Het openingslied

‘Een goed begin is het halve werk’, zegt een bekend spreekwoord. Dit is zeker ook van toepassing op het begin, de openingsritus, van een Eucharistieviering. De verzamelde gelovigen, van verschillende herkomsten met totaal verschillende achtergronden, dienen aan het begin van de viering een gemeenschap te gaan vormen, het volk Gods.

Een zeer belangrijk middel om dit proces te bevorderen is het openingslied, het eerste onderdeel van de openingsritus. Het Algemeen Statuut van het Romeins Missaal zegt hierover: “Het doel van dit gezang is de viering te openen, de eenheid van de aanwezigen te bevorderen, hen in te leiden in het mysterie van de liturgische tijd of van het feest, en de processie van de priester en zijn bedienaren te begeleiden.”(47)

De functies van het openingslied

In deze ene geciteerde zin uit genoemd Statuut worden aan het openingslied dus maar liefst vier functies toegekend:

1. Het openen van de viering.

2. Het bevorderen van de eenheid van de aanwezige gelovigen.

3. Het inleiden van het gelovige volk in het mysterie van de liturgische tijd of van het feest.

4. Het begeleiden van de processie van de priester en zijn assistenten.

Laten we deze functionele aspecten van het openingslied eens nader bezien.

Het openen van de viering

De viering wordt derhalve geopend door de intocht van de voorganger met zijn assistenten en het tegelijkertijd gezongen openingslied. Dit lijkt op het eerste gezicht volkomen duidelijk, maar de praktijk is soms anders. Vieringen worden in diverse kerken geopend met een welkomstwoord door de lector, waarna het openingslied wordt aangekondigd. Soms maak je zelfs mee dat met het openingslied gewacht wordt tot na het kruisteken en de begroeting door de priester, die in stilte of onder orgelspel naar het altaar is gekomen. Al deze afwijkingen doen afbreuk aan de belangrijke liturgische functie van het openingslied.

Door het gezamenlijk gezongen openingslied tijdens de intocht wordt aangegeven wie de belangrijkste actieve rollen spelen in de viering: het bijeengekomen gelovige volk als exponent van het gehele volk Gods, en de priester, die ons ‘in persona Christi’ zal voorgaan. Met name de belangrijke rol van de verzamelde gelovigen wordt tekortgedaan als aan het volk – beter: de gemeente – de gelegenheid wordt ontnomen actief samen met de priester de viering te openen.

De gemeenschap

Vóór de viering ziet een buitenstaander een tamelijk heterogene samenkomst van mensen. Toch is er een gemeenschappelijke binding tussen hen. Allen zijn zij verbonden door het doopsel. Zij vormen tezamen het Lichaam van Christus. Zij zijn allen door God geroepen samen te komen in de naam van Christus en een gemeenschap te vormen.

De eerste activiteit in een viering is een gemeenschappelijke: het samen zingen van het openingslied. Dit samen zingen is zowel een teken van verbondenheid als een middel om het gevoel op te wekken met elkaar een gemeenschap te vormen.

Ook de lichaamshouding draagt ertoe bij dat er gemeenschap ervaren wordt: allen staan. Niet op de eerste plaats uit respect voor de priester maar vooral als teken dat wij deel hebben aan de verrijzenis van de Heer, die wij in deze bijeenkomst gaan vieren.

Het voorgaande houdt in dat in principe gekozen dient te worden voor een openingslied dat allen mee kunnen zingen.

Oriëntatie op de viering

Vroeger hadden bepaalde zondagen en liturgische tijden door het kerkelijk jaar een duidelijk herkenbaar eigen karakter, een eigen kleur. De namen van de zondagen werden vaak ontleend aan het eerste woord van de Latijnse introïtus. Ouderen onder ons kennen aanduidingen als zondag Gaudete, zondag Lætare en zondag Trinitatis.

