsteld’ nog ‘altiger’ of ‘bassiger’ klinken dan men in feite is. Het hoofd staat meestal gemiddeld te laag, dus te veel met de kin in de richting van de romp. De tongspanning zit constant te ver achterin en voorts is bijgevolg de strottenhoofdstand te laag. Bij het zingen wordt de tongpunt steeds te ver teruggetrokken en ligt niet (wat toch telkens zou moeten) tegen de ondertanden aan.

Als therapie is bij deze personen aan te raden veel oefeningen te doen op de klinkers ee, ie en è. Want van nature zit de hoofdspanning van de tong bij deze klinkers namelijk voor in het tonglichaam (in het puntje van de tong dus) en zo wordt de te grote spanning achter in de tong verminderd. Het best werkt wellicht de klinker è in combinatie met de medeklinker j. In onderstaande oefening op de lettergreep ‘jè’ zal de zanger(es) met de foute gewoonte vinden dat de klank van de klinker è ‘kaal’ en ‘lelijk’ klinkt en onwillekeurig toch een ‘ù’ in plaats van een heldere ‘è’ willen zingen. Als zij/hij ervan overtuigd kan worden dat die heldere, voor het eigen gevoel ‘kale’ è toch de voorkeur verdient, dan pas is de goede weg gevonden. Een weg die overigens vaak lang is om blijvend een juiste klankproductie te garanderen…

Oefening 3

Oefening 3

Oefening 4

Oefening 4

Veel stemfouten zijn het meest in Duitstalige literatuur besproken. De eerste stemfout heet daar de helle Knödel, de tweede de dunkle Knödel. Het woord Knödel kent u misschien wel als benaming voor een Duits balvormig gerecht. Bij de stemfout helle Knödel maakt de zanger constant te veel een ‘bal’ (tenminste wat de spanning betreft) vooraan, in de tongpunt; bij de dunkle Knödel is dat het geval met het achterste deel van de tong. U bemerkt dat beide stemfouten mede het gevolg zijn van tongproblemen.

Tongontspanningsoefeningen die u voor zichzelf kunt doen zijn bijvoorbeeld:

  • het om de as kantelen van de tong;
  • de kiezen en tanden met de tongpunt langzaam aftasten (tellend; zowel boven- als ondergebit);
  • de tongpunt fixeren tegen de ondertanden en de tongrug telkens zo snel mogelijk over de ondertanden heen duwen en vervolgens ontspannen.

Deze oefeningen – die u ook voor de spiegel kunt doen – kunnen helpen uw tong te ontspannen. Bovendien komt een ontspannen tong een rappe en actieve dictie ten goede!

Maar er zijn nog meer veel voorkomende fouten. Hieronder volgen de belangrijkste.

Wilde lucht

Eerstens: het zingen met zogenaamde ‘wilde lucht’. De zangstem (en soms ook de spreekstem) klinkt hees en is weinig krachtig; er is geen ‘kern’ in de toon. Langs de stembanden ontsnapt lucht die niet in klank wordt omgezet. Constant wordt de zang- en/of spreektoon door uitstomende lucht begeleid. (U kunt de stembanden vergelijken met het dubbele rietje waarlangs een hoboïst zijn instrument aanblaast. De beide tegenover elkaar liggende rietblaadjes zijn als het ware uw stembanden en het smalle spleetje ertussen is de ruimte tussen uw stembanden.) Hees zingen is bijna altijd het gevolg van het feit dat u te weinig energie bij het zingen opbrengt: u staat (of zit) niet goed en te weinig energiek. Een rechte houding is wezenlijk (het kruintje van uw hoofd moet het hoogste punt van het lijf zijn), het hoofd recht op de romp, de ruggenwervel recht, het borstbeen niet ingezakt, etc. Het is ook bijna steeds zo dat bij hees zingen de activiteit van de dictie te wensen overlaat en dat er te weinig energie gestopt wordt in de medeklinkers.

Trainen aan de hand van ‘actieve’ muziek en met een ‘tekst’ die zelf energie aanbiedt kan heilzaam werken. Bijvoorbeeld:

Oefening 5

Oefening 5

Waarschijnlijk maakt u zelfs het ritme te weinig puntig en van

Oefening 6

Oefening 6

maakt u

Oefening 7

Oefening 7

De tongpunt ‘r’ kunt u wellicht niet maken en de ‘z’ wordt bijna tot een ‘s’ afgezwakt!

Omdat maar heel weinig liederen uit ons liturgisch liedrepertoire zelf in tempo en ritmiek energie leveren (dat was soms in kerkmuziek van vroeger wel het geval, denk maar eens aan muziek van Bach) zullen we zelf extra energie moeten leveren! Een zeldzaam voorbeeld van energie leverend liedmateriaal van nu is het volgende fragment, dat zelfs als oefening gebruikt kan worden:

Oefening 8

Oefening 8

In het bijzonder hoort bij activiteit voorts ook een goed gesteunde en lage adem. Een te hoge ademhaling biedt geen steun en energie. Een reden temeer ook dit element te trainen en er op deze manier tevens aan te werken om het zingen met ‘wilde lucht’ te verbeteren.

Twee opmerkingen mogen bij het bespreken van ‘wilde lucht’ niet ontbreken. Eerstens: bij meisjes en jonge vrouwen is de (zang)stem ‘van nature’ soms niet helder. Het is een tijdelijk verschijnsel dat het begeleidend gevolg is van de mutatie van de stem (de overgang van de kinderstem naar de volwassen stem). Het kan zelfs tot na het twintigste levensjaar hoorbaar zijn.