In vele kerken lijken zondagsvieringen te veel op elkaar. Onder meer door een aangepaste inrichting van het liturgisch centrum (ook een bloemversiering kan hiertoe bijdragen) en een goede keuze van het openingslied is daar verandering in aan te brengen. Ideaal is als in het openingslied wordt verwezen naar de lezingen van die bepaalde zondag of naar het feest dat die dag wordt gevierd. Deze verwijzing komt nog beter tot zijn recht als de voorganger het verband tussen openingslied en lezingen (kort!) aangeeft in zijn inleiding.

De zingende gelovigen kunnen door het openingslied ook in de sfeer geraken van de specifieke liturgische tijd. De bestaande overvloed aan goede adventsliederen biedt ruimschoots de gelegenheid de verzamelde gemeenschap al bij het begin van de viering op het juiste spoor te zetten.

Begeleiden van de intredeprocessie

Reeds in de vroegste middeleeuwen werd de processie van de bisschop van Rome met zijn gevolg naar de kerk en naar het altaar begeleid door psalmgezang. De verzen van een passende psalm werden afgewisseld door een antifoon of een refrein. Later is daarvan in de westerse Kerk alleen de gregoriaanse introïtus overgebleven, een antifoon en slechts één psalmvers, gezongen door een geschoold koor. Het verzamelde volk luisterde zwijgend.

Formeel zou dus onderscheid gemaakt kunnen worden tussen een intredezang (psalm ter begeleiding van de processie) en een openingslied. Sporen daarvan vinden we terug in het eerdergenoemde Algemeen Statuut. In (47) wordt daar gesproken over ‘het gezang bij de intrede’. In (48) wordt dit intredelied nader gepreciseerd: ‘Dit gezang wordt afwisselend uitgevoerd door koor en volk, […] of in het geheel door het volk of door het koor alleen.’ Laatstgenoemde mogelijkheid doet zich voor bij het zingen van een Latijnse introïtus door de schola.

De liturgische functie van de intredeprocessie is niet gering. Het processiekruis staat symbool voor de Heer zelf, die de gelovige gemeenschap binnentreedt en deze gehele gemeenschap, vertegenwoordigd door de deelnemers aan de processie, meevoert naar het geheiligde centrum van de komende riten: het altaar. Natuurlijk mag er onderscheid zijn tussen een grote processie op een belangrijke feestdag en een processie op een ‘gewone’ zondag. Dat geeft extra luister en kleur aan zo’n dag. Een ‘processie’ echter die in grootte en af te leggen afstand tot een minimum is teruggebracht, betekent echter liturgisch gezien zonder meer een verarming.

De liedkeuze

De vorm

Vanouds werd bij de intrede, evenals bij andere processies, een psalm gezongen. In het eerste deel van het Dienstboek voor de (protestantse) kerken wordt deze vorm van het intredelied als enige mogelijkheid aangegeven.

In onze katholieke kerken wordt vrijwel nooit een (Nederlandstalige) psalm als intredelied gezongen. Toch zijn er voldoende geschikte psalmen die ter begeleiding van de intredeprocessie gezongen kunnenworden. Ik noem hier de psalmen 15, 24, 43 (de psalm Iudica, vroegergebeden aan de voet van het altaar), 84, 100 en 121 t/m 134 (de zogeheten pelgrimspsalmen). De verzen kunnen gezongen worden door het koor of een cantor, het refrein door allen. In het Abdijboek zijn voor iedere kerktoon zeer vele psalmtonen te vinden, die voor iedere psalmvertaling passsend te maken zijn.

Het zingen van een psalm biedt afwisseling tussen koor en volk. Dit kan ook bereikt worden door te kiezen voor een beurtzang of een lied met refrein.