Tweedens: wanneer de stembanden niet kunnen sluiten omdat zich daarop één of meerdere oneffenheden bevinden, gaat het euvel niet over, ook al zingt u actief. Een KNO-arts kan dat constateren en een logopedist zal u moeten helpen, ook als uw ademtype op een gewone manier niet ‘laag’ te krijgen is.

Vibrato

Een natuurlijk, bescheiden en gelijkmatig vibrato is heel mooi bij het zingen. Maar een te groot vibrato (een te grote golfbeweging van de toon), een ongelijkmatig vibrato en een te snel vibrato beïnvloeden de koorklank erg negatief. Een te groot vibrato kan het gevolg zijn van een fout idee van wat mooi zingen is; een ongelijkmatig en een te snel vibrato zijn het gevolg van een gebrekkig ademtype en een ongecontroleerde ademsteun. Snelle passages (je hebt dan geen tijd om lekker op de toon te gaan zitten om een mooi vibrato te maken!) zouden een gevoel kunnen geven van hoe natuurlijke tonen moeten klinken! (idem oef. 1).

Mensen met een groot vibrato op de zangstem vinden snelle muziek niet prettig: “Die muziek ligt mij niet…”! Met de laatste opmerking wordt het probleem weggewuifd en uit de weg gegaan…

Nasaliteit

Ook het zingen met te veel neustoon, dus steeds een te grote nasaliteit, is niet goed. De zangstem klinkt steeds onnatuurlijk nasaal. Het is het gevolg van een constant te laag hangend zacht gehemelte (daar waar de huig zich bevindt) waardoor de toon te veel uitstraling door de neus heeft en daar de voornaamste resonansruimte vindt. Alhoewel de Franse taal wel iets van die constante nasaliteit heeft, zijn de meeste talen, én het Nederlands, orale talen. Daarbij vindt de belangrijkste uitstraling van de toon via de mond plaats en vindt daar zijn belangrijkste resonansruimte.

Het zachte gehemelte kunt u trainen om zich op te trekken als u snuift, of – voordat u een toon gaat zingen– aan een denkbeeldige bloem ruikt, waarna u, die instelling vasthoudend, een toon zingt. Anders gezegd: als je ‘ruikt’, vervolgens de zo verkregen hoge gehemeltestand vasthoudt en aansluitend zingt, dan krijg je een toon die niet door de neus maar door de mond uitstraalt en die helder is!

Glottissslag

Nogal wat mensen die zingen, beginnen woorden die met een klinker beginnen met een ‘harde’ inzet, de zogenaamde glottisslag. Voor het inzetten van zon woord zijn de stembanden te stevig gesloten en klappen open bij de inzet van zo’n woord. Voorkom die harde inzet door, oefenend, een ‘h’ voor de klinker te zingen, en in een volgend stadium die ‘h’ alleen te denken. Steeds een ‘n’ zingen vóór ‘alleluia’ en ‘amen’ (‘nalleluia’ en ‘namen’) is een veel voorkomende surrogaatoplossing die je vaak hoort maar op zich ook weer fout is!

Oefent u maar als volgt:

Oefening 9

Oefening 9

Registerbreuk

U weet waarschijnlijk wel dat een zangstem meerdere registers heeft. De borststem, de middenstem en de kopstem (soms ook falsetstem genoemd) zijn bekende registerbenamingen. Als een stem goed ‘zit’ vloeien die registers gelijkmatig in elkaar over. Maar veel mensen die zingen kennen waarschijnlijk wel het euvel dat het ene register alleen plotseling in het andere kan overgaan. We noemen dat een registerbreuk. Niet zelden komt het voor dat een zangstem meer dan één breukje heeft. Het alleen maar hoog kunnen zingen als het ook luid is, is een van de ongemakken.

Bij opgaande bewegingen in oefeningen wordt zo’n breuk opgeroepen en versterkt, bij neergaande bewegingen is het gemakkelijker die te camoufleren. Oefeningen in neergaande beweging waarbij niet te luid wordt ingezet, ‘polijsten’ als het ware dat breukje weg. U weet: polijsten is tijdrovend werk. Zo is het ook met het werken aan een registerovergang. Heel trouw en frequent oefenen én veel geduld kunnen uiteindelijk verbetering brengen. Volgorde van oefenen (alleen van boven naar beneden, legato, zonder de toevoeging van een medeklinker en in een heel langzaam tempo!):

  • glissando
  • toonladder
  • drieklanken.
Oefening 10

Oefening 10

Ik hoop dat ik u wat inzicht heb gegeven in veel voorkomende stemfouten en wat u er aan doen kunt. Overigens is het altijd zo dat u er het best onder leiding van een zangpedagoog aan kunt werken. En, tenminste, dat u stemvormend werk op uw koor ter harte neemt en van harte de zin ervan erkent. Verbeteren van uw stemgebruik middels stemvorming, middels zangles, etc.: het is niet iets dat met het toepassen van wat trucjes te maken heeft en ook niet dat het snel resultaat oplevert… En bedenk dat, naarmate u ouder bent en al lang zingt, het nog moeilijker is een en ander op zijn plek te krijgen. In het algemeen geldt bij stemverbeterend werk: veel ervan vergt geduld, veel geduld zelfs én een oprechte bereidheid tot verandering! Anders gezegd: je hebt er ‘een lange adem’ voor nodig!

Hans Smout

Eerder verschenen in Jubilate september 2003 en januari 2004

Reageren is niet mogelijk