Vrijwel altijd wordt gekozen voor een strofenlied. Er bestaan vele strofenliederen die geschikt zijn als openingslied. In de loop van het kerkelijk jaar dient men wel voor voldoende afwisseling te zorgen, anders dreigen (te) veel gezongen liederen tot sleur te geraken, waardoor zij muzikaal en inhoudelijk sterk aan waarde inboeten. Bekendvoorbeeld is GvL 429: ‘Dit is de dag’, een paaslied dat begint met een vers uit psalm 118. Eigenlijk is het daardoor geschikt voor iedere zondagsviering, waarin we toch de opstanding van de Heer vieren. Maar veertig jaar veelvuldig gebruik heeft dit lied toch wat versleten…

Een koor dat zijn plaats kent in de liturgie, zal voortdurend werken aan uitbreiding van het repertoire voor samenzang. GvL biedt bijvoorbeeld nog mogelijkheden genoeg. Zo wordt in betrekkelijk weinig kerken het opwekkende intredelied gezongen ‘Vol van verwachting zijn wij gekomen’, dat toch al zo’n tien jaar in deze bundel staat. Daarnaast dient de koorleiding ogen en oren open te houden voor nieuwe liturgische gezangen die een verrijking kunnen betekenen voor het repertoire. Een nieuw openingslied kan het beste een aantal zondagen achtereen worden gezongen, zodat de mensen zo snel mogelijk ermee vertrouwd raken

verwachting2

De liedkeuze

Niet ieder lied is geschikt als openingslied. Vrijwel alle hymnen bijvoorbeeld zijn te statisch wat inhoud betreft om dienst te kunnen doen als begeleiding van het opgaan van het volk Gods naar het altaar. Ook de lengte van de intredezang speelt een rol. De zang dient te duren tot de processie genaderd is tot vóór het altaar, de plaats van deaanwezigheid van de Heer te midden van zijn volk. Als de zang beëindigd is, kan de voorganger verder gaan met het volgende onderdeel van de openingsritus: de begroeting van het altaar.

Het openingslied kan de harten en geesten van het gelovige volk richten op het feest dat gevierd wordt. Een mooi openingslied voor het feest van Allerheiligen is GvL 590: ‘De heiligen ons voorgegaan’, een lied waarbij het koor de verzen zingt en de gemeente telkens invalt met een goed in het gehoor liggend refrein. Woorden als ‘veilig gaan’, ‘trokken uit’, ‘’t land van God te zoeken’ en ‘trekkend volk’ maken het lied uitermate geschikt maken als intredezang. De openingszang kan ook een bepaalde zondag inleiden. Op de derde zondag in de Advent, vanouds zondag Gaudete, kan gekozen worden voor GvL 534: ‘Verblijdt u in de Heer te allen tijd!’ De tekst van dit lied is gebaseerd op dezelfde woorden van Paulus die we horen in de Latijnse introitus, die zo’n kenmerkende kleur gaf aan deze zondag.Een zondag kan ook ingeleid worden door een lied dat refereert aan de lezingen van die dag. Een goed hulpmiddel hiervoor is het register opbijbelse vindplaatsen op pp. 860-865 van GvL.

De openingszang kan ook kleur geven aan de liturgische tijd. Voor de Adventstijd bestaat een keur van liederen die daarvoor geschikt zijn, evenals voor de overige tijden van het kerkelijk jaar. Een register hiervoor vindt u op pag. 858 van GvL.

De grote waarde van het openingslied wordt treffend onder woordengebracht door Andreas Heinz in zijn artikel ‘Overwegingen omtrent dekunst om de kerkelijke liturgie te vieren’. Hij zegt daar dat al bij het eerste begin van de viering gemeenschap ervaarbaar moet zijn en moet groeien. Dan heeft het gemeenschappelijk zingen in de zin van ‘bij-elkaar-zingen’ een eersterangs betekenis.

licht2

geprezen2

Adriaan van Roode

Oorspronkelijk verschenen in Jubilate september 2006

Tagged , .Voeg toe aan je favorieten: permalink.

Reacties zijn uitgeschakeld.